De Zuid-Californische bluesartiest Mike Eldred begon met gitaarspelen toen hij pas 14-jaar jong was. Vol overtuiging speelde hij in bars, op huwelijken, middelbare scholen en alles daar tussenin. Brian Setzer’s technicus had een demo aan Lee Rocker bezorgt, en die ontmoeting resulteerde meteen in twee albums. Mike vindt backing bij John Bazz op Fender basgitaar en John was een van de oprichters van The Blasters. En die band had uiteraard een heuse impact op de Amerikaanse rootsmuziek. Het is ook nog steeds een van de weinige bands die de ideale mix tussen blues en rockabilly aan een jonge generatie doorgeeft. Jerry Angel, ook een Blaster bandlid, hanteert de drumsticks en speelde met heel wat grootheden zoals Leon Russell, Carole King, Brian Setzer en Dwight Yoakam. Het zelftitelend debuutalbum veroorzaakte een schokbeweging in de Americana en dat was ook niet anders met het succesvolle schijfje ‘61 and 49’. Het trio eert op zijn derde release niemand minder dan hun halfgod Elvis Presley. Deze tribute herbergt niet minder 20 Presley klassiekers uit zijn rijk gevulde carriére en filmrepertoire. Met eigentijdse rock en blues arrangementen vindt het trio backing bij special guest Gene Taylor op piano, de blazerssectie met Jerry Donato (tenor sax) en Scott Yandell (trompet) en The JOBS Quartet. Het is overduidelijk dat de band heel wat speelplezier heeft beleefde aan de opnamen. De verzengende gitaarlicks verwijzen dan ook naar de evolutie van de rockgitaar. Met een hernieuwde energie verdwalen de Elvis imitatie shuffles. En rocken, dat kunnen deze heren degelijk wel!
Philip Verhaege (4½) This cd pounds with excitement and Energy as well as some of Eldred’s best fretwork, waved in and around some of the best musicians in Americana music. The Mike Eldred Trio and ’Elvis Unleaded’ is a blast of a release!
| Track Listing: Burning Love I Feel So Bad Rip It Up Don’t Bossa Nova Baby Little Egypt You’re So Square Love Me Lawdy, Miss Clawdy Treat Me Nice | Girls, Girls, Girls Jailhouse Rock She’s Not You Long Tall Sally Big Boss Man One Night Of Sin Witchcraft Heartbreak Hotel King Creole T-R-O-U-B-L-E |
Meer dan 10 jaar staat Danny Bryant in de Europese spotlights. Wereldwijd concerteerde hij op meer dan 2000 clubs en festivals. Toch moet Danny nog 35 jaar worden, want hij werd geboren in Hertfordshire, Engeland in juli 1980. Hij werd alom geprezen als een jonge gitaar hero, toen hij professioneel aan de slag ging als 18-jarige tiener. Met een protégé als Walter Trout had hij al snel een stevige live reputatie opgebouwd. Danny werd gekenmerkt naast blueslegendes als Johnny Winter, Buddy Guy, Gary Moore, Albert Collins en ZZ Top. Na de langverwachte DVD/CD ‘Night Life’, Live in Holland uit maart 2012, is er nu het 7e studioalbum ‘Hurricane‘. In de negen originele tracks, vindt Danny nog steeds backing bij vader Ken op basgitaar en Trevor Barr achter het drumstel. Het powervolle trio had de eer om producer Richard Hammerton te verwelkomen. Alle nummers weerspiegelen de evolutie van singer-songwriter/gitarist Danny Bryant. Het album barst van energie, overheerlijke gitaarriffs, uptempo bluessongs en soulvolle ballades. De melodieuze titeltrack ‘Hurricane’ heeft zelfs de intentie om een heuse crossover te worden in de popcharts en claimt meteen heel wat radio airplay. Maar het album opent met het schetsende ‘Prisoner Of The Blues’ Dat is bluesrock zoals het steeds hoort te klinken. De dampende ritmesectie en de vlijmscherpe gitaarsolo’s houden Danny’s volwassen stemgeluid meteen perfect in balans. En wij voelen ons meteen bevrijd in deze moderne bluessound. De funky groove van ‘Greenwoud 31’ kan met zeer vergelijkbare arrangement moeiteloos naast het beste werk van Lenny Kravitz prijken. ‘Can’t Hold On’ is een hemelse ballad die naast een glinsterende gitaarsolo de prachtige pianotune herbergt van producer Hammerton. ‘Devil’s Got A Hold On Me’ is een smeuïge rocksong waar Danny zijn Fred-King gitaar laat botvieren. In schril contrast staat dan weer de bluesslow ‘I’m Broken’. Het nummer staat bol van emotionele strofen en melodielijnen. Het nummer ‘All Or Nothing’ heeft dan weer die moderne touch, maar in het afsluitende ‘Painkiller’ trekt Danny nog eens als vanouds van leer. De song opent weliswaar rustig als een voortkabbelend beekje, maar ontwaard plots in een heuse waterval met diepgaande gitaarsolo’s. Danny Bryant ontwaart in ‘Hurricane’ een heel schitterend bluesrock album.
Philip Verhaege (4½) Danny Bryant catapults the blues into the next century. ‘Hurricane’ is a must for all the bluesrock lovers! Concertkalender: 12-04-2013 Bluescafe, Apeldoorn NL 13-04-2013 Bosuil, Weert NL CD releaseparty NL 28-04-2013 BluesMoose Fest, Groesbeek NL 04-08-2013 Gouvy Jazz, Gouvy B 11-11-2013 Banana Peel, Ruiselede B 24-11-2013 Cafe Wilhelmina, Eindhoven NL
King King is nog steeds het gepassioneerde project van Alan Nimmo, de wederhelft van de uit Glasgow, Schotland afkomstige The Nimmo Brothers. Samen met zijn broer Stevie was Alan ooit een van de meest gerespecteerde bluesexponenten van de moderne bluesbeweging uit het U.K. Nadat zij een lucratief platencontract ondertekenden bij Manhaton Records, werd meteen de langverwachte en goed onthaalde debuut EP, ‘Broken Heal’ geregistreerd. Nu strijkt Alan dus opnieuw zijn vleugels uit met zijn project King King. En toch heb ik de indruk dat het album ‘Standing In The Shadow’ verfijnder klinkt dan zijn voorganger, het bekroonde en Award winnende ‘Take My Hand‘. De nieuwe release werd voor de gelegenheid ingeblikt in de befaamde Superfly Studios in Ollerton en geproduceerd door singer-songwriter/gitarist Alan Nimmo en drummer Wayne Proctor. En ook nu opteren beide heren voor een moderne aanpak die perfect aansluit bij dansbare bluesrock, kloppende funky ritmes en reflecterende ballades. De vocale partijen van gitarist Alan Nimmo, het toetsenwerk van Bennett Holland en de bas van Lindsay Coulson zorgen alweer voor een onvervaarde juweeltje. Acht originele tracks, die in coschrijverschap tussen Alan en Coulson werden bewerkstelligd, worden hier perfect afgewisseld door twee uitgekookte coverversies. Het schijfje opent met het bekbare ‘More Than I Can Take’. Om al snel te vervolgen met de losgeslagen heavy ballade ‘Taken What’s Mine’. De ingetogen gitaarsolo’s en beukende baslijnen zijn de voorloper van een melodieus drieluik. ‘A Long Story History Of Love’, het glinsterende ‘What Am I Supposed To Do’ en ‘Jealousy’, die werd geleend bij land- en streekgenoot Frankie Miller. ‘It cuts me deep, And it cuts me wide… This gut rock feelin’.. schreef Miller ooit, en dat doet deze schijf dan ook onvoorwaardelijk. De nooit aflatende ritmesectie, Bennetts keys en Nimmo’s ingetogen whah-whah pedaal maken van het majestueuze ‘One More Time Around’ een dijk van een song. ‘Can’t Keep From Trying’ eist op zijn beurt dan weer heel wat radio airply. Perfect ingegoten met hemelse arrangementen drijft het overtuigende stemtimbre van Nimmo alweer aan de oppervlakte. Het ontroerende ‘Coming Home’ en het subtiele ‘Heavy Load’ (Andy Fraser/Paul Rodgers) rollen de rode loper uit voor het afsluitende ‘Let Love In’. Dat alweer een keursrecht is voor de moderne bluessound, die naadloos aansluit op swingende bluesrock. Het ritmisch begeleide geklap zal uiteindelijk zal uitdoven in een barstende gitaarsolo. De nieuwe King King klinkt heel wat vertrouwelijker dan zijn voorganger en bezit dan ook heel wat cross-overs. Naast hun verschroeiende live reputatie, het succesvolle debuutalbum ’Take My Hand’ is ook ‘Standing In The Shadow’ meer dan de moeite waard. De Schotse Union kilt mag alweer fier rond het middel hangen.
Philip Verhaege (4½) This new King King album, sounds a lot more intimate than its predecessor and has a lot of crossovers. Check it out on the website, or go to your local cd shop!
Nick Peraino is hier nog een volslagen onbekende, maar in zijn thuishaven Chicago is hij dit allerminst. Vanaf 2005 toerde Baardmans rond met het vrouwelijke slide monster Joanna Connor en was in die hoedanigheid te gast in onder meer Buddy Guy’s Legends en House Of Blues. Ondergetekende zag hem trouwens in juni 2008 aan het werk als zanger en tweede gitarist bij Joanna Connor in de Kingston Mines. Uit die periode heeft Nick Peraino zijn voorliefde voor de slide gitaar overgehouden. Een jaar later ondernam Nick Peraino een twee weken durende tournee doorheen Europa, samen met harmonica legende Sugar Blue. Momenteel maakt hij met zijn medematen Lance Lewis (drums), Marcin Fahmy (keys) en Honeesoul (backing vocals) Chicago onveilig onder de naam Nick and The Ovorols. De debuut cd ‘Telegraph Taboo’ kon dan ook niet langer meer uitblijven en de hooggespannen verwachtingen worden ruimschoots ingelost. Ook al omdat Nick Peraino in nummers als ‘Take The V Train’ en ‘Chitown Via Greyhound’ ongeveer de meest vettige en langgerekte slide opdist, die we in lange tijd te horen kregen. Aan ‘Honey, Please’ werd een outtro gebreid om Neil Young jaloers te maken. Heel mooi zijn echter ‘Try Me’ en ‘Day To Day’ die beide op een heerlijk bevende tremologitaar steunen. Het licht wordt gedoofd op de vibrerende tonen van het leuke instrumentale ‘Soundtrack To Life’. We mogen met ‘Telegraph Taboo’ gerust spreken over een geslaagd debuut en we veronderstellen dat het hier niet zal bij blijven. I’m sure that ‘Telegraph Taboo’ by Nick and The Ovorols will give Nick Peraino a wider recognition outside Chicago. Ivan Van Belleghem (4½)
Nog steeds is de blues in de Verenigde Staten een belangrijk onderdeel in de Amerikaanse culturele revolutie. Bij sommige pop- en rocknummers hoor je duidelijk dat de blues niet zomaar een muziekgenre is maar dat het meer dan eens de bouwsteen was (is) voor deze bijzondere genres. Deze jonge twintiger heeft kennelijk een leuke formule gevonden om de genres mooi te mengen. De nieuwe bluesmeester, met Austin, TX als thuisbasis, presenteert ons een album waarvan de elektrische vonken zo afvliegen, dus pas op. Buiten zijn aangename stem (hij heeft wat weg van een zeer jonge Paul Rodgers (Free, Bad Company) weet Gary zeer sterk als gitarist uit de hoek te komen. Met een veertien ijzersterke nummers tellende cd, dat moet verkopen, ja hoor want de Brusselse concertzaal AB is enkele weken al meteen uitverkocht. Met ‘Ain’t Messin’ Round’ weet Clark ons doorheen een dimensie van sterke gitaarpartijen en vocale sublimatie te leiden. We horen de fuzzy baslijnen van Mike Elizondo de hoofdrol opeisen en Clark toont zich hier al voor een eerste keer een meester met de wahwah-pedaal. Maar het zijn zeker ook de koperblazers die voor een extra dimensie zorgen. Bluesrock, maar dan wel eentje die niet snel verveeld krijgen we met ‘When My Train Pulls In’ terwijl het met ‘Blak and Blu’, een samenwerkingsverbond tussen Clark, Gil Scott-Heron, Brian Jackson en Don Robey er een beetje zachter aan toe gaat. Een ander schitterend nummer dient zich aan als ‘Bright Lights’ en Clark kan hier voor de zoveelste keer zijn gitaarduivels ontbinden. Wat ons tot hiertoe al opviel is dat Gary’s charisma vrijwel in ieder nummer een beetje te overdreven opduikt. Heeft dit wat te maken met zijn verschijning in de Jay Leno Show of in de Jim Fallon Late Night Show? Een vergelijking met ene zekere Lenny Kravitz en Jimi Hendrix is hier zeker niet misplaatst. Swingen op de tonen van ‘Travis Count’ is zeker een must, het nummer straalt een sterke energie uit en blijven stilzitten is geen optie. ‘The Life’ opent op eenzame pianotonen van Zac Rae maar begint plots een wat funkyleven te leiden, niet meteen een van de hoogvliegers op deze langspeler. ‘Glitter Ain’t Gold’, inderdaad niet alles wat schittert is goud en dat wordt duidelijk gemaakt in deze meer rock getemperde song. Ook dit nummer barst van de knappe gitaarriffs en kennelijk heeft Gary goed zijn les geleerd; in sommige solo’s horen we toch sporen van Jimi Hendrix. Misschien was deze song de aanleiding om Jimi’s ‘Third Stone From The Sun’ onder handen te nemen. De versie klinkt aanvaardbaar en brengt ons zo bij ‘You Saved Me’ waarin psychedelische patronen schuilgaan die ook van een Robin Trower hadden kunnen komen. Tot hiertoe hebben we al een zeer gevarieerd album te horen gekregen waarin voor ieder wat wils zit. En als je nu de sleper ‘Please Come Home’ erbij neemt, wanen we ons (met een beetje fantasie toch) weer op het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig waar de old school soul hoogtij vierde. Met dit nummer bewijst Clark dat hij ook deze vruchten heeft leren eten. Behoort zonder meer bij de hoogtepunten en de toeschouwers in de AB zullen dit wel aan den lijve ondervinden. Over het algemeen genomen is ‘Blak And Blu’ een zeer goed geproducet album. Voor sommige luisteraars wordt het moeilijk om hier één label op te kleven maar Gary Clark Jr. is een onafhankelijk artiest en nam daarom de vrijheid om diverse facetten uit de muziekwereld in zijn cd te proppen. Dankzij dit presenteert hij een langspeler dat zeker zijn stempel zal drukken op menig ander muziekgenre zonder er echter afbreuk aan te doen. De diehard bluespurist zal misschien niet veel aan deze schijf vinden maar hoe je het ook draait of keert, hij zal hiermee zeker een grote doelgroep bereiken. Toch raad ik de pure bluesfanaat aan om Gary een kans te geven. Het loont écht de moeite. Hopelijk krijgen we Clark op een of ander Vlaams podium te zien tijdens de zomerfestivals. Heren promotors, je bent gewaarschuwd. Laat deze schitterende act niet aan u (en ons) voorbij gaan…
Alfons Maes (4)
Wanneer je, voor zover die gelegenheid zich eventueel zou voordoen, op een maandagavond door de straten van Oxford zou wandelen dan loont het de moeite even in de Jericho Tavern binnen te wippen en een concert van Babajack mee te maken. Je zult er geen spijt van hebben. In tijden dat uitstekende bands als Mumford & Sons grote triomfen vieren moet er ook een plaats onder de muzikale hemel weggelegd zijn voor een band als Babajack. Babajack is een trio dat afkomstig is uit Tewkesbury en je zou zweren dat dit plaatsje ergens in de Mississippi Delta ligt. Becky Tate (zang, drum box, percussie), Trevor Steger (dobro, winebox gitaar, harmonica) en Marc Miletitch (akoestische bas) maken er geen geheim van dat ze fans zijn van Robert Johnson, Leadbelly, Charley Patton, Son House, Mississippi John Hurt en andere legenden uit de Delta. Babajack gebruikt die muziek trouwens als basis, maar ze voegen er duidelijk waarneembare eigen accenten aan toe. De twee vorige cd’s van Babajack, ‘The Maker’ (2009) en ‘Exercising Demons (2010) ontvingen laaiend enthousiaste recensies van muziekbladen als ‘Blues Matters’en Becky Tate ontving een British Blues Award voor beste instrumentalist. Het Britse blues icoon Clare Free werd ook helemaal ingepakt door het folkblues trio en nu is het onze beurt om bij het beluisteren van de nieuwste Babajack cd ‘Rooster’ helemaal voor de bijl te gaan. Je verwacht je in dit genre niet meteen aan een vrouwelijke zangstem, maar de openingstrack ‘The Money’s All Gone’ neigt nog niet eens naar het einde wanneer we ons al lang hebben verzoend met de zang van Becky Tate. Bij het heerlijke uptempo ‘Skin And Bones’ krijgt Babajack ruggesteun op viool van hun muzikale vriend Alan Cooper en op het superbe ‘Plenty More Fish’ moet Becky Tate de klus niet in haar eentje klaren en krijgt ze vocale hulp van Becky Blockley. ‘Rooster Blues’ is een absolute toptrack waarop de gitaar, of wijnkist omgebouwd tot een gitaar, van Trevor Steger erg jazzy gaat klinken. ‘Raine’s Song’ ruikt dan weer een ietsje sterker naar Mississippi Delta, ‘Gallows Pole’ wordt met veel expressie gezongen en voor de heerlijke afsluiter ‘Som’ these Days’ wordt wat gas teruggenomen. Het komt hier op neer dat ‘Rooster’ is samengesteld uit elf steengoede tracks en dat het geen zin heeft om uitschieters op te sommen. Babajack is momenteel druk in de weer met de opnamen voor hun vierde album, waarvan de release voor 2013 is voorzien. We kunnen niet wachten.
‘Rooster’ by Babajack is so good we can’t hardly wait for its successor next year.
Ivan Van Belleghem (5)
In 2001 konden alleen Jeff Beck en Gary Moore deze naar Australië uitgeweken Welshe gitaarbeul van de titel van beste gitarist, weliswaar in het Franse ‘Guitarpart Magazine’ afhouden. Evenals zijn illustere genregenoten heeft Ashton ondertussen zijn eigen signature gitaarmodel bij het Italiaanse Liutart. De afgebladerde Stratocaster waarmee deze gitarist op de hoesfoto poseert belooft niet meteen het meest verfijnde repertoire. En inderdaad na een korte slideintro wordt je meteen door zware drumroffels en potige riffs overvallen. Ashton die naast gitaar ook voor de bas hanteert heeft meestal aan zijn trouwe drummer genoeg om zijn repertoire dat zich op de grens van bluesrock en hardrock situeert te debiteren. We horen een eigenzinnige aangepaste versie van Willie Dixon’s ‘I Just Want To Make Love To You’. Niet eens zo’n gekke keuze, het repertoire van de bluesbassist en architect van Chicago bluessound circuleert wel meer in hardrockkringen. Bij ‘Let Me In’ klinken echo’s van Jimmy Reed door en worden de bikkelharde riffs geflankeerd door verschroeiende harpscheuten van Johnny Mastro. Er komt uiteraard wat techniek aan te pas maar gelukkig wordt dat gecombineerd met catchy songstructuren. Vooral als het tempo iets wordt teruggeschroefd toont Ashton zijn klasse. In de bluesy slijper ‘Fortunate Kind’ wordt hij geassisteerd door Robbie Blunt, die ooit de snaren beroerde bij Bronco en Robert Plant maar ook bij Tom Petty. ‘Angel’ drijft op een identiek melodieus patroon maar wordt naar mijn gevoel net iets te lang uitgemolken, dat geldt eveneens voor ‘Bluz For Roy’, een onvervalste ode aan de betreurde grootmeester Buchanan waarin Ashton zichzelf en menig gitarist uit het bluesrocklegioen overtreft. Vooral aanbevolen voor liefhebbers van het betere werk uit dat genre.
Cis Van Looy (3 tot 4)
Zaterdag 5 mei 2007 was een schitterende lentedag en het mooie weer had er ons toe aangezet richting Ospel te stevenen. Daar vond namelijk Moulin Blues plaats en wij hadden graag Bo Diddley nog eens een laatste maal aan het werk gezien. Om 16u30, om precies te zijn, werden we uit ons namiddagdutje opgeschrikt door ene Rob Tognoni, die eveneens in Ospel op de affiche stond. Het dient gezegd dat deze tegenvoeter uit Ulverston, Tasmanië er bij momenten de grove borstel doorhaalde. Ik sprak toen met enkele bluespuristen, die vonden dat het er wel een beetje over was en dat Rob Tognoni daarmee het sein had gegeven om een aanval op de tapkranen te plegen. Het zal de aard van het beestje wel zijn, want meer dan vijf jaar later kun je zijn jongste cd ‘Art’, uitgebracht op het voortreffelijke Vilvoordse platenlabel ‘Blues Boulevard’, in de platenrekken aantreffen en opnieuw geeft onze Rob flink van jetje. De plaat werd in mei van dit jaar opgenomen in Aken, Duitsland en Rob Tognoni liet zich door een sterke ritmesectie, met Frank Lennartz (bas) en Mirko Kirch drums), omringen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ‘Art’ een uitstekende plaat vind. Niettegenstaande het feit dat Rob Tognoni er soms als een speer durft vandoor te gaan behouden zijn song een vrij hoog gehalte aan muzikaliteit. Soms gaat Rob Tognoni de weiden opzoeken waar kanjers als AC/DC ook al eens willen grazen en dit resulteert dan in het lekker voort stuivende ‘Sling Blade Made’. In ‘Play Your Blues’ brengt Rob Tognoni hulde aan zijn grote blues idolen. Op de achtergrond hoor je duidelijk het leuke Doo Wop arrangement dat de song meekreeg. Opener Shoot The Dove’ is power bluesrock van het goede soort. ‘Café Deluxe’ is een prachtig instrumentaal nummer en hetzelfde kun je zeggen van track tien waarbij Rob Tognoni het obscene gebaar maakt met de opgestoken middenvinger. ‘Art’ wordt afgesloten met twee covers, namelijk het ruige ‘Hey Hey, My My’ van Neil Young’ en ‘Turn Up Your Radio’, een nummer dat in 1970 al eens op plaat werd gezet door Rob’s landgenoten van Master’s Apprentices. Dave Hole hoeft het zich niet te beklagen dat hij op een mooie dag Rob Tognoni ontdekte.
If you like the blues with a lot of power play, then Rob Tognoni is your man!
Ivan Van Belleghem (4)
The Brett Cohen Band resideert in Zuid-Californië en ‘Big Love’ is hun platendebuut. We mogen in dit geval van een redelijk geslaagd platendebuut gewagen, alhoewel het op sommige, vooral tragere nummers een beetje wennen is aan de lijzige zangstijl van frontman Brett Cohen. Op ‘Lonely Road’ overdrijft hij daarmee zelfs een beetje. Brett Cohen (zang en gitaar) heeft wel kaas gegeten van het songschrijven en het uitstekende ‘Bartender’ is daar een prima voorbeeld van. Nog een andere goeie is het op de keyboards van Ron Harmon steunende ‘What You Got’. ‘Break Of Day’ is enigszins schatplichtig aan Jimmy Reed’s ‘Baby What You Want Me To Do’, maar we zullen wel een oogje dichtknijpen. ‘Bottom Of A Bottle’ wordt van de middelmatigheid gered door de mondharmonica van Ryan Berkowsky en de ritmesectie met Mike Emory (bas), die trouwens meeschreef aan deze song en Garrett Morris (drums) levert gedegen vakmanschap af. Nog een beetje aan de zang sleutelen, Brett, en je komt in aanmerking voor een vier of vijf. Nu met je het stellen met een drie en het recht op een herkansing.
‘Big Love’ by The Brett Cohen Band could have been rated with a five if it wasn’t for the vocals.
Ivan Van Belleghem (3)
Dennis Jones werd geboren in Baltimore, Maryland. Drummen was zijn allereerste passie, maar op zijn 13e werd Jones weliswaar begeesterd door de gitaarsound. Twee jaar later zou hij samen met zijn Marshall een plaatselijk bandje vervoegen. Dennis werd al even snel bezield door de klanken van The Rolling Stones, Bob Dylan, The Who en Santana en door de 60’s gitaarhelden als Jimi Hendrix, Johnny Winter en Jimmy Page. Deze combinatie, samen met R&B en de Motown sound, vormen nu een smeltkroes in Jones muzieksound. Dennis Jones is nu niet meteen de meest bekende naam in het bluescircuit, maar is het is alvast een naam om te onthouden en die terecht onze volle aandacht geniet. ‘My Kinda Blues’ is inmiddels het vierde soloalbum voor Jones en het kan worden omschreven als zeer moderne bluesrock. Samen met Zac Harmon won Dennis ‘The Blues International Challenge’. Hij is dan ook te horen op Zacs album ‘Live at Babe and Ricky’. Als special guests kon Jones nu niemand minder dan Guitar Shorty en Kenny Neal strikken. Zeg nu zelf, niet van de minste… toch? De openingssong ‘Jezus or the Bottle’ is het hypocriet van een moderne evangeliepredikant die wordt betrapt op overspel. De authentieke geluidsfragmenten uit interviews en nieuwsfeiten zijn fijn vermengd in de track. ’Same Train’ kijkt even om de akoestische hoek. Een zeldzaamheid in het voor het overige heavy gitaarspel van Jones. Geen flauw afkooksel, maar een originele bluessound. Goed en krachtig bij stem, zijn zelfs de funky partijen zoals in ’Devil’s Nightmare’ en de funky boogie ‘I Want You’ overgoten met amplitude gitaargrooves. De titeltrack is kicking blues met dynamische en explosieve gitaarlicks. ‘You Took My Babe’ is dan weer klassieke West Side Chicago blues. De overweldigende shuffles van Guitar Shorty zullen hier dan ook niet vreemd aan zijn. Met het melancholische ‘Best That I Can’ omschrijft Dennis Jones het emotionele leven on the road. Het instrumentale ‘Baltimore Blues’ is een baarlijke ode aan zijn geboortestad. Meer dan 7 minuten neemt Jones ons mee met dynamische gitaarmotieven en alweer zeer heavy gitaarriffs. And sure we like it…!
Dennis Jones is presenting the future of the modern bluesrock.
Philip Verhaege (5)
|