Nolan Strong is een minder bekende naam. Feit is dat de hemelse, ijle zang van deze fijn besnaarde en besnorde zanger, die Clyde McPhatter adoreerde, in de beginperiode van Smokey Robinson en The Temptations een niet te onderschatten inspiratiebron vormde. Zoals de meeste R&B formaties in de vroege jaren vijftig begon alles op de straathoeken en steegjes van de grootstad waar de doowop tussen de huizenblokken galmde. In het geval van Nolan en zijn kompanen was dat Detroit. In ’54 stapten The Diablos in de plaatselijke Fortune Records Studio, thuishaven van menig R&B held. Devora Brown, die naast boogie bluesman John Lee Hooker later ondermeer Andre Williams en Nathaniel Mayer tekende, onderkende meteen het potentieel van dit rond de ijle tenor van Strong opgebouwde vocalistenteam. Een enkele demosessie overtuigde ook haar partner Jack Brown. Het singledebuut ‘Adios My Desert Love’, een nummer van Devora was een bescheiden hit. Het was de opvolger, het door de groepsleden gecomponeerde ‘The Wind’, een mysterieus melodrama, dat een doorbraak forceerde. Oorspronkelijk werd Strong naast baritonzanger Willie Hunter, omringd door Quentin Eubanks (bas) en Juan Guitierriez (tenor), terwijl de gitaarpartijen van Bob ‘Chico’ Edwards afkomstig waren. Na dit vroege succes stapten Eubank en Guitierriez op. Ze werden vervangen door George Scott en Nolan’s broer Jimmy. Er volgde nog een reeks van nummers meestal door Nolan Strong geschreven voor het Fortunelabel. The Diablos klinken niet onverdienstelijk in rockende R&B als ‘Baby Be Mine’, ‘Jump Shake And Move’, ‘Try Me One More Time’, ‘GoodBye Mathilda’ en ‘Watcha Gonna Do’. Het zijn echter de midtempo rumbabeats en chachashuffles van nummers als ‘The Mambo of Love’, de eerste opname waarin Jay Johnson als vervanger van Scott zijn diepe basstem laat grommen, die overtuigen. Echt magisch wordt het met de in superieure doowop verpakte slijpers als ‘Can’t We Talk This Over’, ‘I Am With You’, ‘Since you’re Gone’ en uiteraard de magistrale titelsong ‘For Old Times Sake’ waarmee deze schitterende verzameling rijkelijk gestoffeerd is. Eind ’56 werd Nolan opgeroepen om zijn militaire dienstplicht gedurende twee jaar te vervullen. ‘Harriet’ / ‘Come on Home Girl’ was de enige single van The Diablos met de stem van Willie Hunter op de voorgrond. Strong kwam terug uit het leger als een aan alcohol en drugs verslaafde die niet zelden zijn kat stuurde naar belangrijke afspraken en samenwerking werd steeds moeilijker. Zowel Nolan als zijn platenbazen sloegen een aanbod van Berry Gordy af om bij Motown te komen. The Diablos vielen uiteen en leefden verder in The Velvet Angels met Hunter en Johnson. Nolan nam nog wat werk op voor Fortune zonder The Diablos en blies zijn laatste ademstoot uit in 1977, nauwelijks 43 jaar jong, zijn broer Jimmy overleed zeven jaar eerder en in ’78 stierf Willie Hunter. Een droevig einde, het muzikale hoofdstuk is geenszins afgesloten. Met deze prachtige verzameling van El Toro, het gespecialiseerde label uit Barcelona dat zijn vijftiende verjaardag leeft deze muziek voorgoed verder.
Magic doowop and R&B from the pre-Motown period in Detroit that lives on forever in this marvellous compilation.
Cis Van Looy (4 tot 5)
‘The High Country is een conceptplaat of, sterker nog, een novelle plaat. De leider van de bende heet Willy Vlautin en buiten zanger van Richmond Fontaine is hij ook nog eens een novelle schrijver. Willy Vlautin schreef drie boeken: ‘The Motel Life’, ‘Northline’ en ‘Lean On Pete’. Die laatste novelle werd in het Nederlands vertaald en kreeg als titel ‘De Ruwe Weg’. ‘The High Country’ is in feite een dramatische novelle die op muziek werd gezet. Het gaat over de liefde van een mechanicus voor een meisje van een winkel voor auto-onderdelen. Richmond Fontaine is een vijftal afkomstig uit Oregon. Deborah Kelly en Willy Vlautin nemen het leeuwenaandeel van de zang of parlando partijen voor hun rekening. Dan Eccles speelt gitaar, Dave Harding is de bassist en Sean Olham is percussionist. Wanneer je naar hun jongste cd ‘The High Country’ luistert is net het alsof je naar een griezelige speelfilm zit te kijken, maar dan zonder beeld. Dit komt onder andere door de veelvuldige dialogen die elkaar met de regelmaat van en klok opvolgen. De plaat begint met het door Deborah Kelly uiterst breekbaar gezongen ‘Inventory (A Confession At Arlene’s Paperback Exchange)’. Met The Crainshaw Sea gaat het de stevige kant op. Allerlei stijlen worden hier echter op een hoop gegooid en het bloedmooie ‘Deciding To Run’ wordt afgewisseld met het scherpe ‘The Escape’ of een parlando zoals ‘Driving Back To Crainshaw Sea’, waarbij de country muziek op de autoradio blijkbaar geen impact heeft op Willy Vlautin. Voor wie ‘The High Country’ wil beluisteren doet dit best op zijn dooie eentje, want dit is op sommige ogenblikken zware kost, die mij niet al te geschikt lijkt om op fuiven te worden gedraaid of het zou moeten zijn dat je de genodigden voertijdig wil buitenwerken. De ganse plaat door komt er een sombere sfeer uit uw boxen gerold. Ik ben bij het beluisteren van de plaat een beetje tussen twee stoelen gevallen.
‘The High Country’ by Richmond Fontaine is a love story between a mechanic and a carparts counter girl. Don’t play this record at parties unless you want your guests to leave early.
Ivan Van Belleghem (3)
Decor Records • 025CD • Bertus • Richmond Fontaine
De groep Blame Sally is niet zo maar een groep. Het is een collectief van vier vrouwelijke singer-songwriters uit San Francisco die al meer dan een decennium samenwerken. De groep ontstond in 2000 en dit is hun zesde plaat. In 2009 kreeg deze groep een vijfjarig contract voor drie platen ten bedrage van een half miljoen US $. Zeker niet slecht voor een groep uit het Americana-genre. Blame Sally wordt gevormd door Pam Delgado, zang en percussie, Renée Harcourt, gitaar, basgitaar en zang, Jeri Jones, gitaar, basgitaar en zang en Monica Pasqual die piano, accordeon en zang voor haar rekening neemt. De plaat opent met het sobere ‘Bird in Hand’; spaarzame instrumentale begeleiding met overtuigend zangwerk van Monica. Het doet denken als een paard in draf en lonkt een beetje naar Calexico. Met andere woorden: een perfecte opener. ‘Big Big Bed’ kenmerkt zich vooral door mooie samenzang. ‘Living Without You’ heeft initieel meer een rockfeel maar ontpopt zich onder de leiding van Renée Harcourt al snel tot een leuke meezinger die niet zou misstaan in de hitparade. En zoals we al weten van Paul McCartney (‘Silly Lovesong’) is daar absoluut niet verkeerds mee. ‘Mona Lisa with a Smile’ begint een beetje mysterieus maar ondanks de goede voorzang van Pam Delgado mis ik een echt liedje. Naar mijn aanvoelen een ver gezochte compositie die gewoonweg niet uit de verf komt. ’Pajaros sin Alas’ ‘(Vogel zonder vleugels) is een liedje met Latin roots en dat blijkt onder andere uit de luchtige toon. De helft van het nummer wordt in het Spaans gebracht. Ook dit vind ik geen sterke compositie. De dames produceerden zelf deze CD, dat maakt misschien dat de selectie van de nummers niet altijd even streng is doorgevoerd… ‘Throw Me a Bone’ daarentegen is een eenvoudig liedje, gezongen door Harcourt met sobere instrumentatie dat voortbouwt op een sterke compositie. ‘Back in the Saddle’ wordt ingehouden gezongen door Pam Delgado met een prachtige piano en slepende gitaren, zeker één van de beste nummers op deze schijf Dat is ook het geval met ‘Countdown’, de enige echte rocker op deze plaat. Prima gebracht met knappe vocalen van Monica Pasqual en dito gitaren en orgel. Dezelfde positieve lijn wordt voorgezet op ‘Wide Open Spaces’ een heel mooi nummer dat het ingetogen karakter afwisselt met stevige gitaren. De plaat sluit af met het pastorale en liefelijke ‘Take Me There’, dat een heel klein beetje aan Kate Bush denken maar niet zo sterk als afsluiter.
This female quartet Blame Sally is quite a nice surprise. Good songs combined with excellent instrumental performances and vocals. What they need now is a good producer for their next record.
Peter Desmet (3)
19 februari 2011 zal voor eeuwig in het geheugen van de aanwezige Ganashake fans zijn geprint. Op deze bewuste zaterdag werd de band uitgenodigd door Didier De Bie voor een live sessie in The Montmartre aan de Boondaalsesteenweg 344 in Elsene. De perfecte kruising tussen een volkscafé en een bruine kroeg. De uitgebreide drankkaart is graag meegenomen, maar wat ons vooral interesseert zijn de talrijke (blues)concerten. ’Collection Volume 3’ behoort dus toe aan Ganashake, dat stilaan voor een internationale doorbraak staat. Het jonge trio begon in 2009 en kreeg al zeer snel positieve kritieken en erkenning voor zijn eigentijdse sound. Jess Jacobs (vocals, gitaar), Sander Goethals (bas) en drummer Bert Minnaert maakten reeds live indruk op het BRBF in Peer, het hoofdpodium op de Gentse Feesten, Roots & Roses Festival in het Henegouwse Lessen, (Ge)Varenwinkel en het Binkom Bluesfestival. En toevallig waren wij oprecht stille getuigen van voornoemde concerten. Het verwonderd mij dan ook niet dat het trio The Montmartre heel snel met verstomming heeft verbaasd. Vooral Jess laat merken sterk te zijn beïnvloed door Hound Dog Taylor (‘Give Me Back My Wig’). Al prijken nog twee ongewone covers op de setlist met Muddy Waters ‘Catfish’ en Love Her With A Feeling’ van Paul Butterfield. Maar het zijn toch de originele composities die uit het titelloze debuutalbum komen, die indruk maken. ‘Arrogant Girl’ heeft die typische gitaarrif, ‘Plastic Scene’ is uptempo rock-‘n-roll, ‘Losing it big time’ etaleert een pompende ritmesectie en het swingende ‘Swink’ en ‘Bobby Hitchhike’ zijn nooit aflatend. In het instrumentale ‘Funny Tune’ worden de fans nog wat opgejut en de stoom zal bij deze nooit aflatend worden. Uptempo, vlammende gitaarshuffles, gepaste riffs en ingetogen solo’s worden stug ingepakt met indrukwekkende drumpartijen en strakke baslijnen.
Philip Verhaege (4)
The Montmartre Collection Volume 3 • Vol.3 - 311-47.3 • Bertus • Ganashake
Jon Amor kennen wellicht velen onder ons nog als het brein achter de Award winnende bluesrock formatie The Hoax, die in de jaren ‘90 furore maakte in Engelse bluesscène en ver daarbuiten. In 1999 splitte de band en nu is Jon Amor terug van nooit weggeweest. Met dit titelloos album wordt wel enigszins afgeweken van het klassieke bluesrock repertoire en doet de sound ons voorwaardelijk sterk terugdenken aan The Black Keys en Jon Spencer. Amor keert dus overduidelijk terug naar zijn meer oorspronkelijke roots. Naast Amor (vocals, gitaar), zijn de broers Dave (gitaar, backing vocals) en Chris Doherty (bas) samen met drummer en percussionist Simon Small van de partij. De stuwende kracht van patser Small op de drumvellen, wordt dan ook feilloos ingevuld door de elektrificerende gitaarsound. Dave zorgt voor enige weerspannigheid in het gitaarspel, zodat de eerder bescheiden Amor wel degelijk uit zijn pijp moet komen. ‘Holy Water’ en ‘Juggernaut’ zijn gruizige en ranzige bluesnummers die met volwassen gitaar riffs worden overgoten. ‘Make It Your Trouble’ is meteen voer voor The Hoax fans, al is ‘When The Time Comes’ een zeldzame bluestrage. In ‘She Thought I Was An Eagle’ mag Chris eens schitteren met onvoorwaardelijk basloopjes. De laatste track is commercieel misschien wel de interessantste. ’You Know It’s Only Love’ heeft alles om het tot een cross-over te maken, schitterende gitaar hooks en geweldige melodielijnen.
Jon Amor is back… and how ! This is really a big release and is certainly in my personal top 10 of this year.
Philip Verhaege (5)
Gordon Francis Sampson (‘Gordie’ voor de vrienden) werd in 1971 geboren in Big Pond, Cape Breton, Nova Scotia, Canada. De naam Gordie Sampson klinkt niet meteen bekend, maar toch had hij zijn tentakels richting Nashville uitgestoken. Jawel, want Gordie Sampson schreef songs voor enkele country reuzen zoals Carrie Underwood, Martina McBride en LeAnn Rimes. Nou, moe… Zijn nieuwe cd ‘Almost Beautiful’ is ondertussen zijn vierde. De voorgangers heetten ‘Stones’ (1998), ‘Sunburn’ (2004) en ‘For The Few And Far Between’ (2008). Gordie Sampson is op ‘Almost Beautiful’ uitstekend bij stem en op ‘Thank My Lucky Stars’ doet hij zelfs een beetje aan John Hiatt denken. ‘Wake My Heart’ is een country sleper met de onvermijdelijke pedal steel. Halverwege de song gaat het tempo lekker de hoogte in, net als donderwolken die boven onze hoofden bijeen troepen. Het sobere ‘Fear Of Flying’ is indrukwekkend in al zijn eenvoud. Gordie Sampson wordt hier bijgestaan door een heerlijke vrouwenstem, waarover op het hoesje geen melding wordt gemaakt. In ieder geval een prachtig nummer. Een andere kuitenbijter is ‘Hurricane Jane’, met een versneld New Orleans ritme. ‘The Other Side Of Letting Go’ begint erg rustig maar groeit dan door naar een schitterende climax. In haast ieder nummer zit er wel ergens een gimmick verborgen die tussen je oren blijft hangen zoals die leuke vrouwelijke ‘whoo whoo’s in ‘Crazy Old Man’. ‘What Will They Say’ komt als een nachtzoen over, maar ook hier verdappert het ritme halverwege de song. ‘Almost Beautiful’ van Gordie Sampson is geen slecht plaatje, bijlange niet…
Gordie Sampson makes it sounds like there is no difference between Canada and Nashville.
Ivan Van Belleghem (4)
James Page is afkomstig uit Compton, Californië. Niet toevallig de thuisbasis van de West Coast jump. Gedurende de jaren ‘80 was James vaak in de buurt van The Blasters, James Harman, William Clarck en Rod Piazza and The Mighty Flyers. Geïnspireerd door de naoorlogse jump, jive en swing van Cab Calloway, Louis Jordan en Big Joe Turner is dit James tweede album. Zoals de titel reeds laat vermoeden is dit album een makeover en een update van het naamloze debuutalbum uit 1992. Tien orginele tracks en twee additionele nummers, het Willie Dixon begeesterde ‘I’m Ready’ en de country blues en Johnny Cash beïnvloede ‘Zerg, Shotgun & You’. Samen met Scott Abeyta (gitaar), Blake Watson (bas) en Max Bangwell op drums krijgt vocalist en harpspeler Whiteboy James je ongetwijfeld aan de dansen en swingen. Het schijfje is werkelijk betoverd met geweldige grooves en overheerlijke gitaarriffs. Sinds de hereniging in 2006 en na 5 jaar stilzwijgen is deze stilaan legendarische band terug met uitermate explosieve jump en swingblues. Het album opent meteen in hoogste versnelling en eigenlijk haalt The Blues Express nooit de voet van het gaspedaal. Stevig gitaar werk van de relatief jonge en onbekende Abeyta, al zal hij snel uit de anonimiteit treden. Met James energiek stemgeluid, expliciete teksten en imponerende bluesharp is deze release een must voor alle bluesfans.
There are bands that grabs you straight by the throat… Well Whiteboy James is one of them; The Blues Express are certainly a great band !
Philip Verhaege (5)
Rockmuziek met een Cambodjaanse inslag, je kan het tegenwoordig zo gek niet bedenken, maar het schijfje prijkt inmiddels wel in de Westerse muziekhandel. Het zou ons dus niet verwonderen dat je deze sound wel degelijk zal aantreffen in Chinese of Cambodjaanse restaurants. Vanuit een streng autoritair regime, wordt nu dus ook Khmer Rock op ons afgevuurd. Onder leiding van de Australische Julien Moulson, die in 2009 Srey Thy ontdekte in een van de vele karaoke bars in Phnom Penh, was dit project al vlug een feit. De inheemse stem van Thy is dus niet zo verwonderlijk, al klinkt het album wel ritmisch sterk. Met de in haar eigen Cambodjaanse taal gezongen lyrics is het vooral de muziek die onze aandacht trekt. De combinatie van traditionele instrumentatie en de Westerse getinte gitaarsound werkt wonderwel. En deze klinkt lekker gesmeerd. Het slotnummer is zelfs een bewerking van Shocking Blue’s wereldhit ‘Venus’. Gelukkig wordt op de inlay de vertaling van de songtitels weergeven in het Engels, anders snapten wij er hier zeker geen snars van.
Cambodian Rock Psychedelica out of this World and into another space odyssey.
Philip Verhaege (3)
Wanneer ze geconfronteerd worden met de namen van Johnny en Dorsey Burnette zullen de hardcore rockabilly fans zweren bij de opnamen die ze samen met bassist Paul Burlison als ‘Johnny Burnette And The Rock’n’ Roll Trio’ maakten voor het Coral label. Toen hebben de broers Burnette inderdaad rockabilly zonder enige toegift aan het vinyl toevertrouwd, zoals hun versie van ‘The Train Kept A’ Rollin’’, ‘Rock Billy Boogie’, ‘Rock Therapy’ en natuurlijk ‘Tear It Up’. In de vroege jaren zestig hebben zowel Johnny als Dorsey Burnette en solo carrière opgezet en niet zonder resultaat. Johnny Burnette scoorde met klassiekers als ‘God, Country And My Baby’, ‘Dreamin’’ en ‘You’re Sixteen, You’re Beautiful And You’re Mine’. Johnny Burnette kwam om het leven bij een boot ongeluk terwijl hij aan het vissen was, in Clear Lake, Californië. Dorsey Burnette liet hits noteren met ‘Tall Oak Tree’, ‘Hey Little One’ en ‘The Greatest Love’. Kort voor zijn dood in augustus 1979 bereikte hij nog eens de country charts met de smartlap ‘Daddy, Don’t You Walk So Fast’ ‘(jawel, ‘Pappie Loop Toch Niet Zo Snel’). De opnamen die The Burnette Brothers tussen de Coral periode en hun solo carrière hebben gemaakt zijn steeds een beetje stiefmoederlijk behandeld geweest. Ten onrechte, zoals blijkt uit de dubbele cd ‘If You Want It Enough…1956/59’. Op die dubbellaar staan er nog welgeteld vier opnamen die The Burnette Brothers voor Coral hebben ingeblikt, namelijk ‘Touch Me’, ‘Eager Beaver Baby’, ‘Butter Fingers’ en ‘If You Want It Enough’. Voor de rest liggen de accenten hier vooral op de platen die ze maakten voor labels zoals Imperial, Liberty, Freedom en andere Goldstars en dit is niet mis, zeker niet met een producer als Snuff Garrett. Wie hiervoor zijn neus ophaalde zat dik verkeerd. The Burnette Brothers werkten immers samen met enkele door de wol gewassen rockgitaristen zoals Eddie Cochran, Grady Martin en James Burton. Op ‘If You Want It Enough…1956/59) wisselen songs die bol staan van opgekropt teenagerverdriet zoals ‘You’re Cheatin’ On Me’ en ‘I’ll Never Love Again’ met de regelmaat van een klok af met messcherpe rockers. Die rockers dragen titels als ‘Way In The Middle of The Night’, ‘Circle Rock’ en vooral het onweerstaanbare ‘It’s Late’ wanneer het over Dorsey Burnette gaat. Johnny Burnette rockt zich een weg doorheen de plaat met ‘Sweet Baby Doll’ en ‘Settin’ The Woods On Fire’. Een van de hoogtepunten op de dubbelcd is ongetwijfeld de demo van ‘Believe What You Say’, hier gezongen door Dorsey Burnette en later een top tien hit voor Ricky Nelson. De versie van Ricky Nelson staat eveneens op cd 2 bij de zes afsluitende bonus tracks, samen met zijn versie van ‘It’s Late’ en Bob Luman’s ‘Whenever You’re Ready’. ‘If You Want It Enough...1956/59’ is niet alleen en must voor de fans omwille van de zeldzame opnamen die de plaat hier toch wel rijkelijk sieren, maar vooral omwille van de onverslijtbare rock’n’roll die de luisteraar om de haverklap danskriebels bezorgt.
The Burnette Brothers are a part of rock’-n’roll and rockabilly that never can be wiped out.
Ivan Van Belleghem (5)
Click herWanneer je jezelf het predikaat van muziekliefhebber wil opkleven is er één zin die je nooit mag uitspreken, namelijk ‘’t is van voor mijn tijd’. Ikzelf was de pisdoeken amper ontgroeid toen The 5 Royals in 1953 de Amerikaanse hitlijsten doorkliefden met ijzersterke nummers zoals ‘Crazy, Crazy, Crazy’, dat ze opnamen voor het Apollo label. Dit succes leidde er toe dat The 5 Royales in 1954 een platencontract mochten ondertekenen bij het in die tijd gerenommeerde King Records uit Cincinnati, Ohio. De cd ‘Right Around The Corner’, die zopas door El Toro op de markt werd gebracht, bevat uitsluitend opnamen die The 5 Royales tussen 1954 en 1959 voor King maakten. Eigenaardig genoeg ontbreekt hun grootste pophit uit die tijd, ‘Think’ uit 1955, in die verzameling. Het eveneens prachtige b-kantje ‘I’d Better Make A Move’, daarentegen staat er wel op. Ook het onsterfelijke ‘Dedicated To The One I Love’ (een hit voor The Shirelles en The Mamas & The Papas) ontbreekt hier. Dit wil echter nog niet zeggen dat hier maar wat samenraapsels bij elkaar werd geharkt, wel in tegendeel en we gaan hier niet blijven jammeren over hetgeen er ontbreekt, maar ons verheugen over de inhoud van deze heerlijke cd. Dit is een droomschijf barstensvol prachtige street corner close harmonies. The 5 Royales werden opgericht in Winston-Salem, North Carolina en de leden waren duiveltje doet al Lowman Pauling, Johnny Tanner, Otto Jeffries, William Samuels en Clarence Pauling. Wanneer ik zeg dat The 5 Royales er reeds in 1953 bij waren, wil dit zeggen dat ze bij de absolute pioniers van het ‘Doo Wop’ genre horen. ‘Doo Wop’ is een term die door de vakpers pas later aan die street corner close harmonies werd toegekend. Het genre was feitelijk nooit een hype, maar zonder dat men er erg in had stonden er een dikke tien jaar aan een stuk wekelijks meerdere Doo Wop platen in de Billboard Top 10. ‘Right Around The Corner’ is een sublieme verzamelaar, die overduidelijk het belang van groepen als The 5 Royales in de geschiedenis van de rock’n’roll onderschrijft. Iedere track op deze plaat is als een feest met heerlijke slepers als ‘Tears Of Joy’ en ‘Someone Made For Me’ en onweerstaanbare rockers zoals ‘Messin’ Up’, ‘Don’t Be Ashamed’ en ‘The Real Thing’. De meerderheid van de songs werden geschreven door Lowman Pauling en dat hij er verstand van heeft bewijst hij met het midtempo ‘Just As I Am’. Een nummer als ‘Tell Me You Care’ is te mooi voor woorden en doet mij aan Cookie And The Cupcakes denken. De geweldige titeltrack ‘Right Around The Corner’ is in de lage landen in de jaren tachtig bekend geworden is in de versie van de Gigantjes. En zo zouden we nog uren kunnen doorgaan, want hier zijn in de verste verte geen mindere tracks te bekennen. Dit is muziek van een andere planeet en van voor mijn tijd…
If there is one particular musical genre that needs an urgent revival, then let it be Doo Wop. The 5 Royals are very much part of it.
Ivan Van Belleghem (5)e to edit. El Toro Records • El Toro R& B 118
|