Foto
De naam Marvin Etzioni doet bij wat oudere muziekliefhebbers wellicht ergens een belletje rinkelen. Hij vormt in de eerste helft van de jaren tachtig samen met drummer Don Heffington de ritmesectie van Lone Justice.
De band achter Maria McKee is slechts een kort leven beschoren als de getalenteerde bandleden uitzwermen om andere muzikale horizonten te verkennen. Etzioni maakt in het begin van de jaren negentig enkele soloplaten, doet productiewerk voor Peter Case en Counting Crows, werkt samen met T-Bone Burnett en Dixie Chicks en gaat voortaan door het leven als de ‘mandolin man’. Destijds kreeg hij van grootvader een Stradolin mandoline, het eerste instrument ooit dat hij ooit betokkelt na zelfstudie. Opa leerde de jonge Etzioni de country van Cash en Buck Owens te waarderen.
Etzioni toont een uiterst persoonlijke en gevarieerde variant van het genre op de dubbellaar ‘Marvin Country’. In de 22 nummers wordt de multi-instrumentalist vocaal geflankeerd door onder andere John Doe, The Dixie Hummingbirds, Buddy Miller en Richard Thompson. Uiteraard is ook Maria McKee van de partij, evenals Lucinda Williams.
“Bob Dylan Is Dead’ zingt Etzioni, een wat voorbarig in memoriam dat helaas van toepassing is op enkele van de muzikanten, zoals Donald Lindley en Duan Jarvis die hier nog figureren. Op het tweede meer experimentele schijfje herkennen we de stem van een illustere dode als Gram Parsons in een sample.
Er is ook een grandioze reprise van ‘Ai’n’t No Work In Mississippi’ dat op het eerste schijfje door Steve Earle ingekleurd werd en ook in samenwerking met The Holy Brothers lichtjes fantastisch klinkt. “I’m no architect just a man with a song, I don’t need a blueprint to see something’s wrong…” fluistert Etzioni met gebroken stem in ‘Hard To Build A Home’, een ontroerende pianoballade evenals de prachtige sleper ‘Hold On To Your Dream’. Een van de betere schijfjes in het genre deze verrassende dubbellaar.

Cis Van Looy (4) 


Nine Mile Records  I  NMR 0240  I  Sonic RendezVous  I  Klanderman Promotion  I  Marvin Etzioni

 
 
Foto
Echt, nog nooit had ik van deze groep gehoord. Er is nu eenmaal verschrikkelijk veel muziek dat op de wereld wordt losgelaten. no-man (officieel met kleine letters) is een Britse band die bestaat uit het duo Tim Bowness en Steven Wilson. Steven Wilson is voornamelijk bekend als frontman van Porcupine Tree. no-man werd in 1987 opgericht als No Man Is An Island (Except The Isle of Man). Geestige groepsnaam, maar een beetje lang natuurlijk, van daar nu no-man. De band startte in het trip hop genre, maar nadien is de groep niet echt meer op een genre vast te pinnen. De naam van de band wordt in 1990 dus no-man als hun eerste single in oktober uitkomt; ‘Colours’, een compositie van Donovan. Sinds 1993 maakte de groep zes studioplaten waarbij vaak musici uit diverse muzikale richtingen een handje hielpen. En niet van de minste: Roger Eno (broer van Brian uit Roxy Music), Robert Fripp (King Crimson) en enkele ex-leden van de band Japan.
Voor mensen zoals ik die de groep van haar noch pluim kenden is deze plaat een zegen. Het is immers een zorgvuldige selectie van de muzikale loopbaan van deze groep, dat live werd gespeeld op 14 oktober 2011 in Leamington Spa Assembly. Aan de foto’s te zien geen echt grote zaal. Op deze live-plaat wordt het duo Bowness & Wilson bijgestaan door klassieke violinist Steve Bingham en door gitarist Michael Bearpark, klavierspeler Stephen Bennett, bassist Pete Morgan en drummer Andres Booker die ook de achtergrondvocalen voor zijn rekening neemt.
De liedjeskeuze van de groep is meer dan eigenzinnig. Op 22 jaar tijd brachten ze dertien singles uit, slechts één, de laatste ‘Wherever There is Light’ staat op deze live-cd. Maar er staat wel een onuitgegeven liedje uit hun beginperiode op de plaat (‘Beaten By Love’). Commercie is dus zeker geen prioriteit bij deze groep. Hoewel ze dan weer 8 verzamelalbums hebben, waar ongetwijfeld een hoop onuitgebrachte liedjes op staan. Toch wel een bizarre aanpak. De opener ‘My Revenge On Seattle’ start erg ingetogen, maar komt daarna op kruissnelheid met uitstekend, rechttoe rechtaan gitaarwerk, om toch weer op een zachte noot te eindigen. Een opener die beklijft. Op ‘Time Travel in Texas’ krijgen onstuimige gitaren en distortion-geluidseffecten alle ruimte om van deze compositie een gesmaakte rocker te maken, met de nodige rustpunten. Of is het een ingetogen nummer met de nodige gitaarrockinterventies. Hoe dan ook uitstekend! ‘All The Blue Changes’ wordt gedragen door een sfeervolle piano, inventief gitaarwerk en de expressieve stem van Tim Bowness. Laag na laag wordt toegevoegd aan deze 6-minuten durende compositie, in het midden maken viool en keyboards ook hun opwachting. Dit smaakt echt wel naar meer. ‘Pretty Genius’ is vrij klassiek van opbouw en klinkt vooral heerlijk funky/rockerig en ja wel de instrumentatie en het stemmenwerk zijn geniaal. Het lang uitgesponnen ‘Lighthouse’ komt uit de plaat ‘Returning Jesus’ uit 2001. Ook hier weer eenvoudige ingrediënten: stem, gitaar, percussie, keyboards die leiden tot een prachtig resultaat. De zanglijnen van Bowness zijn haast perfect te noemen, de symbiose met de instrumenten (vooral gitaar en orgel) is hemels. Midden het nummer is er een orgelsolo om u tegen te zeggen, waarna viool en gitaar hun karretje aanhaken. De liedjestekst is wat ironisch getint, iets waar de Britten nog steeds in uitmunten. Zonder twijfel het hoogtepunt van de plaat. ‘Beaten By Love’ is een nummer uit het aller prilste begin van dit duo in 1987, voor ze ooit nummers op band hadden gezet. Ons een raadsel waarom dit nooit gebeurd is, want deze compositie staat haar mannetje. Ook hier schitteren gitaar en stem weer. ‘Wherever There Is Light’ uit de laatste plaat van de groep ‘Schoolyard Ghosts’ is echt geen slecht nummer maar het geheel is me wat te zeemzoeterig. Neen dat zijn de twee laatste nummers, van allebei bijna tien minuten wel iets anders. ‘Mixtaped’ heeft ruige en stevig gitaarwerk dat het nummer domineert maar wordt tegelijkertijd onderbouwd door knappe tempowisselingen en adequaat stemmenwerk. De afsluiter ‘Things Change’ is een perfecte afsluiter waar de sterke punten van deze band: compositie, stem, samenhang stem en instrumentatie voor de zoveelste keer bewezen worden. Een mooie viool-solo leidt naar de prachtige gitaar hoogstandjes waar dit nummer en deze uitstekende live-plaat mee eindigen.

Never heard of no-man, what a shame. I should have know this British duo years and years before. With this record they have made the perfect introduction for people like me. Everything in this record pleases me: the compositions, the vocals, the instruments and the result of all this together. One of the best new records I heard this years, if not the best! This live-concert is also on the extra DVD that comes together with the CD. Worth checking out, I would think.

Peter Desmet (4)


Burning Shed/EMI  I  bshed1201  I   No-Man

 
 
Foto
Ze bestaan nog rockers die werken volgens aloud beproefd recept. Kevn Kinney de uit Atlanta afkomstige frontman van Drivin’ N Cryin’ is zo iemand.
‘A Good Country Mile’ is de nasleep van talloze jamsessies in een New Yorkse kelder waar Kinney en zijn oude buddy Anton Fier (Feelies, Lounge Lizards) en andere leden van het muzikale instituut The Golden Palominos zich vergrijpen aan ouder solowerk van Kinney en Drivin’ n’ Cryin’. Het is al meteen raak met ‘Never Gonna Change’, een song die Jason Isbell bij Drive By Truckers introduceerde. De nadruk ligt meer dan ooit op de roots van het diepe zuiden van de VS, gedreven gitaarrock vakkundig verpakt in een kolkend mengsel van folk en outlaw country en uiteraard southern rock.
‘Hurricane’ dat op een door pedaalwerk vervormde CCR riff en een koortsige harmonica drijft is zo’n typisch voorbeeld met urgent snarenwerk en rauwe zang en in het eveneens uit ‘Down Out Law’ geplukte ‘Bird’ schuilen naast psychedelische invloeden harmonische zangpartijen die duidelijk naar naar de bijna gelijknamige groep refereren.
In het uit het repertoire van Drivin’ n’ Cryin’ gelichte ‘Wild Dog Moon pt.2’ huilen blaffende honden nog steeds naar de maan en ze durven in weerwil van het gezegde ongetwijfeld nog bijten ook. Kinney componeerde dat nummer destijds samen met Fier.
De titelsong is van recentere datum en stamt uit Kinney’s soloproject ‘Broken Hearts and Auto Parts’ en neemt hier bijna tien minuten in beslag, ruim een zesde van het geheel. Het eerder genoemde countryrock epos ‘Bird’ is niet veel korter. Dat ook de rustigere momenten niets aan intensiteit hoeven in te boeten blijkt uit de melodieuze sleper ‘Southwestern State’.
Wie vertrouwd is met het vroegere werk van zal dit werkstuk ongetwijfeld weten te appreciëren voor alle anderen is dit een uitgelezen kans om kennis te maken met een opwindend en sterk staaltje tijdloze en compromisloze southern rock uit de eredivisie.

Cis Van Looy (4)


Eigen Beheer  I  Sonic RendezVous  I  Klanderman Promotion  I  Kevn Kinney

 
 
Foto
Ik zou het ten zeerste betwijfelen of je met een naam als Jason Serious een meute aan het lachen kunt krijgen, maar je kunt er wel een uitstekend folkrock album van verwachten.
Jason Serious is afkomstig uit Baltimore, Maryland. Aan de University of Chicago leerde hij de Oostenrijkse Claudia kennen en hij werd spontaan verliefd op haar. Claudia kon of wilde niet in de States blijven en zoals het dikwijls het geval is volgde de man de vrouw en zo kwamen ze in Londen terecht. Momenteel is Munchen ‘home’ voor Jason Serious.
Zijn singer-songwriter debuut dateert uit 2009 als lid van de Flea Market Poets en met ‘Undercover Folk’ gaat hij op de ingeslagen weg verder. Zijn jongste cd ‘Undercover Folk’ steekt eerlijk gezegd wel boven de singer-songwriter middelmaat uit. Ook al omdat de meeste tracks altijd ergens wel een ‘earcatcher’ inhouden.
‘Everybody’s Somebody’s Beautiful’ is een heerlijke countrydeun met de spots op de pedal steel van Ingbert Graf gericht. De uitstekende, ietwat rauwe gitaarsolo van Mike Burns op de titeltrack blijft ook al een tijdje in het achterhoofd hangen. Hetzelfde kan gezegd worden over het lekker chaotische ‘Met Jack Kerouac’. Op ‘Lucky Spark’ klinkt Jason Serious als een eenmans Everly Brother en hij zorgt met ‘Bucket Of Gin’ voor een relaxte uitsmijter.
Op die wijze brengt Jason Serious, ondanks het heersende rotweer, met ‘Undercover Folk’ toch een flard zomer in huis.

‘Undercover Folk’ by Jason Serious is a lightfoot record that helps us in dealing with this rainy summer.

Ivan Van Belleghem (4)


Eigen Beheer  I  Promo CD  I  Hemifran  I  Jason Serious

 
 
Foto
Deze in het New Yorkse Brooklyn residerende dame is moeilijk in een welomlijnd muzikaal vakje onder te brengen. In het verleden profileerde ze zich als een van de betere vrouwelijke singer-songwriters waarbij ze haar persoonlijke poëtische ontboezemingen op een veelheid aan muzikale stijlen ent die op haar voorgaande werkstukken balanceren tussen folk, rock en jazz en blues.
Op ‘Secret Canon’, live opgenomen in studio’s in New Jersey, staat slechts een enkele zelfgecomponeerde song. ‘Not The Only Fool In Town’ een bluesy pianoblues met David Torkanowsky aan de pianovleugel en George Porter van The Meters op bas kwam in de Crescent City in Louisiana tot stand. Voor de selectie van overige tracks baseerde Kurtz zich op ‘Nightbeat’ van Sam Cooke, een jazzgetinte langspeler uit 1963, die ze zowat grijs draaide tijdens de voorbereidingen. De bedoeling was om een lichtjes onderkoeld ‘afterhours’ sfeertje te creëren. Kurtz slaagt daar wonderwel in met haar gepassioneerde voordracht in songwerk als ‘Come In Out Of The Rain’ en ‘If Yesterday Could Only Be Tomorrow’ dat in een ver verleden op repertoire van het Nat King Cole Trio prijkte maar assimileert daarnaast ogenschijnlijk moeiteloos een blues zoals ‘Do I Love You’ van Texaan Floyd Dixon.
Kurtz stemtimbre vertoont onmiskenbaar sterke gelijkenissen met de stembuigingen van de ondertussen betreurde Nina Simone. Haar sobere gitaarwerk wordt schitterend ondersteund door het alomtegenwoordige orgel van Peter Vitalone zoals het uitdagende ‘Don’t Fuck Around With Love’, in de vroege jaren zestig uitgevoerd door de obscure doowopgroep The Blenders uit Boston, illustreert. ‘Sweet Lotus Blossom’ gaat terug tot in de jaren dertig. ‘Call Me Darling’ imponeert in al zijn soberheid, enkel de gitaar van Jack Williams ondersteunt de diepbruine alt van de zangeres. Op ‘Secret Canon’ redt Dayna Kurtz op onnavolgbare wijze lang vergeten maar schitterend songwerk uit de vergeetput. Klassedame!

Cis Van Looy (4 tot 5)


Kismet  I  KIS 1006  I  Rough Trade  I  Klanderman Promotion  I  Dayna Kurtz

 
 
Foto
Deze Engelse groep met de Nederlandse naam gaat ook wel als de groep van leider Peter Hammill door het leven. Van der Graaf Generator werd opgericht in 1967 door Chris Judge Smith en Peter Hammill. De naam is ontleend aan de Van de Graaff - generator, en was een idee van Smith. Een “Van de Graaff - generator “is een elektrostatische generator ontworpen door Robert van de Graaff in het begin van de 20e eeuw. Dank u wel Wikipedia!
De band bracht als eerste single ‘People You Were Going To’ uit, die wegens contractuele problemen slechts een week verkrijgbaar was! Smith verliet vervolgens de groep en begon een solocarrière. Vanaf het begin was zanger Peter Hammill de spil van de band. Zijn karakteristieke stem is bepalend voor het geluid van de groep. Bovendien schreef hij de meeste nummers. In de klassieke bezetting bestond de groep, naast Hammill, uit toetsenist Hugh Banton, saxofonist David Jackson en drummer Guy Evans. De band wordt vaak tot de progressieve rock gerekend maar heeft een duidelijk herkenbaar geluid dat sterk afwijkt van dat van de meeste tijdgenoten. Echt populair werd de groep nooit, alleen in Italië was Van der Graaf Generator een supergroep. De groep startte met het psychedelische geluid van einde jaren ‘60. Daarna koos de band al dan niet bewust voor een meer duister geluid. In elk geval de muziek van Van Der Graaf Generator was moeilijk verteerbaar en Hammill's teksten werden door het grote publiek als erg intellectueel ervaren. Desalniettemin bouwde de band een trouwe (cult) aanhang op. Wat de groep uniek maakt is in de eerste plaats de unieke stem van Hammill, maar ook het geluid van de dubbele saxofoon van David Jackson. Daarnaast ontbraken elektrische gitaar en ook de basgitaar sinds het vertrek van bassist Nic Potter in 1970, waarna het orgel van orgelbouwer en toetsenist Hugh Banton de bassen verzorgde. Vanaf 1972 leidde de groep een zeer onregelmatig bestaan. De groep functioneerde een tijdje, ging vervolgens weer uiteen om daarna weer samen te komen. Sommige platen werden zelfs gemaakt zonder Hammill. In 1978 viel dan definitief het doek over de groep. Postuum verscheen nog het erg rauw klinkende dubbel-live-album ‘Vital’, onder de naam Van der Graaf in weeral een verschillende line-up. Nadat er in 1996 en 2003 reeds korte (voor één song), onaangekondigde gezamenlijke optredens waren, volgde in 2005 in the Royal Festival Hall in Londen een echte reünie in de klassieke bezetting. Het onmiddellijk uitverkochte concert werd bezocht door fans uit heel de wereld. Nog voor het concert verscheen het in begin 2004 reeds het in het geheim opgenomen album ‘Present’, een dubbel-cd waarvan de eerste cd nieuwe nummers bevat en de tweede plaat enkel improvisaties. Pas in 2007 verscheen ‘Real Time’, de integrale registratie van het triomfantelijke reünieconcert in de Royal Festival Hall. In september 2006 kondigden Hammill, Banton en Evans aan als trio verder te zullen gaan. Jackson zou volgens Peter Hammill niet de goede houding hebben ten aanzien van het lid zijn van een band als Van der Graaf Generator. Sindsdien geeft het zelfbenoemde "Power Trio" af en toe concerten en maakten ze nog een plaat in 2008 ‘Trisector’, en één in 2011 ‘A Grounding in Numbers’. Eén jaar later vergast dit trio, drummer Guy Evans, organist Hugh Banton en zanger/gitarist/pianist Peter Hammill ons weeral op een nieuwe plaat. Alleen op deze plaat wordt niet gezongen.
De plaat opent met het instrumentale ‘Early Bird’. Het zal u niet verbazen dat vogelgeluidjes het allereerste is dat uit de luidsprekers weerklinkt, meteen aangevuld door percussie op waterdrums en ander percussiewerk. Meteen wordt duidelijk dat de groep het experimenteren nog niet verleerd is en rustig die weg verder bewandelt. De tweede track ‘Exctractus’, klinkt al wat conventioneler voor een rockband dank zij de prominente elektrische gitaar. ‘Sackbutt’ wriemelt en kronkelt om dan baan te ruimen voor het veel langere ‘Colossus’ dat pastoraal inzet, vrij donker kleurt, even stilvalt en waar de klavieren en geluidseffecten deze compositie de richting van filmmuziek lijken uit te sturen, echter heel erg fragmentarische en met veel geluidseffecten. Maar midden de song lijkt de associatie met jazzmuziek veel correcter, zij het dan flink gestoorde jazz gelardeerd met erg veel geluidseffecten. ‘Batty Loop’ is zoals de titel aanduid niet meer dan een korte loop. ‘Splendid’ zou een Santana-nummer van begin de jaren ’70 kunnen zijn: heel intens en broeierig met prima gitaar-, orgel en drumwerk. Een fantastische prestatie! ‘Repeat After Me’ is een lang uitgesponnen atmosferisch nummer waar de piano rustig meandert. Heel pastoraal, rustgevend en vredig. Dat is de andere rustige kant van Van Der Graaf Generator. ‘Elswhere’ is een onrustig nummer met veel tromgeroffel om dan baan te ruimen voor geluidseffecten op gitaar en klavier en neigt opnieuw naar een jazzstandaard op het einde. Op ‘Here’s One I Made Earlier’ opent Hammill op gitaar, nemen piano en klavier het over maar ondanks dat de gitaar zich terug in debatten mengt is er van een echte melodie geen sprake. VDGG maakt het zijn luisteraars niet echt makkelijk. ‘Midnite or So’ begint met een klassiek klinkende orgel, - en pianopartij, waarbij deze instrumenten samen met de drums van Evans het nummer op een redelijk forse manier naar het einde toe begeleiden. Een rustpunt op deze erg experimentele plaat. Het korte ‘D’Accord’ draait rond klavieren en geluidseffecten. ‘Mackerel Ate Them’ gaat wervelend van start met drums, percussie en spacy klavieren en blijft prettig gestoord tot op het einde. Bijna een rocksong. Net zoals ‘Tuesday, The Riff’, met Banton’s orgel in een hoofdrol. ’Dronus’ is het laatste nummer en een pièce de résistance van maar liefst tien minuten. Lang uitgesponnen, bezwerend, esoterisch: zo klinkt het eerste gedeelte. Dan wordt het weer wat heviger, duiken er meer geluidseffecten op om terug in de modus van het begin te hervallen. Een lange uitgesponnen mantra overvloedig gelardeerd met geluidseffecten. Laat het ons daar op houden.

You can only like this record if you are really into experimental and uncoventional music. No classic songs or compositions, no vocals, no classic instruments. But lots of enthusiasm, lots of riffs, lots of noises, lots of energy and lots of motivation to play. I do think that with this record Van Der Graaf Generator will please their fans but won’t win new adepts, although you never know.

Peter Desmet (2 tot 3)



 
 
Foto
Wanneer je een exemplaar van het overigens oerdegelijke bluesmagazine ‘Block’ openslaat komen de advertenties met betrekking tot Nederlandse Bluesbands u op de bladzijden 56, 57, 58, 59 en 60 zodanig tegemoet, dat je haast zou vergeten dat de Twelve Bar Blues Band (ook 12BBB genoemd) er feitelijk een beetje bovenuit steekt.
In tegenstelling tot veel van hun collega’s bezondigt de Twelve Bar Bluesband zich niet aan krachtpatserij, maar laten ze voor het grootste deel het buikgevoel spreken.
De Twelve Bar Bluesband werd in 2006 opgericht en ‘Life Is Hard’ is nu al de vierde schijf op hun conto na ‘The Blues Has Got Me’ (2006), ‘E-mail From Heaven’ (in 2008 kreeg die plaat van Bluesforum een award voor beste cd van het jaar) en ‘Key To Your Heart’ (2010).
In 2010 ontvingen ze van de Dutch Blues Foundation een award voor ‘Best Dutch Bluesband’.
Het zou mij niet verwonderen indien ze laatstgenoemde krachttoer nog eens zouden overdoen met ‘Life Is Hard’. Jan J. Scherpenzeel (zang, harmonica) schrijft intelligente songs zoals ‘Don’t Ask Me Why’, ‘You’ve Got To Move’ en ‘Living In Your Own Cell’. De stem van Scherpenzeel klinkt een beetje omfloerst en daardoor kunnen een paar kleine zwakheden handig worden weg gecamoufleerd. Ik heb er geen bezwaar tegen want alles bij elkaar blijft de Twelve Bar Blues Band flink overeind. Kees Dusink is een gitarist waar iedere rock of bluesband van droomt om hem ooit in hun rangen te krijgen. De openingstrack ‘Bluesman’ staat of valt met zijn verschroeiende slide gitaar en op ‘Why Are People Like That’ soleert hij als de allerbeste. Er wordt op gepaste en ingetogen wijze hulde gebracht aan Robert Johnson met ‘Me And he Devil Blues’.
We zouden Randy Pears (ritme gitaar), Patrick ‘Sideburn’ Orbist (Best Dutch Bassplayer in 2011) en drummer Marcel Bakker oneer aandoen indien wij hen zouden over het hoofd zien. Zij zijn er mede voor verantwoordelijk dat de sound van de Twelve Bar Blues Band echt ‘tight’ klinkt. Wij kregen in ieder geval een warm bluesgevoel bij het beluisteren van ‘Life Is Hard’.

If Jan J. Scherpenzeel should ask the audience ‘Do you feel allright?’, then the answer is ‘Yeah’.

Ivan Van Belleghem (4)


Eigen Beheer  I  TBBB2012  I  12 Bar Blues Band

 
 
Foto
Op de voortreffelijke voorganger ‘10 Songs For the New Depression’ trekt Wainwright de parallel van de grote crisis uit de jaren, dertig en bezingt de demonen waar hij mee worstelt. Zoals de titel laat vermoeden staat in ‘Older Than My Old Man Now’ het thema familie centraal. Het minste dat je kan zeggen is dat de 65-jarige troubadour wat dat betreft een bewogen parcours heeft afgelegd.
In het openingsnummer ‘The Here & The Now’ vertelt hij zonder enige schroom over zijn drie gebroken huwelijken. Het achtergrondkoortje is bevolkt met enkele leden van zijn kroost. Naast de ondertussen alom bekende Rufus en Martha, kinderen van de betreurde Kate McGarrigle, de helft van het wonderlijke duo Kate & Anna, zijn ook de vruchten van vroegere echtelijke verhoudingen present. Lucy Wainwright is de dochter van Sue Roche (The Roches) en Rosemarie, dochter van Ritamarie Kelly. ‘The There & The Now’ waarbij in nauwelijks vier minuten de levenshistoriek van LWIII passeert is meteen de rijkst georkestreerde song met soepel jazzy elektrisch snarenwerk van John Scofield. ‘In ‘C’ is een sobere pianoballade met een treurige cello en een pijnlijk, doodeerlijk autobiografisch verhaal over de misstappen van rusteloze vaderfiguren.
De titelsong opent als ‘spoken word’ met harmonica op de achtergrond waarin een verhaaltje huist van Wainwright Jr. Loudon’s vader, destijds een niet onverdienstelijke columnist over opa, de oorspronkelijke stamvader van de singer-songwriter. De eigenlijke song is verpakt als een authentieke countryblues. ‘Double Lifetime’ is een duet waarin de stokoude legendarische folkcowboy Ramblin’ Jack Elliott figureert.
In het bijhorende boekje is niet voor niets een foto van Kate met viool uit de beginjaren zeventig afgedrukt. Na een pastoraal vioolintermezzo van Rob Moose luisteren we ademloos naar ‘Over The Hill’, naar verluidt de enige song die aan de gezamenlijke schrijftafel van het echtpaar Mc Garrigle/Wainwright werd geboren. ‘I Remember Sex’ neemt de clown in de artiest in bedenkelijk gezelschap van Dame Edna, die bovendien… euh ‘zingt’, de bovenhand. Het is de enige track waarbij ik telkens de skipfunctie gebruik om snel over te schakelen naar ‘Somebody Else’ een duet met Chris Smither en opnieuw de viool van Moose, prachtig. Hetzelfde kan van het ingetogen ‘The Days That We Die’ gezegd worden, weerom ingeleidt met een diepzinnige tekst van vader en vervolgens ontspint zich een dialoog tussen LW III en zoon Rufus. Er wordt in schoonheid afgesloten met ‘Something’s Out to Get Me’ een op weemoed, violen en fluisterende tenorsax drijvende terugblik die zachtjes uitsterft.

Cis Van Looy (4 tot 5)


2nd Story Sound Records / Proper  I  PRPCD 098  I  Rough Trade  I  Loudon Wainwright III

 
 
Foto
Liz Mandeville kennen wij persoonlijk nu toch al ettelijke jaartjes. Toen was het nog Liz Mandeville Greeson. Remember? Tijdens onze jaarlijkse bedevaart naar Chicago, ontmoetten wij elkaar steevast wel in een bluesclub. En dit is toch wel steeds een intiem moment om halsreikend naar uit te kijken. Op aanraden van wijlen Willie ‘Big Eyes’ Smith richtte Liz nu haar eigen platenlabel op. “Don’t give your music to no label, Liz, start your own. I’ll will help you !” dixit Willie Smith. En zo werd het label Blue Kitty Music in het muzikale landschap geïntroduceerd. Liz grossiert inmiddels ook in menige Blues Awards. Liz Mandeville laat ons hier opnieuw van een afwisselend stemtimbre genieten, speelt uitstekend gitaar en hanteert zelfs het wasboard op ‘My Mama Wears Combat Boots’. Een super gezellige boel dus. En samen met Darryl Wright (bas), Leandro Lopez-Varady (piano), Donna Herula (slide gitaar), Eddie Shaw (tenor sax), Nick Moss (gitaar), Jim Godsey (bas, drums) en Willie ‘Big Eyes’ Smith op mondharmonica en drums (5 tracks) weet Liz zich met een sterke backing te omringen. In 2010 bezocht Liz de stad Clarksdale en overnachtte er in The Riverside Hotel. Daar verbleef Liz in de Muddy Waters Room, wat haar ongetwijfeld inspireerde tot het schrijven van enkele prachtnummers. Het album opent eigenlijk met een leuke intro -lees conversatie- tussen Willie, Daryll en Liz. Tot ‘Riverside Produce Stand’ uit onze woofer knalt. De song is meteen overgoten met heerlijk shuffles, net als in het Chicago begeesterde ‘Walking & Talking With You’.
Willie ‘Big Eyes’ Smith’s bluesharp staat hier dan ook meteen in de spotlights. Met ‘Mama & Daddy Blues’ wordt wat aan energie ingeboet. Net zoals het droevige ’A Soldiers Wife’. Donna speelt meer dan voortreffelijke slide gitaar, terwijl Liz zich grote akkoorden aanmeet op de akoestische snaren. De duivel en de geesten van Muddy Waters en Robert Johnson worden opgerakeld in ‘Clarksdale/Riverside Hotel Blues’. Dan toch die hemelse inspiratie? En dat begeesterd ook de akoestische Delta Blues ingeving in ‘Sand Baggin’. In het swingende ‘Sweet Potatoes Pie’ krijgt de tenorsax van Eddie Shaw de hoofdrol toegedeeld. Maar in het afsluitende ‘My Mama Wears Combat Boots’ glinstert de lead gitaar van Nick Moss en het wasboard van lady Liz Mandeville. Het album klinkt dus zeer gevarieerd en de balans tussen de akoestische en elektrische arrangementen zijn perfect in evenwicht.

Liz Mandeville is a symphatic stage tiger with enthusiastics and powerful vocals. ‘Clarksdale’ is an impressive album, perhaps her best work to date!

Philip Verhaege (5)


Blue Kitty Music  I  BKM 001  I  CDBaby/LizMandeville  I  Frank Roszak Promotion  I  Liz Mandeville

 
 
Foto
Ronnie Keith Owens en zijn band The Grand Dukes zijn een veelgeprezen touring band en spelen van de kleinste funky bluesbar tot op de grote bluesfestivals. In het verleden toerde en opende Ronnie shows voor ondermeer John Lee Hooker, James Cotton, Taj Mahal en Gatemouth Brown. De huidige line-up bevat Ivan Appelrouth (gitarist en co-schrijver, die ooit toerde met Big Joe & The Dynaflows en oorspronkelijk gitarist bij Johnny Sansone), John Sheppard (bas), Mark Young (drums), John Fralin (piano) en North Side Slim op maracas en basdrums. Samen met enkele ‘special guests’ wordt de traditionele blues ingeleid door singer-songwriter en Hohner mondharmonica virtuoos Li’l Ronnie. Naast heel wat eigen werk bevat het schijfje twee opmerkelijke covers. Bij Louis Jordan leende Ronnie voor de gelegenheid ‘Buzz Me’ en ‘C’est La Vie’ haalde hij zowaar bij rock-‘n-roll icoon Chuck Berry. Maar de band ademt vooral West Coast jump uit en met ‘Bring Your Love Home’ en vooral ‘Sweet Sue’ is een dansvloer snel gevuld. Maar Ronnie en zijn Dukes maken ook gretig gebruik van enkele muzikale uitstapjes. En terecht !
‘Cold Hard Cash’ is een lekkere swamp rocker en met ‘Can’t Please Your Wife’ en ‘Late Nite Blues’ trekken wij zelfs richting Windy City en Chicago. Het album bevat 14 tracks en ook al is Ronnie’s stembereik wat beperkt, elke song is outstanding en solide blues.

Li’l Ronnie And The Grand Dukes are one of the hottest swing and jump bands and they know how to create a sound that find a mixture between the fifties R&B, West Coast, Chicago Blues and vintage rock-’n-roll. Ronnie is looking forward to play on the European Bluesfestivals. Who will bring this partyband to Belgium ? Li’l Ronnie And The Grand Dukes are the real deal!

Philip Verhaege (5)