De wegen van de Posterijen zijn ondoorgrondelijk maar uiteindelijk belandde een advance kopie van de nieuwe Steve Earle, mede dank zij de vastberadenheid van de promoman, alsnog op onze werktafel. Veel heeft het dus niet gescheeld of we hadden er weer naast gegrepen. Dat zou in dit geval bijzonder jammer geweest zijn. Voor het eerst sinds de jaren tachtig wordt de naam van zijn vaste roadband The Dukes & The Duchesses expliciet vermeld. Onder die naam schuilen tegenwoordig zijn vrouw Allison Moorer en Chris Masterson en Eleanor Whitmore, het echtpaar dat als The Mastersons furore maakt. Dat trio wordt aangevuld met Kelley Looney en Will Rigby die de ritmesectie vormen. Sinds het uit 1986 daterende debuut ‘Guitar Town’ ontgoochelde de Texaanse troubadour zelden, de afgelopen zes jaar toonde Earle met werkstukken als ‘Washington Square Serenade’ en ‘I’ll Never Get Out Of This World Alive’ dat hij, zijn plaats naast Springsteen en Dylan als kroniekschrijver van de Amerikaanse samenleving nog steeds verdient. Zijn beste werk maakte hij met producer Ray Kennedy. Dat verbond dat onder de naam Twangtrust schuilt is nu weer verenigd op ‘The Low Highway’ en Earle’s vijftiende studioplaat blijkt opnieuw een uiterst geïnspireerd werkstuk dat moeiteloos aansluit bij ‘El Corazon’ en Jerusalem’. Het is meteen raak met de titelsong, zo’n typische, persoonlijke travelling song. Een fel contrast vormt het expliciet rockende ‘Calico Country’ stevig verankerd op een ruige riff waar The Stones anno 2013 niet meer aan toe komen. Met cajunstamper ‘That All You Got?’ komen we aan het middenstuk toe, eveneens opgebouwd met songwerk dat uit ‘Treme’ stamt. In die televisieserie, die zich in New Orleans in de nasleep van orkaan Katrina afspeelt, figureert Steve als straatmuzikant Harley naast Lucia Micarelli die de figuur Annie vertolkt. Ze componeerden samen ‘Love’s Gonna Blow My Way’, een fraai fiddle-epos en ‘After The Mardi Gras’. Het op een repetitieve pianoriedel gebouwde ‘Pockett Full of Rain’ vormt een mooie overgang van dat New Orleansluik naar de wanhopige klaagzang van ‘Invisible’. Je hebt niet veel verbeelding nodig om bij het sprankelende bluegrassintermezzo ‘Warren Hellman’s Banjo’ helse taferelen te bedenken. Een lekker twangend ‘Down The Road Part ll’ nodigt onbeschaamd uit tot een stevig rondje horlepijp. Het is een vervolg op het gelijknamige nummer dat bijna drie decenniageleden ‘Guitar Town’ afsloot. Dat we ondertussen in de eenentwintigste eeuw zijn beland en helemaal niet te benijden zijn, vernemen we in het sombere ‘21st Century Blues’ maar aan het einde laat Earle toch nog een beetje hoop op een betere toekomst doorschemeren. Het ontroerende ‘Remember Me’ klinkt een beetje als een vroegtijdige grafrede. Gelukkig is het zo ver nog niet, de man is nog springlevend en zakt nog deze maand met zijn Dukes en Duchesses naar onze contreien af. Steve Earle & The Dukes: - 26 mei Paradiso Amsterdam
- 27 mei Le Trianon Parijs
- 28 mei Effenaar Eindhoven
- 4 juni Concertgebouw Brugge
- 5 juni Oosterpoort Groningen
Cis Van Looy (4½)
Net geen drie jaar geleden waren wij reeds sterk onder de indruk van de release ‘Tangle-Free World’, de bevestigende follow-up van het succesvolle album ‘Little Back Dress and Other Stories’. Beide albums lagen dan ook sterk in de lijn van de grote country folk en rock leading lady’s. ‘January’ is het vierde album voor Anny Celsi dat in eigen beheer wordt uitgebracht. Met acht zelfgepende nummers kroont Anny zichzelf tot een uitstekend singer-songwriter. Enkel ‘Wait’ leende ze voor de gelegenheid bij Steve Forbert. Iedere song is alweer een novelle dat op heerlijke muzikale arrangementen is neergepoot. Haar literaire stembereik is dus net zo belangrijk als de uitgebreide instrumentatie. Het schijfje opent met ‘Au Revoir, My Darling’. Met moderne schikkingen, handgeklap, orkestrale meesterwerken en schitterende backingvocals kleemt het nummer meteen heel wat radio airplay. De opvolgende track ‘Travelogue’ heeft iets magisch. Vooral Stan Behrens’ fluit eist zowaar een hoofdrol. ‘Ghosts In The Room’ laat ons kennis maken met alle uithoeken van de French Quarter in New Orleans. Het heeft hemelse vioolarrangementen die worden opgefleurd door Carl Byron’s accordeon, Ivan Pyzow’s trompet en de akoestische en elektrische snaren van Rich McCulley. ‘Oh Baby, Is The Cicus Back In Town?’ en de cover ‘Wait’ zijn smoothy ballades waar nogmaals duidelijk wordt welk melancholisch stembereik Anny uitspreid. Doug Freeman en Anny’s akoestische gitaarsound vormen in ‘Kaleidoscope’ een perfect huwelijk met het elektrische snareninstrument van Kirk Swan. Het popgevoelige ‘Sank Without A Bubble’ heeft oog voor rijkelijke details, net zoals de zoete tonen van het country en folk gevoelige ‘Citybird’. Zelden straalt een album zo’n karakter uit. ‘January’ is een veelzijdig album dat ook heel wat Americana liefhebbers zal bekoren.
Op 7 Juni 2013 zal Anny Celsi optreden in Toogenblik te Haren.
Philip Verhaege (4½) Anny’s sound making progress and is full of character! To Anny Celsi’s beautiful and expressive vocals you could listen for hours. Think once more to the heavenly music arrangements and ‘January’ has been a very classy album.
In het thuisland was er in eigen beheer eerder al werk uit waarop de intenties van Uncle Lucius, in nieuwe songs goeie oude rock uit de seventies met veel lol terug onder de aandacht brengen vaste vorm kregen. Het onvolprezen label Blue Rose brengt met enige vertraging het nieuwe werkstuk uit zodat de songs van het vijftal uit Austin ook in Europa verspreid raken. Het rauwe stemtimbre van Kevin Galloway herinnert enigszins aan Gordon Downie, de scheur van Tragically Hip, maar muzikaal laaft Uncle Lucius zich aan een andere, helemaal retro georiënteerde bron. De machtige stem van Galloway wordt grandioos geflankeerd door de gitaar van Michael Carpenter. Een galmende Stonesriff is nooit veraf maar er klinkt nog veel meer door in het repertoire. Na de strakke opener ‘Set Ourselves Free’, met knappe wah wah gitaar, draagt de andere leadzanger en toetsenman Jon Grosman soulgetinte elementen aan in het met blazers gelardeerde ‘Pocket Full of Misery’. ‘Rosalia is een ontspannen southernrock duet waarbij spontaan herinneringen aan de verrichtingen van The Band opdoemen. ‘Willing Wasted Time’ situeert zich nadrukkelijk in een niet onaangenaam countryrockhoekje van de jaren zeventig. Helemaal in de geest van die periode krijgen we nog ‘Keep The Wolves Away’. In die weemoedige protestsong wordt met ondersteuning van accordeon het harde leven van de gelukszoekers in de olie-industrie Golf van Mexico en hun onrechtvaardige behandeling aangeklaagd. In het eigenaardig opgebouwde lang uitgesponnen ‘There Is No End’ herinneren niet alleen de zware drumroffels aan Bad Company. Dat het ook iets subtieler kan wordt nog eens aangetoond in het afsluitende ‘I am You’, een sobere akoestische ballade. Daarna volgt nog een weldoend digestief met een triootje uit de voorganger ‘Pick Your Head Up’. Uncle Lucius overstijgt met deze gevarieerde langspeler moeiteloos het niveau van hun collega’s in het Amerikaanse indie-rockcircuit. Cis Van Looy (3½)
Weer zo’n stelletje Born Again predikanten die via hun muziek zieltjes ronselen hoor ik je denken. Alleen al die naam, Mercy Brothers, als ‘Jesus’ om de haverklap in de titels van de song opduikt word je vermoeden meteen bevestigd. Niets is echter minder waar, deze nieuwe groep uit Lafayette hangt op hun debuut weliswaar de preachers stijl aan van hun religieuze tegenvoeters. Die gospelgetinte thematiek wordt met met een dosis onversneden hillbilly en pittige, duivelse honky tonk aangelengd en leidt naar behoorlijk opwindende muziekjes. Zulke mix is niet uitzonderlijk in de zuidelijke gebieden van de Bible belt. De scheidingslijn tussen bezinning in de naam van De Heer op zondag in het plaatselijke kerkje en het dronken vertier een nacht vroeger in de saloons honky tonks, is flinterdun en zorgt voor een eeuwige innerlijke strijd, denk maar aan de lotgevallen van Jerry Lee en zijn neef de zondige predikant Jimmy Swaggart. Spanningsvelden die afstralen op het repertoire. De spilfiguren van het combo Kevin Sekhani Mark, Meaux en toetsenman Garland Theriot hebben jarenlange ervaring in de plaatselijke scéne van Lafayette. Af en toe doorbreekt één van die groepen het isolement van het locale circuit. In de beginjaren negentig verhitte gitarist Mark Meaux als piepjonge snaak met The Bluerunners de gemoederen in de Peerse bluestent met opzwepende zydecobily. Opzwepend is eveneens het trefwoord bij The Mercy Brothers. Dat wordt meteen duidelijk in de bezwerende openingssong. De hallelujah’s zijn niet uit de lucht, en worden verspreid onder het motto “just pick your ass up off the ground with some Holy Ghost power” maar wel met een relativerende knipoog in een kazoo intermezzo. De altijd op de loer liggende aartsrivaal van de Heer duikt hier en daar onvermijdelijk op zoals in het respectievelijk met barrelhouse piano en snerpende slide ondersteunde ‘Rise, Devil Rise’ en ‘The Devil’s Food Tastes Like Cake’. Het is niet gemakkelijk aan die verleidingen te weerstaan maar de zondaars vinden troost in ‘Joy Of The Word’ en moeiteloos het juiste pad met ‘Following Jesus’, twangende en resonerende fingerpicking wijst de weg naar ‘10.000 Angels’. “Come Home, Sinner, come with me”, smeken The Mercy Brothers. Na de slotakkoorden van het door orgel aangedreven ‘Kite Tails’ lijkt het vanzelfsprekend, ondertekende, niet meteen een hardnekkige pilaarbijter, bekeert zich alvast gewillig tot de muzikale kerk van The Mercy Brothers. Die mogen wel eens een feestje ergens op ongewijde festivalgrond of in een zondige cluboord komen opluisteren.
Cis Van Looy (4)
Hans Theessink is van Nederlandse origine maar operereert al een tijdje vanuit zijn nieuwe thuishaven Wenen en had er ruim een handvol langspelers opzitten voor ik zijn muziek ontdekte via werkstukken als ‘Baby Wants To Boogie’ (1987) en het twee jaar later uitgebrachte ‘Johnny and The Devil’. De Eurobluesman was ondertussen al uitgebreid op studiereis geweest in de Mississippi Delta. Ter plaatse jamde hij met menig bluesman. Invloeden die hij in zijn eigen oeuvre assimileerde. Theessink behoort ondertussen tot het selecte kransje blanke muzikanten die de bluestraditie in een verrijkte vorm tot ver buiten de States uitdragen. In ’92 brak hij in onze contreien door met ‘Call Me’ waarop naast Rick Danko en Garth Hudson, Colin Linden, leden van de JB Horns en Bobby King en Terry Evans figureren. Met Terry Evans zal hij later nog intens samen werken. Met zijn vaste begeleidingsgroep Blue Groove, met onder andere zangeres Dorretta Carter en waarin de imposante tuba-speler Jon Sass als blikvanger fungeerde, trad Theessink op de meest prestigieuze festivals aan. We zijn ondertussen twintig jaar verder en Hans blijft pendelen tussen groepsprojecten en solowerk en werkt sporadisch met Terry Evans. Vorig jaar was er nog een release van het duo ‘Delta Time’. ‘Wishing Well is opnieuw een soloproject in de ware zin van het woord. De brommende bariton wordt door een uitgebreid arsenaal snaarinstrumenten ondersteund en op zijn 65ste graaft Theessink stokoude traditionals op die met eigen werk worden vermengd. Het begrip deltablues wordt bij Theessink ruim geïnterpreteerd. Of het nu aan de oevers van de Mississippi gebeurt zoals de door Blind Willie McTell en Johnny Cash geïnspireerde hybrideversie ‘Delia’ of aan de oevers van een stroom in het verre Nepal zoals de met mandocello geplukte titelsong. ‘Katmandu’ ontstond op het dak van een plaatselijk hotel, ‘Gyan Singh’ zorgt met zijn tablas voor de gepaste exotische ‘couleur locale’. Een andere zeldzame, gewaardeerde gastmuzikant is David Pearlman die met sfeervol pedalsteelklanken ‘Wayfaring Stranger’, het van Dylan geleende ‘The Ballad of Hollis Brown’ en Theessinks eigen ‘Hellbound’ en ‘New Home Upon The Hill’ kleurt. Voor de rest valt Theessink terug op zijn fraaie fingerpicking in bijzonder knappe interpretatie van ‘Snowing On Rotation’ van oude vriend Townes Van Zandt. Zo’n tien jaar geleden was Theessink samen met Arlo Guthrie en Donovan present op een eerbetoon aan de legendarische banjoman Derroll Adams, ‘Alberta Let Your Hair Hang Down’ is een ontroerende ode. Maar ook een simpel liefdesliedje als ‘Didn’t We Try’ wordt tot een te koesteren pareltje getransformeerd. Hans Theessink blijft ook buiten bluesland een boeiende figuur.
Cis Van Looy (4)
Waiting For Henry is een nieuwe Amerikaanse band uit de staat New York, die indie rock met old school altcountry speelt. En dit is meteen hun debuut. De groep bestaat uit Dave Slomin (zang en gitaar), Dave Ashdown (drums, zang en gitaar) en Mike Chun (bas). Dave Slomin schreef alle songs, behalve ‘Sicka’ en ‘Wish You the Moon’, die door Dave Ashdown gecomponeerd werden. Hun muziek klinkt zoals pioniers in dat genre, nl. Uncle Tupelo en The Jayhawks. Nochtans zitten er invloeden in uit de hoogdagen van de Amerikaanse Underground, zelfs uit grunge of Zuiderse rock. Ze gooien er bakken gitaarwerk tegenaan en hebben al goede kritieken gekregen, wat maakt dat dit een sterk debuut is. ‘Here Comes the Rain’ drijft op een sterke beat, terwijl ‘Sicka’ iets trager is. ‘Incomplete Me’ komt uit hetzelfde straatje, waarna ‘Cayuga Why’ met veel energie gebracht wordt. En op ‘L.I.E.’ klinkt de band een beetje zoals R.E.M. Voornoemd ‘Wish You the Moon’ gaat de grungetoer op, waarna ‘Riverside’ het veel kalmer aan doet. Het sprankelende rockwerk komt terug met ‘American Song’, gevolgd door de titeltrack, die opent met akoestische gitaar. Afsluiter ‘Parallel Lanes’ doet het helemaal akoestisch. Zoals een criticus het schreef; “Waiting For Henry was worth the wait”.
Patrick Van de Wiele (3½) American indie rock with alt-country.
Willie Nelson bereikt binnenkort de kaap van tachtig levensjaren. Hoe kan de eeuwige countryoutlaw dat beter vieren dan met een nieuwe langspeler. In tegenstelling tot de voorganger ‘Heroes’ laat hij zich niet omringen door illustere vrienden als Kristofferson, Ray Price of Merle Haggard. De enige gastmuzikant is zoon Micah. De sinds enkele decennia opererende Family met zuster Bobbie Nelson aan de piano, gitarist en drummer Billy English naast zijn vader Paul en harmonicaman Michael Raphael laten zich ondersteunen door bassist Kevin Smith die de in 2011 overleden Bee Spears vervangt en Jim ‘Moose’ Brown aan het Hammondorgel. Slechts een enkel nummer van Nelson zelf telt deze collectie, Het uit ’89 daterende en het destijds schromelijk onderschatte ‘Is The Better Part Over’ werd uit ‘A Horse Called Music’ geplukt. Onder hoede van zijn trouwe producer Buddy Cannon keert Nelson terug naar de essentie en graaft diep in het grote Amerikaanse songboek met werk van Irving Berlin. De toch al fragiele stem klinkt met het klimmen der jaren nog wat rafeliger maar boet weinig in aan charme. Bovendien blijft de karakteristieke fingerpicking overtuigend, getuige de instrumentale interpretatie van Claude François’ ‘Vous et Moi’, en het wondermooie van zijn grote idool Django Rheinhardt geleende ‘Nuages’. ‘You’ll Never Known’ en ‘Twilight Time’ nam Nelson eerder in ruimer gearrangeerde en georkestreerde uitvoeringen op maar de nieuwe sobere versies klinken sterker, evenals de ontspannen versie van ‘I’ ll Keep On Loving You met sfeervolle bijdragen van Raphael’s smoelschuivertje. ‘South of The Border’ weerom zo’n klassieker die Nelson naar zijn hand weet te zetten. De enige up tempo song, een luie versie van Carl Perkins’ ‘Matchbox’ die van rockabilly naar western swing pendelt, is representatief voor de hele cd. Niets hoeft nog zonodig voor de oude vos en zijn muzikale familie, het is de liefde voor muziekjes die primeert. “Let’s face the music and dance”.
Cis Van Looy (3½)
Nog zo’n band uit begin jaren zeventig die vrij vaak over het hoofd werd gekeken. Het was de periode toen The Grateful Dead in Californië country en Americana ontdekten en bands als Poco, The Byrds, Buffalo Springfield maar ook The Flying Burrito Brothers van zich lieten horen. En het was in deze lijn van muziek dat Cochise zich een weg door het toenmalige rockgeweld baande. Cochise werd gevormd eind 1969 door toch wel getalenteerde muzikanten zoals B.J. Cole (pedalsteel gitaar), Mick Grabham (gitaar), Stewart Brown (vocals, gitaar), John “Willie” Wilson (drums) en Rick Wills (bas). Het jaar daarop wisten ze reeds een contract te verzilveren bij de Britse afdeling van United Artists en het was de recent overleden Storm Thorgerson die het ontwerp van hun hoes maakte. Buiten hun titelloze debuut volgden er nog enkele langspelers, nl. ‘Swallow Tales’ waarop we de onfortuinlijke Steve Marriott horen, en ‘So Far’. Deze compilatie, die tot stand kwam dankzij de nooit aflatende interesse voor muziek uit een lang vervlogen tijdperk van Esoteric Recordings, bevat werk uit hun langspelers. De eerste negen nummers komen uit hun titelloze album en zijn wat we noemen doordeweekse rocknummers met een Americanatoetsje en ‘59th Street Bridge Song (Feelin’ Groovy)’ van Paul Simon werd hier onder handen genomen. Niet meteen een hoogvlieger maar het is de solo van Grabham die veel goed maakt. En ‘Past Loves’ behoort ook bij het betere werk tussen deze negen nummers. ‘Black is the Colour’ (alhoewel dit een tegenstrijdigheid is) is een muzikaal uitlaatje van ongeveer 57 seconden voor Mick Grabham. Zeven nummers werden ontleend aan hun ‘Swallow Tales’ waaruit we zeker ‘Jed Collider’, het schitterende ‘Home Again’ met Caleb Quaye op piano, ‘Strange Images’ met Nigel Olsson (drums Elton John) de harmonische samenzang voor zijn rekening neemt, en ‘Why I Sing The Blues’ met Steve Marriott op piano en backing vocals, onthouden. Schijf twee begint met de slow ‘Another Day’ waarop we gastmuzikanten Tim Renwick (gitaar) en Caleb Quaye (piano) horen. De pedalsteel beslist hier om welk genre muziek het gaat en weer enkele nummers uit hun ‘Swallow Tales’ volgen elkaar naadloos op. Nog meer Americana/rockgeluiden krijgen we in ‘Can I Break Your Heart’ waarin Caleb Quaye weer het pianostoeltje in beslag neemt. De b-kant van hun single die in 1970 op de markt kwam was ‘Words of a Dying Man’ en het doet ons weer groot plezier om dit schitterende nummer nog eens een keertje te horen. Verder ontdekken we nog enkele leuke songs waaronder de Americana getinte ‘Cajun Girl’, ‘So Many Times’ en ‘Thunder In The Crib’ maar het is vooral het met sterke gitaarriffs beginnende ‘Diamonds’ en de prachtige slow ‘Up And Down’ die onze aandacht voor 100% opeisten. We vinden ook een nummer ‘Wishing Well’ maar dat heeft niets te maken met de gelijknamige song van Free. ‘Velvet Mountain Anthology’ is een zeer leuke compilatie voor al wie het werk van Cochise onbekend in de oren klinkt. We mogen van Cochise wel zeggen dat ze perfect een evenbeeld waren van enkele van die groepen die toen op de West Coast Scene hun opwachting maakten. Alleen zaten zij –ongelukkig- aan de verkeerde kant van de oceaan. Hun muziek is eigenlijk niet te vergelijken met wat zich begin jaren zeventig in Groot Brittannië manifesteerde. Cochise was een buitenbeentje en met een grote voorliefde voor de pedalsteel.
Alfons Maes (4) We may consider Cochise as a replica of some of the bands who made ??their appearance on the West Coast Music Scene. Unfortunately for them, they lived on the wrong side of the ocean. Their music is not really comparable to the music of their musical peers early seventies in Great Britain. Cochise was an outsider and they showed, thanks to B.J. Cole, a great fondness for pedal steel.
De gemaskerde baardmens, wiens foto op het hoesje van ‘Good Man Down’ voorkomt heet een zekere David Mayfield te zijn. Tot vandaag was hij voor mij een nobele onbekende maar daar zou wel eens verandering kunnen in komen. Het platendebuut van David Mayfield dateert van januari 2011 en heette simpelweg ‘David Mayfield Parade’. De opvolger ‘Good Man Down’ was aanvankelijk voorzien voor oktober 2012, maar een zwaar toerschema was er de oorzaak van dat de release van ‘Good Man Down’ een half jaar vertraging had opgelopen. Maar niet getreurd, ‘Good Man Down’ is een toffe schijf geworden. Om te beginnen heeft David Mayfield voor wat betreft de opnamen zijn tenten opgeslagen in twee legendarische Nashville studio’s. Eerst en vooral was er de RCA Studio B, waar alleen al een zekere Elvis Presley zo’n kleine 200 opnamen de wereld instuurde. Vervolgens werd er ook opgenomen in The Quonset Hut, waar zwaargewichten als Patsy Cline, George Jones, Bob Dylan en andere Loretta Lynns ooit een koptelefoon op hun hoofd hebben gehad. Dit bracht met zich mee dat er buiten David Mayfield (zang en bas) nog zo’n tiental muzikanten hun medewerking aan ‘Good Man Down’ hebben verleend. Daarbij springen namen als Wes Langlois (gitaar), Jason Edwards (drums), Jim Vancleve (fiddle) in het oog. Er werd ook veel zorg besteed aan het inlegboekje, met naast de liedjesteksten ook nog eens een soort stripverhaal, of ‘comics’ zoals ze in de States zo’n dingen noemen, met als titel ‘The Adventures Of Good Man Down Comics’. Toch wel mooi gedaan! David Mayfield heeft met de country blues ‘Love Will Only Break Your Heart’ zijn start niet gemist en vergelijkingen met Mumford & Sons zijn hier weer niet van de lucht, zeker niet wanneer David Mayfield er eens lekker invliegt met de stampende gospel ‘Another Year’. Let hier ook op de vioolkunstjes van Jim Vancleve. Ook aan ‘Human Cannonball’ werd er een snuifje Mumford toegevoegd. Ik heb het ook nogal voor de country riff ‘Tempted’, dat mij ergens aan Green On Red herinnert’ en bij de afsluiter ‘Goodbye, Farewell, So Long’ valt het op dat David Mayfield goed naar James Taylor heeft geluisterd. Ik hoop dat ik het laatste van The David Mayfield Parade nog niet heb gehoord.
Ivan Van Belleghem (4) ‘Good Man Down’ by The David Mayfield Parade was recorded in two famous Nashville recording studio’s which was certainly not a waste of time and money. Splendid album!
Red Moon Joe is een Britse countrygroep die alweer in 1985 werd opgericht door Mark Wilkinson. Ze bouwden stilletjes aan een reputatie op in de Britse country scène, alhoewel de U.K. in die dagen niet zo country minded was. Mark Wilkinson had het eerder ook al klaargespeeld om in 1983 op het podium van het Wembley stadion te staan samen met de legendarische Stonewall Jackson, die de country liefhebbers moeten kennen van zijn al te gekke miljoenen hit ‘Waterloo’. In 1993 vouwde Mark Wilkinson Red Moon Joe op en ging podiumgewijs het gezelschap opzoeken van geestesgenoten als John Prine, Steve Earle, Guy Clark, Little Feat, Townes Van Zandt en Emmylou Harris. Mark Wilkinson doet trouwens die welbepaalde periode in zijn carrière haarfijn uit de doeken op de prachtige afsluitende track op ‘Midlight Trains’, die simpelweg ‘Guy Clark’ heet. In 2010 vond Mark Wikinson, met het succes van Mumford & Sons in gedachten, dat de tijd gekomen was om met Red Moon Joe enkele vergeten gaatjes op te vullen. Hij trommelde Steve Conway (pedal steel, dobro), David Fitzpatrick (gitaar, banjo), David A. Smith (bas) en Paul Casey (drums) bijeen en samen doken ze afgelopen winter de Voodoo Rooms in om ‘Midnight Trains’, hun eerste album in meer dan twintig jaar, op te nemen. Het eindresultaat mag er zijn. Zo ontbindt banjospeler David Fitzpatrick ongegeneerd zijn duivels op de bluegrassnummers ‘Drop The Anchors’ en Valediction (Where Will We Going? The last one closes down). Er is ook nog de uptempo country blues van ‘Save Me’ en over die fantastische afsluitende track hadden we het reeds eerder. Tijd om het bordje met het cijfer 5 nog eens in de hoogte te steken.
Ivan Van Belleghem (5)
‘Midnight Trains’ is the first Red Moon Joe record in more than twenty years, but it was more than worth waiting for.
|