Miljoenen mensen zagen gitaarvirtuoos Tinsley Ellis aan het werk in Atlanta tijdens de Olympische Zomerspelen van 1996. Ellis werd geboren in 1957 te Atlanta, maar groeide op in het zuiden van Florida. Hij bespeelt het snaarinstrument sinds zijn achtste levensjaar. Vooral de drie Kings (Albert, B.B. en Freddie) waren zijn grote voorbeelden en inspiratiebronnen. Zijn lot werd als het ware bezegeld tijdens een concert van B.B. King. De pas veertienjarige Ellis kreeg van B.B. een gebroken snaar van diens Lucille. Betovert door de string raakte hij na het concert ook nog aan de praat met King en het was die warme indruk dat gensters deed overslaan bij de kleine Ellis. Terug in Atlanta rond 1975 vervoegde Ellis de Alley Cats. Een bluesband rond Preston Hubbard (The Fabulous Thunderbirds). In 1981 speelde hij met Chicago bluesveteraan en harpist Bob Nelson bij The Heartfixers tot Tinsley besloot het solopad te wagen en een tape van zijn eerste solo release ’Cool On It’ te bezorgen aan Bruce Iglauer van Alligator Records. De rest is zowaar geschiedenis. Tinsley speelt nog steeds in de traditie van zijn Deep South muzikale helden als Duane Allman, Freddie King of Warren Haynes. Volgens Atlanta Magazine is hij de meest significante bluesartiest uit Atlanta sinds Blind Willie McTell. Sinds zijn debuut in 1988 bij het label Alligator Records met ‘Georgië Blue’ bleef Ellis onvermoeibaar toeren. Nu is ’Get It !‘ het langverwachte instrumentale album uit. Het schijfje werd door Ellis zelf geproduceerd en verschijnt op het pas opgerichte label Heartfixer Music. Van de 10 composities zijn er liefst acht originele tracks. Al is de knappe surfgitaar uitvoering van het nummer ‘Detour’ van Ellas ‘Bo Diddley’ McDaniel toch wel de meest verrassende uitvoering. Maar ook de ballade ‘Freddy’s Midnite Dream’ van Sonny Thompson is een beklijvende herwerking. Met hulp van Kevin McKendree (orgel, piano, klarinet, mellotron), Lynn Williams (drums, percussie) en Ted Pecchoi (bas) boetseert Ellis met een welsprekende verblindheid zijn snaren. Het album is een verzameling van songs die een eerbetoon vormen aan enkele grote gitaristen die voor Tinsley het gitaarpad bewandelden. Het schijfje opent met het zeer funky klinkende ‘Front Street Freeze’, om al snel te vervolgen met het elektronische ‘Sassy Strat’. Het knappe gitaarspel verbleekt evenwel bij het hoogoplopende synthesizer geluid. ‘The Milky Way’ rijgt zichzelf enige romantische waarden en normen aan. Maar ‘Anthem For A Fallen Hero’, ’Fuzzbuster’ en vooral de titeltrack ‘Get It !’ vinden hun gading in het originele gitaarwerk van Tinsley Ellis. Met zijn uitzonderlijk talent varieert hij gamma van bluesschuffles, surfgitaar en Latin beïnvloedde klanken.
Philip Verhaege (4) Tinsley Ellis mastered the art to hold the fascination to the last song. And for an instrumental album this is really amazing. This album will find even it’s way to blues and bluesrock lovers.
Tim Easton’s fraaie werkstukken als ‘Ammunition’ en ‘Porcupine’ werden in deze rubriek al uitvoerig bejubeld. “Before the revolution” is een frase die Tim Easton tijdens omzwervingen ergens in Praag opving. Onder deze titel brengt New West nu een verzamelaar uit waarin het beste van die twee pareltjes met ouder werk wordt samen gebracht. Een genereuze graai (19 tracks) die de (r)evolutie van de uit Ohio afkomstige, zowat altijd ‘on the road’ vertoevende troubadour illustreert. Easton is een man van vele muziekjes en dus moeilijk in een duidelijk afgelijnd hokje onder te brengen. Dat is al vanaf het uit 1999 daterende debuut ‘Special 20’ duidelijk. Er wordt heen en weer gependeld van elektrische countryrock ‘Help Me Find My Space Girl’ over naar folkgetint werk zoals ‘All The Pretty Girls Leave Town’. Een gevarieerde muzikale lijn die wordt doorgezet op ‘The Truth About Us’ dat met de hulp van groepsleden van Wilco tot stand komt. De drie nummers die uit ‘Break Your Mothers Heart’ werden geselecteerd tonen een verfijnde aanpak met persoonlijk werk als ‘Poor Poor LA’, ‘Hummingbird’ en ‘Hanging Tree’. Uiteraard komen muzikale pareltjes als ‘Ammunition’ en ‘Porcupine’ eveneens aan bod. Het verstilde ‘Next To You’ en ‘Oh People’ het blijven te koesteren muzikale kleinoden, evenals het rockende ‘Burgundury Red’. Met het repertoire van het recente ‘Beat The Band’, een verbond met The Freelan Barons, ben ik niet echt vertrouwd. Songs als ‘Broke My Heart’ en ‘Maid Of The Mist’ nodigen in ieder geval uit tot enig speurwerk. Het is haast niet te geloven dat de muziek van Tim Easton tot dusver slechts bij een beperkt publiek geraakte. Met deze fraaie bloemlezing is er geen excuus meer geldig.
Cis Van Looy (4)
‘Gut music for gut People’ is zowat de lijfspreuk van Peter Holmstedt. Onder dat motto verzamelt de Zweedse promoman en distributeur geregeld artiesten uit de VS en Scandinavië rond een bepaald thema. Eerder waren er al enkele voorgangers opgebouwd rond ‘More music from home’, een thema dat eigenlijk al in de naam Hemifran huist en bij rondtrekkende muzikanten gevoelig ligt wat niet zelden tot bijzonder doorvoeld, melancholisch getint songwerk leidt. Getuige ‘Music From Home’ en ‘More Music From Home’, verzamelaars die een tijdje geleden werden aangevuld met de al even interessante collectie ‘Hymns From Home’. De bruusk om ons heen grijpende veranderingen wereldwijd zorgen niet zelden voor negatieve gevolgen in ons dagelijkse leven waarin verworven zekerheden en opgebouwde rechten niet langer gegarandeerd blijven dat leidt tot discussie alom. Afstanden vervagen, via internetwegen en de wereld wordt eigenlijk tot een reusachtige praat barak getransformeerd. Het is dus niet verwonderlijk dat muzikanten zich laten inspireren door deze thematiek. Greg Copeland opent de dubbellaar op schijf 1 met ‘Golden Demon’ andere vaste gasten uit Californië zoals Peter Noonan en het onvolprezen duo Hat Check Girl (met een nummer van dat andere duo Annie Gallup en Peter Gallway) leveren elk op hun eigen manier een bijdrage. Opmerkelijk is de passage van Sid Griffin, de frontman van Long Ryders en Coal Porters. In ‘Right Round The Bend’ waart de geest van Pete Seeger rond. New York is met Eugene Ruffolo, in een wondermooi duet met Doug Ingolosby, vertegenwoordigd maar ook met Jenai Huff, die een fraaie pianoballade debiteert. Op het tweede schijfje duikt na ‘Demon Revisited’ van Luisa Jordan Killoran opnieuw Doug Ingolosby op met Ruffalo en Kenny Loggins op de achtergrond. Thomas Allen vraagt zich, ondersteunt door schitterende harmoniezang en piano ondersteund, geheel terecht “How long can this goin on?” Michael Weston King snijdt het helaas nog steeds relevante thema oorlog aan met ‘I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier’. Ook Keith Miles maakt indruk met het hier bijzonder toepasselijker ‘Until It Make Sense Again’. Texaan Bob Cheevers klinkt strijdvaardig in het rockende ‘Occupying Wall Street’ en ‘Donkey Island’ huppelt op gitaarloopjes van Joe Satriani verder. De uit Polen afkomstige Mietek kiest onder de hoede van Wendy Waldman voor enig geprogrammeerd symfonisch bombast. Vooraleer Sky Country afsluit met het bevreemdende ‘Rogerson Noble’ laten Janni Littlepage en Mikael Persson, twee Scandinavische artiesten, horen dat hun muzikale verrichtingen geenszins misstaan op deze intrigerende compilatie. Cis Van Looy (4) In 25 tracks fine musicians from the VS and Scandinavia, associated with the Swedisch distributor Hemifran, deliver songs around the topic of chaos and transition. Again an excellent and inspired project from Peter Holmstedt.
Jason Elmore werd vorig jaar uitgeroepen tot ‘Beste Blues Gitarist’ door de prestigieuze Dallas Observer Music Awards. Jason is dan ook een Dallas, Texas gebaseerd gitaartalent. Samen met Chris Waw (basgitaar) en drummer Mike Talbot betovert het trio ons met 12 brandende actuele bluesrock nummers. De acht originele tracks worden dan ook ingenomen door enkele overheerlijke coverversies. Het debuutalbum ‘Upside Your Head’ uit 2010, werd in de vakpers meteen bedolven onder heel wat positieve superlatieven. En dat zal met het zinderende ‘Tell You What’ hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn. Om vocaal kennis te maken met Jason is het wachten tot na de opruiende instrumentale opener ‘Sharecropper Shuffle’. Het trio knalt er dan ook meteen stevig in. ‘Southbound’ heeft dan ook meteen hoge energetische invullingen. Net zoals de soulvolle en krachtige ballade ‘Cold Lonely Dawn’. Hier wordt meteen duidelijk welk soepel en aangenaam stemtimbre Elmore voor de dag legt. Met ‘When The Sun Goes Down’ en ‘Dirt Ain’t Enough’ maakt het drietal gewillig uitstapjes naar een melodieuze sound die is ingezaaid met fijne gitaarsolo’s. De signature instrumentale ‘Buckaroo’ van Buck Owens uit 1966, krijgt zelfs een heus country tintje. ‘She Fine’ is dan weer overheerlijke jumpblues. Maar als Jim Suhler in de Rory Gallagher classic ‘Country Mile’ een aardig nootje komt meespelen met zijn slide gitaar, zijn onze rockin’ shoes meteen opgewarmd. Van William Bell leende Jason de overheerlijke ballade ‘You Don’t Miss Your Water’. En zo zijn wij toch enigszins geacclimatiseerd van een knap album dat doorspekt is met Texas gebaseerde gitaarsolo’s, vintage soul en bluesrock arrangementen. Al blijft de essentie uiteraard blues.
Philip Verhaege (4½) The record ‘Tell You What’ sounds very pleasant and runs from handsome Texas boogies, blues, jump and everything in between. Jason Elmore is an excellent guitar player and he is also blessed with a strong voice.
Halverwege de jaren negentig stond Thibaud met The Courage Brothers op het punt ook buiten Massachusetts door te breken. Creatieve meningsverschillen binnen de rootsy popband leidden de frontman naar het solopad. Voortaan zou hij zijn songwerk onder eigen naam verspreiden. Sinds zijn zelfgefinancierde solodebuut ‘Favorite Waste Of Time’ (1996) leverde Todd al enkele fraaie persoonlijke projecten af. Die vonden in Europa onderdak bij Blues Rose Records. Het is ondertussen ruim vier jaar geleden dat Thibbaud met ‘Broken’ nog eens studiowerk afleverde in het zog van ‘Broken’ volgde er een uitgebreide tournee en een concertregistratie van op het Rockpalast Crossroads Festival, die live dubbelaar aangevuld met een dvd vormde een fraai overzicht tot dusver. In tegenstelling tot de voorganger die vooral op meer intimistisch werk focust, leunt ‘Waterfall’ op een meer dynamische benadering. Het is meer bandwerk, daarmee bedoelen we niet die slopende activiteiten in autoassemblage en andere grote fabrieken, maar het songwerk van Thibaud werd met een rockformatie verder uitgewerkt in de studio. Dat hebben we meteen geweten. ‘What May Come’ en ’Not For Me’ vormen samen met de uitwaaierende titelsong, een fijn poprocktrio, sprankelend gitaarwerk ondersteunt de melodieuze zanglijnen. Een aanpak die toegankelijkheid verzoent met kwaliteit. In een strak, catchy ‘Hollow’ zingt Bill Janovitz (Buffalo Tom) even mee en producer Ed Valauskas doet hetzelfde in ‘Lonesome June’. Met het knap opgebouwde wat mysterieuze ‘Stranger’ wordt het even spannend. Allemaal bijzonder fraai maar hier en daar kabbelen de wat tragere nummers zoals ‘All In A Dream’ en ‘My Own’ eerder vrijblijvend voorbij. Een beetje spannend wordt het pas met het knap opgebouwde wat mysterieuze ‘Stranger’ en het op jankend snarenwerk evoluerende ‘Wears Me Down’. Al bij al een meer dan verdienstelijk, met oerdegelijk songwerk samengesteld, schijfje bovendien vakkundig uitgevoerd. Helaas zijn de echt beklijvende momenten wat schaars. Cis Van Looy (3½)
Dat Shooter Jennings, de enige zoon van countryzangers Jessi Colter en de ondertussen al een tijd overleden country outlaw Waylon Jennings, in de muziekwereld zou stappen, hoefde niet eens in de sterren geschreven te worden. Shooter groeide letterlijk op in de tourbus en trok daarna al snel weg uit Nashville om in LA in zijn eerste rockgroepjes te figureren. Dat Shooter songs kan schrijven, illustreert een handvol langspelers. Op het podium wil de jonge Jennings helaas wel eens ontgoochelen met chaotische, belachelijk decibelrijke toestanden, getuige zijn passage op ‘The Belgian Boots Night’ in 2007. Op ‘Black Ribbon’ wordt openlijk geflirt met occulte projecten die bij metal aanleunen. De countryroots blijven altijd aanwezig daarvoor is de band met zijn muzikale erfenis te sterk. Dat wordt op het vorig jaar uitgebrachte ‘Family Man’ nog eens ondubbelzinnig geïllustreerd. Samen met pianist Erik Deutsch formeert hij Triple Crown en levert zijn meest coherente en countrygetinte album tot dusver af. ‘The Other Life’ focust meet op de ‘donkere kant’ van Jennings persoonlijkheid. Een aspect dat met de mysterieuze op donkere pianotonen en synthesizers geënte openingssong ‘Flyer Saucer Song’ (van Harry Nilsson) wordt ingeleid. Ongeveer de helft van de songs kwamen al tijdens de sessies van ‘Family Man’ tot stand en dat zorgt voor het nodige contrast. Van de swamprocker ‘A Hard Lesson To Know’ en de honky tonk interpretatie van Steve Young’s ‘The White Trash Song’, waarbij Shooter vocale assistentie krijgt van Scott H. Biram gaat het naar ‘Outlaw You’, een uiterst persoonlijke intrigerende ode aan vader Waylon. De emotioneel geladen titelsong huist in een wrange, beklemmende sfeer, die bij momenten aan ouder werk van Ian Hunter herinnert. Een van ‘mooiste’ songs uit deze sterke collectie is ongetwijfeld ‘Wild and Lonesome’, een sober akoestisch duet met Patty Griffin. Bij strakke rockers als ‘The Low Road’ en ‘Mama, i’t Just My Medication’ flitsen voortdurend the Stones en Steve Miller door je hoofd. “I’m the outsider a horse with no rider”, vertrouwd Shooter ons toe. Een ‘outsider’ zal Shooter Jennings wellicht tot aan het einde van zijn leven blijven, met ‘The Other’ Life’ levert hij wel een bijzonder sterk en gevarieerd werkstuk af.
Cis Van Looy (4)
De composities van Jude Johnstone worden door talloze gerenommeerde artiesten bijzonder hoog ingeschat. Onder andere Johnny Cash, Rodney Crowell, Emmylou Harris en Bonnie Raitt prijken op Johnstone’s imposante lijstje. De afgelopen jaren verschenen er van deze pianospelende singer-songwriter op het onafhankelijke label Bojak Records een handvol langspelers. De meer recentere als ‘Mr Sun’ en ‘Quiet Girl’ verzeilden in deze rubriek en werden terecht op lovende recensies onthaald. Vrij vertaald betekent ‘Shatter’ uiteenvallen, in dit geval gaat het over je eigen tekortkomingen onderkennen en de moed opbrengen om het tij in gunstige zin te keren via die zelfanalyse. Jude keert met ‘Shatter’ terug naar haar begindagen in LA waar ze met haar demo’s leurde. ‘When Does Love Get Easier’, een jazzy getinte melodieuze ballade en de afsluiter, een soepel reggaenummer krijgt de zangeres vocale hulp van Maxayn Lewis. Ook op de titelsong, een hartverscheurende gospel, horen we de stem van de onvolprezen Maxayn en een brasssectie die naar New Orleans lonkt. Overigens is ‘Touchdown Jesus’ sterk geïnspireerd door een bezoek aan Dr. John. “When you get to the statue of Touchdown Jesus take a left” vertrouwde de Dokter haar toe en Jude verwerkte die passage in de zwoele ballade ‘Touchdown Jesus’. Bij het prachtige ‘Halfway Home’ kan ik alleen maar aan het vroege werk van mijn absolute favoriete, Laura Nyro terugdenken. Het gedempte trompetje versterkt dat gevoel nog, zich ergens in een bar in een nachtelijke grootstad na sluitingstijd te bevinden. ‘The Underground Man’ ontstond overigens met notoire nachtraaf Tom Waits in gedachten. Het moet niet gemakkelijk geweest zijn voor een bang meisje om de thematiek van alcohol in een relatie aan te snijden? Jude waagt het erop. ‘Your Side Of The Bed’ getuigt van een ontwapende eerlijkheid. Eerlijkheid vormt samen met zelfreflectie de rode draad van dit fraaie werkstuk. Cis Van Looy (4) Honesty and introspection are the keywords on ‘Shattered’. The 6th lp of Jude Johnstone is undoubtedly one of her best.
Het is al een tijdje geleden dat we met het bijzonder toepasselijk getitelde ‘Meet Citizen K’ kennis maakten met de tragische voorgeschiedenis van de lichtjes geniale multi-instrumentalist Klas Qvist. ‘Somewhere Up North’ leverde een fraai uurtje melodieuze folkpop op. Bij wijze van voorproefje van de nieuwe langspeler ‘King Of Second Thoughts’ worden op dit gelijknamige epeetje al enkele songs vrijgegeven. Weerom sublieme popcollages, de dromerige opener ‘King of Second Toughts’ voert je met fijne, aangename muziekjes en wonderlijk, stemmenwerk dat openlijk naar The Beach Boys refereert, mee in het universum van K. ‘So This Is life’ komt eveneens zweverig aan gewaaid en lijkt geïnspireerd door zonnige weidse stranden en azuurblauwe luchten. Daarbij hangt inderdaad ‘something truly magic’ aan het firmament. Andermaal knutselde Citizen K een gesofisticeerde soundtrack ineen om even bij weg te dromen en die naar meer van dat doet verlangen, (hart)verwarmende muziek uit Zweden.
Cis Van Looy (3½)
De wegen van de Posterijen zijn ondoorgrondelijk maar uiteindelijk belandde een advance kopie van de nieuwe Steve Earle, mede dank zij de vastberadenheid van de promoman, alsnog op onze werktafel. Veel heeft het dus niet gescheeld of we hadden er weer naast gegrepen. Dat zou in dit geval bijzonder jammer geweest zijn. Voor het eerst sinds de jaren tachtig wordt de naam van zijn vaste roadband The Dukes & The Duchesses expliciet vermeld. Onder die naam schuilen tegenwoordig zijn vrouw Allison Moorer en Chris Masterson en Eleanor Whitmore, het echtpaar dat als The Mastersons furore maakt. Dat trio wordt aangevuld met Kelley Looney en Will Rigby die de ritmesectie vormen. Sinds het uit 1986 daterende debuut ‘Guitar Town’ ontgoochelde de Texaanse troubadour zelden, de afgelopen zes jaar toonde Earle met werkstukken als ‘Washington Square Serenade’ en ‘I’ll Never Get Out Of This World Alive’ dat hij, zijn plaats naast Springsteen en Dylan als kroniekschrijver van de Amerikaanse samenleving nog steeds verdient. Zijn beste werk maakte hij met producer Ray Kennedy. Dat verbond dat onder de naam Twangtrust schuilt is nu weer verenigd op ‘The Low Highway’ en Earle’s vijftiende studioplaat blijkt opnieuw een uiterst geïnspireerd werkstuk dat moeiteloos aansluit bij ‘El Corazon’ en Jerusalem’. Het is meteen raak met de titelsong, zo’n typische, persoonlijke travelling song. Een fel contrast vormt het expliciet rockende ‘Calico Country’ stevig verankerd op een ruige riff waar The Stones anno 2013 niet meer aan toe komen. Met cajunstamper ‘That All You Got?’ komen we aan het middenstuk toe, eveneens opgebouwd met songwerk dat uit ‘Treme’ stamt. In die televisieserie, die zich in New Orleans in de nasleep van orkaan Katrina afspeelt, figureert Steve als straatmuzikant Harley naast Lucia Micarelli die de figuur Annie vertolkt. Ze componeerden samen ‘Love’s Gonna Blow My Way’, een fraai fiddle-epos en ‘After The Mardi Gras’. Het op een repetitieve pianoriedel gebouwde ‘Pockett Full of Rain’ vormt een mooie overgang van dat New Orleansluik naar de wanhopige klaagzang van ‘Invisible’. Je hebt niet veel verbeelding nodig om bij het sprankelende bluegrassintermezzo ‘Warren Hellman’s Banjo’ helse taferelen te bedenken. Een lekker twangend ‘Down The Road Part ll’ nodigt onbeschaamd uit tot een stevig rondje horlepijp. Het is een vervolg op het gelijknamige nummer dat bijna drie decenniageleden ‘Guitar Town’ afsloot. Dat we ondertussen in de eenentwintigste eeuw zijn beland en helemaal niet te benijden zijn, vernemen we in het sombere ‘21st Century Blues’ maar aan het einde laat Earle toch nog een beetje hoop op een betere toekomst doorschemeren. Het ontroerende ‘Remember Me’ klinkt een beetje als een vroegtijdige grafrede. Gelukkig is het zo ver nog niet, de man is nog springlevend en zakt nog deze maand met zijn Dukes en Duchesses naar onze contreien af. Steve Earle & The Dukes: - 26 mei Paradiso Amsterdam
- 27 mei Le Trianon Parijs
- 28 mei Effenaar Eindhoven
- 4 juni Concertgebouw Brugge
- 5 juni Oosterpoort Groningen
Cis Van Looy (4½)
Het moet van wijlen Gram Parsons geleden zijn dat er nog zo’n hartverscheurende country door de luidsprekers schalden ten huize van ondergetekende. Nog opmerkelijker is dat Daniel Romano net als op zijn voorgaande werkstukjes de klus nagenoeg in zijn eentje klaart, enkel ondersteund door zijn trouwe violiste Natalie Walker. Daniel haalde er nu met Aaron Goldstein een ‘echte’ pedalsteelman bij. ‘Chicken Bill’ huppelt verder als een wat oudere knol met dat karakteristieke aan Cash herinnerde grafstemparlando bovenop de twang van een baritongitaar terwijl een dameskoortje (Misha Bower, Tamara Lindeman en Julie Doiron) sensuele ooh’s en aaaah’s debiteert en in ‘When I Was Abroad’ vormen abrupt galopperende drumroffels zelfs de slotakkoorden. Daarmee hebben we het up-tempo werk gehad. De tijd van Buck Owens’ Buckaroos lijkt weer helemaal terug, Romano komt uit Canada maar lijkt in zijn fleurig gedecoreerde nudie suit eerder een uit Bakersfield afkomstige zingende cowboy. Smart en hartzeer zijn nooit ver weg. Niet moeilijk als je als kind door moeder in de steek gelaten wordt en later troost zoekt tot op de bodem van Jack of andere Daniels, getuige de schrijnende opener ‘Middle Child’, “I spent my life on a barstool all alone”, mama please tell me why you would just leave me behind”. Mamma is ondertussen overleden en haar zoon blijft met onbeantwoorde vragen, in diepe smart gehuld achter. Een viool en huilende pedalsteel volstaan om de brommende bariton van Romano door zijn tranendal te loodsen met het soort repertoire dat Gram Parsons tijdens zijn soloperiode bracht. Zelfs het stemtimbre van Romano lijkt op dat van de betreurde ‘Grievous Angel’. In de lagere registers herkennen we bijwijlen de warme brom van Lee Hazlewood, zoals in ‘He Let’s Her Memory Go(Wild)’ dat zich op een prachtige gitaartwang voortsleept. Geen fletse recyclage, Romana vertelt zijn eigen mistroostige verhalen in ‘Two Pillow Sleeper’, ‘Where No One Else Find It’. ‘That’s The Very Moment’ is onvermijdelijk het moment waarop Daniel weer eens diep gekwetst wordt door de ontrouw van zijn geliefde. Het ergens in een plaatselijke honky tonk, geregistreerde ‘A New Love (Can Be Found)’ klinkt evenmin hoopgevend. Gejammer en geweeklaag alom maar telkens zo wonderlijk, pakkend gebracht dat je er diep in je hart toch weer heimelijk een beetje vrolijk van wordt. Iemand die anno 2013 met zo’n overtuigend, tijdloos en doodeerlijk country werkstuk komt aanzetten verdient zonder enig voorbehoud een plaats op een podium. Iemand moet deze geweldige countryman hier dringend naar het clubcircuit leiden, wij brengen onze zakdoek wel mee.
Cis Van Looy (5)
|