Picture
John Fogerty heeft tijdens zijn passage bij CCR en als soloartiest enkele oerklassiekers geschreven. Zelfs nu als soloartiest trekt hij nog steeds de wereld rond en dat leidt tot uitverkochte zalen. Daarmee bewijst hij voor de zoveelste keer dat hij geen eendagsvlieg is.
Nu met deze nieuwe release grasduint hij gretig in zijn eigen backcatalogus. We krijgen nieuwe versies te horen van enkele grote hits van destijds maar ook enkele andere minder bekende nummers krijgen een nieuw jasje aangemeten. En meer, hij haalt er nu enkele zeer bekende collega’s bij. Met de Foo Fighters krijgen we een versie van ‘Fortunate Son’ die ergens een beetje dreigt over te hellen naar lichte metal. ‘Almost Saturday Night’, een nummer uit de periode dat The Blue Ridge Rangers het niet meer zagen zitten en uit elkaar gingen, krijgt nu als extra vocalist Keith Urban die ook nog de leuke banjo intro speelt. Pappa John en zonen Shane en Tyler staan in voor de gitaarriffs in ‘Lodi’ dat nu toch ietwat anders klinkt. Alsof het een niet-afgewerkte demoversie betreft, zo kunnen we deze song het best omschrijven. Het woord Lodi komt van een van zijn obligate reisjes naar Northern Californië, trips die hij als jonge gast met zijn ouders maakte. ‘Mystic Highway’ ontstond een goede dertig jaar geleden en dit is het enigste nummer waarop hij geen extra gast introduceert. Dankzij zijn vrouw, die er in 1969 even onderuit wou, kwam dit nummer tot stand. De steel gitaar komt op het voorplan maar het zijn vooral Miranda Lambert en Tom Morello die hier als gastvocalisten voor een meerwaarde zorgen. Of je ‘Bad Moon Rising’ in deze versie, met de Zac Brown Band’, nog even aantrekkelijk vindt als het origineel, dat moet je als luisteraar voor jezelf uitmaken. Het nummer verschuift van een backporch song naar een meer honky tonk charmerend nummer waarop de bluesharp ook zijn deel krijgt.
Verder krijgen we nog andere CCR-klassiekers als ‘Long As I Can See The Light (met My Morning Jacket), zijn meesterwerk ‘Born On The Bayou’ met Kid Rock, ‘Who’ll Stop The Rain’ waarin country legende Bob Seger enkele toonladders komt meezingen maar het was vooral uitkijken naar de klassieker der klassiekers ‘Proud Mary’. Het nummer transformeert van een CCR-versie naar de Ike and Tina Turner aanpak: zeer langzaam beginnen om zo een climax te bereiken. Jennifer Hudson, Allen Toussaint en de Rebirth Brass Band mochten hier de boel komen opvrolijken en dat doen ze ook met het nodige flegma. Maar met de inbreng van deze gasten had ik toch wel iets meer van dit nummer verwacht. Een totaal andere aanpak had misschien een positievere uitdraai gekend.
In feite klinken veel van deze nummers helderder. Fogerty's dictie is zeker verbeterd met de jaren. Zijn stemgeluid, gemarineerd in een Zuiders Californisch accent, is nog steeds na al die jaren intact. Het is vooral duidelijk hoorbaar op ‘Lodi’, ‘Who’ll Stop The Rain’ en enkele andere grote CCR-klassiekers van weleer. Als er iets is dat we van deze cd kunnen leren dan is het wel de manier van hoe componisten hun eigen werk benaderen en er mee omspringen net als een kunstenaar die telkens hier en daar nog een laatste verbetering aan zijn eindwerk toevoegd. Zeker geen slechte benadering van ‘oude’ klassiekers die nu misschien een nieuwe doelgroep zullen aanspreken. De cd zelf werd nu voorzien van een afbeelding van een van zijn overbekende houthakkershemdjes.

Alfons Maes (4)


Columbia / Vanguard  I  887654 87152  I  Sony Music  I  John Fogerty

 
 
Picture
De wegen van de Posterijen zijn ondoorgrondelijk maar uiteindelijk belandde een advance kopie van de nieuwe Steve Earle, mede dank zij de vastberadenheid van de promoman, alsnog op onze werktafel. Veel heeft het dus niet gescheeld of we hadden er weer naast gegrepen. Dat zou in dit geval bijzonder jammer geweest zijn. Voor het eerst sinds de jaren tachtig wordt de naam van zijn vaste roadband The Dukes & The Duchesses expliciet vermeld.
Onder die naam schuilen tegenwoordig zijn vrouw Allison Moorer en Chris Masterson en Eleanor Whitmore, het echtpaar dat als The Mastersons furore maakt. Dat trio wordt aangevuld met Kelley Looney en Will Rigby die de ritmesectie vormen.
Sinds het uit 1986 daterende debuut ‘Guitar Town’ ontgoochelde de Texaanse troubadour zelden, de afgelopen zes jaar toonde Earle met werkstukken als ‘Washington Square Serenade’ en ‘I’ll Never Get Out Of This World Alive’ dat hij, zijn plaats naast Springsteen en Dylan als kroniekschrijver van de Amerikaanse samenleving nog steeds verdient. Zijn beste werk maakte hij met producer Ray Kennedy. Dat verbond dat onder de naam Twangtrust schuilt is nu weer verenigd op ‘The Low Highway’ en Earle’s vijftiende studioplaat blijkt opnieuw een uiterst geïnspireerd werkstuk dat moeiteloos aansluit bij ‘El Corazon’ en Jerusalem’.
Het is meteen raak met de titelsong, zo’n typische, persoonlijke travelling song. Een fel contrast vormt het expliciet rockende ‘Calico Country’ stevig verankerd op een ruige riff waar The Stones anno 2013 niet meer aan toe komen.
Met cajunstamper ‘That All You Got?’ komen we aan het middenstuk toe, eveneens opgebouwd met songwerk dat uit ‘Treme’ stamt. In die televisieserie, die zich in New Orleans in de nasleep van orkaan Katrina afspeelt, figureert Steve als straatmuzikant Harley naast Lucia Micarelli die de figuur Annie vertolkt. Ze componeerden samen ‘Love’s Gonna Blow My Way’, een fraai fiddle-epos en ‘After The Mardi Gras’.
Het op een repetitieve pianoriedel gebouwde ‘Pockett Full of Rain’ vormt een mooie overgang van dat New Orleansluik naar de wanhopige klaagzang van ‘Invisible’.
Je hebt niet veel verbeelding nodig om bij het sprankelende bluegrassintermezzo ‘Warren Hellman’s Banjo’ helse taferelen te bedenken. Een lekker twangend ‘Down The Road Part ll’ nodigt onbeschaamd uit tot een stevig rondje horlepijp. Het is een vervolg op het gelijknamige nummer dat bijna drie decenniageleden ‘Guitar Town’ afsloot. Dat we ondertussen in de eenentwintigste eeuw zijn beland en helemaal niet te benijden zijn, vernemen we in het sombere ‘21st Century Blues’ maar aan het einde laat Earle toch nog een beetje hoop op een betere toekomst doorschemeren. Het ontroerende ‘Remember Me’ klinkt een beetje als een vroegtijdige grafrede. Gelukkig is het zo ver nog niet, de man is nog springlevend en zakt nog deze maand met zijn Dukes en Duchesses naar onze contreien af.

Steve Earle & The Dukes:
  • 26 mei Paradiso Amsterdam
  • 27 mei Le Trianon Parijs
  • 28 mei Effenaar Eindhoven
  • 4 juni Concertgebouw Brugge
  • 5 juni Oosterpoort Groningen

Cis Van Looy (4½)



 
 
Picture
Het moet van wijlen Gram Parsons geleden zijn dat er nog zo’n hartverscheurende country door de luidsprekers schalden ten huize van ondergetekende.
Nog opmerkelijker is dat Daniel Romano net als op zijn voorgaande werkstukjes de klus nagenoeg in zijn eentje klaart, enkel ondersteund door zijn trouwe violiste Natalie Walker.
Daniel haalde er nu met Aaron Goldstein een ‘echte’ pedalsteelman bij. ‘Chicken Bill’ huppelt verder als een wat oudere knol met dat karakteristieke aan Cash herinnerde grafstemparlando bovenop de twang van een baritongitaar terwijl een dameskoortje (Misha Bower, Tamara Lindeman en Julie Doiron) sensuele ooh’s en aaaah’s debiteert en in ‘When I Was Abroad’ vormen abrupt galopperende drumroffels zelfs de slotakkoorden. Daarmee hebben we het up-tempo werk gehad. De tijd van Buck Owens’ Buckaroos lijkt weer helemaal terug, Romano komt uit Canada maar lijkt in zijn fleurig gedecoreerde nudie suit eerder een uit Bakersfield afkomstige zingende cowboy. Smart en hartzeer zijn nooit ver weg. Niet moeilijk als je als kind door moeder in de steek gelaten wordt en later troost zoekt tot op de bodem van Jack of andere Daniels, getuige de schrijnende opener ‘Middle Child’, “I spent my life on a barstool all alone”, mama please tell me why you would just leave me behind”. Mamma is ondertussen overleden en haar zoon blijft met onbeantwoorde vragen, in diepe smart gehuld achter.
Een viool en huilende pedalsteel volstaan om de brommende bariton van Romano door zijn tranendal te loodsen met het soort repertoire dat Gram Parsons tijdens zijn soloperiode bracht. Zelfs het stemtimbre van Romano lijkt op dat van de betreurde ‘Grievous Angel’. In de lagere registers herkennen we bijwijlen de warme brom van Lee Hazlewood, zoals in ‘He Let’s Her Memory Go(Wild)’ dat zich op een prachtige gitaartwang voortsleept. Geen fletse recyclage, Romana vertelt zijn eigen mistroostige verhalen in ‘Two Pillow Sleeper’, ‘Where No One Else Find It’. ‘That’s The Very Moment’ is onvermijdelijk het moment waarop Daniel weer eens diep gekwetst wordt door de ontrouw van zijn geliefde. Het ergens in een plaatselijke honky tonk, geregistreerde ‘A New Love (Can Be Found)’ klinkt evenmin hoopgevend. Gejammer en geweeklaag alom maar telkens zo wonderlijk, pakkend gebracht dat je er diep in je hart toch weer heimelijk een beetje vrolijk van wordt.
Iemand die anno 2013 met zo’n overtuigend, tijdloos en doodeerlijk country werkstuk komt aanzetten verdient zonder enig voorbehoud een plaats op een podium. Iemand moet deze geweldige countryman hier dringend naar het clubcircuit leiden, wij brengen onze zakdoek wel mee.

Cis Van Looy (5)



 
 
Picture
De terugkeer van Martin Robbins naar Columbia Records leidde tot meesterlijke werkstukken als ‘El Paso City’ en ‘Adios Amigo’.
De jaren tachtig beginnen in mineur, op nieuwjaarsdag wordt hij na een hartaanval, niet zijn eerste, opgenomen in het ziekenhuis maar komt er weerom bovenop getuige het ietwat voorbarig getitelde ‘The Legend’.
De hardcore countrystations hebben het wat moeilijk met opener ‘Jumper Cable Man’. Niet moeilijk er wordt behoorlijk ruig rockend afgetrapt door Robbins die zich tijdens de sessies in zijn huisstudio door zijn eigen roadband en een legertje gastmuzikanten laat assisteren in eigen werk als ‘It’s Not To Hart’, een onvervalste tearjerker of ‘Simple Love Song’.
‘The Air That I Breathe’ overtuigt beduidend minder dan de versie van The Hollies. ‘Good Hearted Woman’ van prominente Outlaw als Waylon Jennings en Willie Nelson en het eerder door Hank Snow en The Everlys  gebrachte ‘I’m Here To Get My Baby Out Of Jail’ komen hier beter tot hun recht.
De aanwezigheid van Elvis’ voormalige vocale backingband The Jordanaires is evenmin onbelangrijk. Niet alleen in de knap opgebouwde, niet van melancholie gespeende, zelfgecomponeerde ballade ‘My All Time High’ zorgt de wisselwerking tussen Marty’s fijne croonerstem en het beroemde kwartet voor magische momenten. In ‘Teardrops’ verzorgt hij naast gitaar zelf de achtergrondzang, kwestie van de sfeer en charme van de uit ’47 daterende uitvoering van The Pioneers zo goed mogelijk te bewaren.
“It’s Not All Over Now” croont Marty in ‘Come Back To Me’. In oktober introduceert Tammy Wynette Robbins in de Country Music Hall of Fame. Nauwelijks enkele maanden later wordt een derde hartaanval de 57-jarige countryman uiteindelijk fataal op de eerste dag van december. De allerlaatste studiosessies spelen zich af in Nashville. Omringd door muzikanten als Reggie Young (American Sound Studios) en pianist Ron Oates levert Marty Robbins zijn ultieme werkstuk af. De bij momenten iets te nadrukkelijk aanwezige Nashville String Machine loopt soms in de weg met honingzoete bijdragen zoals in het op zich niet onaardige ‘Prayin’ For Rain’, ‘If Her Blue Eyes Don’t Get You’ en ‘The First Song That Wasn’t The Blues’. ‘Some Memories Just Won’t Die’ blijken profetische woorden zo denk ik bij mijzelf als de laatste tonen van ‘Lover, Lover’ uitgestorven zijn.

Cis Van Looy (3½)

The Legend lives on forever in his fine music.


 
 
Picture
Wellicht is er in de geschiedenis van de countrymuziek geen artiest te vinden met zo’n rijk geschakeerd repertoire als Marty Robbins. In essentie was hij een western man maar zijn vaardigheden als songwriter en multi-instrumentalist leidden Robbins vaak naast de geijkte countrypaden. In de jaren vijftig pendelde hij als doorleefde countrycrooner van traditionele cowboysongs naar honky tonk, hillbilly, rock en pop maar ook gospel en blues huisde in zijn repertoire waar ook nog ruimte was voor Spaanstalige en Hawaiiaanse muziek.
Martin David Robinson zag het levenslicht in 1925 in Glendale een voorstad van Poenix (Arizona). Marty groeide op in een gezin met tien kinderen en een aan alcohol verslaafde vader. Het enige lichtpunt tijdens zijn kinderjaren zijn de westernverhalen die opa vertelde. Op zijn zeventiende ontvluchtte hij het ouderlijke huis en tekende bij de Navy. De oorlogsjaren sleet hij op de Stille Oceaan voor de Salomonseilanden. In zijn vrije tijd leerde hij, geïnspireerd door Hawaiiaanse muziek, gitaarspelen en begon songs ineen te knutselen.
Nadat hij in 1947 afzwaait, start hij in de locale clubs van Phoenix.
Een eerste grote hit scoort Robbins in 1957 met het popgetinte ‘A White Sport Coat and a Pink Carnation’. Twee jaar later volgde zijn signatuur song ‘El Paso’ afkomstig van de western lp ‘Gunfighter Ballads and Trail Songs’. Een invloedrijke langspeler verpakt in een knalrode hoes waarop Marty als onverschrokken revolverheld, uiteraard volledig in ‘black,’ poseert.
Die mariachi slijper vormt ruim vijftien jaar later de basis voor ‘El Paso City’. Beginjaren zeventig vindt ‘My Woman, My woman, My Wife’ de weg naar de countrycharts. Fysiek gaat het wat minder, Robbins overleeft een eerste hartaanval en verlaat de vertrouwde Columbia stal. In ’75 keert hij terug met ‘El Paso’. De eerste samenwerking met producer Billy Sherill verloopt niet echt vlot en de titelsong, die Robbins in nauwelijks vijf minuten tijdens een vlucht over de gelijknamige stad componeert wordt als laatste aan de sessies toegevoegd. Met de Spaanse gitaar en die typerende mariachi trompetjes belanden we helemaal in de sfeer van voorganger ‘El Paso City’. ‘Ava Maria Morales’ huist in hetzelfde Mexicaanse straatje. Na de door fiddlewerk en pedalsteel ondersteunde countryballade ‘I’m Gonna Miss You When I’m Gone’ illustreren het superieure, melodieuze gejodel in ‘Way Out Here’ en de kampvuurharmonica in ‘Trail Dreamin’ dat een oude cowboy zijn streken niet zo snel verleert. ‘I Did What I Did For Maria’ herinneren we ons van de pophitversie van Tony Christie maar de versie van Robbins laat zich perfect inpassen. ‘Among My Souvenirs’, een song uit de jaren twintig die op het repertoire van Bing Crosby, Sinatra en Connie Francis prijkte is een stijlvolle afsluiter. Met zowat de helft eigen composities betekent het in uiteindelijk in 1976 ‘El Paso City’ ook een artistiek remonte voor Robbins.
Met uitzondering van het sfeervolle ‘Falling Out Of Love’ vinden we op ‘Adios Amigo’ dat een jaar later werd uitgebracht geen songs van Robbins terug.“I Need Inspiration For A Song” horen we Marty kreunen. Als de inspiratie het even laat afweten kan je nog altijd ergens deugdelijk songwerk lenen zoals Michael Nesmith’s ‘I’ve Never Loved Anyone More’ bijvoorbeeld. Het opening- en tevens titelnummer ‘Adios Amigo’ sluit naadloos aan bij de voorganger. ‘18 Yellow Roses’ van Bobby Darin krijgt een fijne interpretatie. Het uit 1931 daterende ‘I Don’t Know Why (I Just Do)’ werd eerder door Sinatra en The Andrew Sisters uitgevoerd. ‘My Blue Heaven’ stamt eveneens uit een ver verleden. ‘Adios Amigo’ blijkt als geheel iets minder sterk dan de voorganger maar vormt niettemin in combinatie nog een fraaie tandem.

Cis Van Looy (4)

A fine combination of long out of print vinyl LP’s of Marty Robbins shows that the countryman was still able to make more eclectic oriented little masterpieces in the second half of the seventies.


 
 
Picture
Tijdens het concert van Rosanne Cash onlangs in De Roma vernamen we het nieuws: George Jones die nog een afscheidstournee gepland had overleed in een ziekenhuis in Nashville op 81-jarige leeftijd. De dochter van Cash herdacht de legendarische countryman met een fraaie versie van ‘She Thinks I Still Care’.
Het belang van de Texaanse countryzanger met het wonderlijke melancholische stemtimbre kan nauwelijks overschat worden.
Waylon Jennings vatte het ooit fraai samen met de woorden “We willen allemaal kunnen zingen als George Jones”. Ook buiten de countrywereld erkennen artiesten zoals Frank Sinatra Neil Young, Elvis Costello, James Taylor en de Rolling Stones zijn invloed, Keith Richards en Pete Townshend noemen zich fan.
George Jones evolueerde van rasechte honky tonker in de jaren vijftig naar verfijnd balladewerk. In een bijna zes decennia omspannende muzikale carrière vocht de man evenals talloze generatiegenoten jarenlang tegen de drankduivel en de onvermijdelijke huwelijksperikelen. Tussen 1969 en 1975 was hij de levensgezel van countryzangeres Tammy ‘Stand By Your Man’ Wynette die ook al ‘D.I.V.O.R.C.E’ zong in 1968.
Ook na de scheiding bleven George en Tammy hartverscheurende duetten deponeren. ‘Een kwestie van dagen’, luidde de diagnose over Jones’ levensverwachting in ’84. Het alternatief stoppen met drinken bleek niet eenvoudig, liefst zeven keer werd de man opgenomen in een ontwenningkliniek en overwon uiteindelijk zijn drankdemonen.
In een bijna zes decennia overspannende carrière scoorde Jones meer dan 140 hits en prijkte tot 1990 14 keer op de hoogste plaats van de hitparade, er werden ruim 150 langspelers uitgebracht.

Recent werden al enkele van die werkstukken opnieuw uitgebracht. Morello Records verzamelde eerder al werk uit de immense catalogus. Vorig jaar was één van Jones’ beste langspelers uit de jaren zeventig ‘The Grand Tour’ samen met ‘Alone Again’ aan de beurt.
Uit de eerste helft van de jaren tachtig, die ongemeen sterk en succesvol start met ‘I Am What I Am’, koppelt men ‘Jones Country’ aan ‘You’ve Still Got A Place In My Heart’, beiden met producer Billy Sherill achter de knoppen. ‘Jones Country’ ontleende zijn naam het gelijknamige amusementspark dat de zanger destijds in de buurt van zijn geboorteplaats Beaumont bezat. Ruim vijf jaar later werd een single getrokken uit de langspeler. De keuze viel, geheel terecht op het door Jones gecomponeerde ‘Radio Lover’. ‘Dream On’ werd voordien al eens door The Righteous Brothers en The Oak Ridge Boys geïnterpreteerd. Twangende honky tonkers als ‘Hello Trouble’, bekend van Buck Owens, en ‘One Of These Days’ zijn buitenbeentjes tussen het treurige balladewerk, en lijken recht uit de saloon afkomstig. Het verhaal ‘The Girl At The End Of The Bar’ speelt zich ongetwijfeld op dezelfde locatie af.
Verder prijkt er nog eigen werk als ‘Wino the Clown’ en de treurige, destijds voor Jones bijzonder toepasselijke, pianoballade ‘Famous Last Words’. De opvolger ‘You’ve Still Got A Place In My Heart’ bevat geen eigen werk met uitzondering van het sprankelende ‘I’m Ragged But I’m Right’ dat Jones in de jaren vijftig al eens aan het vinyl toevertrouwde. In ‘The Second Time Around’ en ‘Learning To Do Without Me’ klinkt meer optimisme door ondanks de toch wel precaire situatie waarin Jones zich bevond. Ook cowboysongs als ‘Courtin In The Rain’ en ‘Love Shine’ zijn vrolijke saloonstampers. In de afsluiter doet hij zijn croonersreputatie alle eer aan. “You’ve still got a place in our hearts, Mister Jones”.

Cis Van Looy (4)

In the eighties George Jones still remains ‘the master of the sad song’. ‘Jones Country' is a very fine illustration of the country crooner in 1983, while ‘You’ve Still Got A Place In My Heart’ from a year later goes more back to the style of his early days.


 
 
Foto
De jongeman met de bleke huid en het opvallende, koperrode afrokapsel
is sinds 2009 met zijn eigen band in het clubcircuit van Maryland/DC/Virginia actief. In het verleden passeerden meer van die wonderknapen die vooral met hun snaarverrichtingen de aandacht trekken maar ook de zang van de ondertussen achttienjarige gitarist klinkt voortreffelijk en vertoont een voor zijn leeftijd ongehoorde maturiteit. Dat was ook Duke Robillard niet ontgaan en de onvolprezen bluesveteraan uit Rhode Island trad aan als producer. Robillard resideerde ter ondersteuning van de sessies met zijn begeleidingsband in de Lakewest Studios in West Greenwich en trommelde enkele oude vrienden uit de blazerssectie van Roomful of Blues op.
Met uitzondering van het samen met Duke gecomponeerde ‘Jammin’ at Lakewest’ wordt Poxon’s tweede langspeler volledig met eigen werk gevuld. In het oeuvre huizen onmiskenbaar invloeden die uit de Amerikaanse traditie stammen, vroege R&B, country, rock- en hillbilly en jazzy elementen het is allemaal terug te vinden. Na een potig trio met ondermeer de strakke opener ‘Too Bad’ en een rockend autobiografisch ‘College Boy’ neemt Poxon even gas terug met ‘Why’ sfeervolle soulblues met een glansrol voor de blazerssectie, terwijl zangeres Anitu Suhanin voor zwoele achtergrond warmt het orgeltje. Als even verderop opnieuw wat tragere passages opgezocht worden zoals in de titelsong toont de jonge snaak zich in de buurt van gedempte trompetjes en omfloerste sax een meer dan waardig crooner. Dat geldt ook voor ‘Please Come Home’ en ‘Carol Anne’ schrijnende bluesy slows met slepend snarenwerk.
Het op hortende saxen leunende ‘All By Myself’ en herinnert me niet alleen wat de ritmiek betreft aan een prille Lyle Lovett. In de snedige, onderkoelde blueskraker ‘You Don’t Love Me’ en ‘Fooling Around’ worden de gitaarduivels nog even ontbonden, gelukkig in knappe ritmische loopjes. De met de fraaie steel gitaar van Frankie Blandino gelardeerde ballade ‘One More Time’ situeert zich meer in de countryhoek. Afsluiten doet Andy met een subtiele jazzy gitaarjam geflankeerd door Duke.
‘Tomorrow’ is een doordacht en volwassen werkstuk van een uiterst getalenteerde en veelzijdige jongeman, wordt ongetwijfeld vervolgd.

Cis Van Looy (4)

‘Tomorrow’ shows a varied blend of blues, old school R&B, country and jazzy tunes. You won’t believe that this guitar man and fine singer is just eighteen. “Andy Paxon is a complete and mature musician”. After listening to the second record of this young man we can only affirm these words of Duke Robillard.


 
 
Foto
Willie Nelson bereikt binnenkort de kaap van tachtig levensjaren. Hoe kan  de eeuwige countryoutlaw dat beter vieren dan met een nieuwe langspeler.
In tegenstelling tot de voorganger ‘Heroes’ laat hij zich niet omringen door illustere vrienden als Kristofferson, Ray Price of Merle Haggard. De enige gastmuzikant is zoon Micah. De sinds enkele decennia opererende Family met zuster Bobbie Nelson aan de piano, gitarist en drummer Billy English naast zijn vader Paul en harmonicaman Michael Raphael laten zich ondersteunen door bassist Kevin Smith die de in 2011 overleden Bee Spears vervangt en Jim ‘Moose’ Brown aan het Hammondorgel.
Slechts een enkel nummer van Nelson zelf telt deze collectie, Het uit ’89 daterende en het destijds schromelijk onderschatte ‘Is The Better Part Over’ werd uit ‘A Horse Called Music’ geplukt.
Onder hoede van zijn trouwe producer Buddy Cannon keert Nelson terug naar de essentie en graaft diep in het grote Amerikaanse songboek met werk van Irving Berlin.
De toch al fragiele stem klinkt met het klimmen der jaren nog wat rafeliger maar boet weinig in aan charme. Bovendien blijft de karakteristieke fingerpicking overtuigend, getuige de instrumentale interpretatie van Claude François’ ‘Vous et Moi’, en het wondermooie van zijn grote idool Django Rheinhardt geleende ‘Nuages’. ‘You’ll Never Known’ en ‘Twilight Time’ nam Nelson eerder in ruimer gearrangeerde en georkestreerde uitvoeringen op maar de nieuwe sobere versies klinken sterker, evenals de ontspannen versie van ‘I’ ll Keep On Loving You met sfeervolle bijdragen van Raphael’s smoelschuivertje. ‘South of The Border’ weerom zo’n klassieker die Nelson naar zijn hand weet te zetten. De enige up tempo song, een luie versie van Carl Perkins’ ‘Matchbox’ die van rockabilly naar western swing pendelt, is representatief voor de hele cd. Niets hoeft nog zonodig voor de oude vos en zijn muzikale familie, het is de liefde voor muziekjes die primeert. “Let’s face the music and dance”.

Cis Van Looy (3½)


Legacy Records  I  88765425852  l  Sony Music  l  Willie Nelson

 
 
Foto
De gemaskerde baardmens, wiens foto op het hoesje van ‘Good Man Down’ voorkomt heet een zekere David Mayfield te zijn. Tot vandaag was hij voor mij een nobele onbekende maar daar zou wel eens verandering kunnen in komen.
Het platendebuut van David Mayfield dateert van januari 2011 en heette simpelweg ‘David Mayfield Parade’. De opvolger ‘Good Man Down’ was aanvankelijk voorzien voor oktober 2012, maar een zwaar toerschema was er de oorzaak van dat de release van ‘Good Man Down’ een half jaar vertraging had opgelopen. Maar niet getreurd, ‘Good Man Down’ is een toffe schijf geworden.
Om te beginnen heeft David Mayfield voor wat betreft de opnamen zijn tenten opgeslagen in twee legendarische Nashville studio’s. Eerst en vooral was er de RCA Studio B, waar alleen al een zekere Elvis Presley zo’n kleine 200 opnamen de wereld instuurde. Vervolgens werd er ook opgenomen in The Quonset Hut, waar zwaargewichten als Patsy Cline, George Jones, Bob Dylan en andere Loretta Lynns ooit een koptelefoon op hun hoofd hebben gehad.
Dit bracht met zich mee dat er buiten David Mayfield (zang en bas) nog zo’n tiental muzikanten hun medewerking aan ‘Good Man Down’ hebben verleend. Daarbij springen namen als Wes Langlois (gitaar), Jason Edwards (drums), Jim Vancleve (fiddle) in het oog.  
Er werd ook veel zorg besteed aan het inlegboekje, met naast de liedjesteksten ook nog eens een soort stripverhaal, of ‘comics’ zoals ze in de States zo’n dingen noemen, met als titel ‘The Adventures Of Good Man Down Comics’. Toch wel mooi gedaan!
David Mayfield heeft met de country blues ‘Love Will Only Break Your Heart’ zijn start niet gemist en vergelijkingen met Mumford & Sons zijn hier weer niet van de lucht, zeker niet wanneer David Mayfield er eens lekker invliegt met de stampende gospel ‘Another Year’. Let hier ook op de vioolkunstjes van Jim Vancleve. Ook aan ‘Human Cannonball’ werd er een snuifje Mumford toegevoegd.
Ik heb het ook nogal voor de country riff ‘Tempted’, dat mij ergens aan Green On Red herinnert’ en bij de afsluiter ‘Goodbye, Farewell, So Long’ valt het op dat David Mayfield goed naar James Taylor heeft geluisterd.
Ik hoop dat ik het laatste van The David Mayfield Parade nog niet heb gehoord.

Ivan Van Belleghem (4)

‘Good Man Down’ by The David Mayfield Parade was recorded in two famous Nashville recording studio’s which was certainly not a waste of time and money. Splendid album!

Beautywood Records  I  BW 002  I  Michael J. Media  I  David Mayfield Parade

 
 
Foto
Red Moon Joe is een Britse countrygroep die alweer in 1985 werd opgericht door Mark Wilkinson. Ze bouwden stilletjes aan een reputatie op in de Britse country scène, alhoewel de U.K. in die dagen niet zo country minded was.
Mark Wilkinson had het eerder ook al klaargespeeld om in 1983 op het podium van het Wembley stadion te staan samen met de legendarische Stonewall Jackson, die de country liefhebbers moeten kennen van zijn al te gekke miljoenen hit ‘Waterloo’.
In 1993 vouwde Mark Wilkinson Red Moon Joe op en ging podiumgewijs het gezelschap opzoeken van geestesgenoten als John Prine, Steve Earle, Guy Clark, Little Feat, Townes Van Zandt en Emmylou Harris. Mark Wilkinson doet trouwens die welbepaalde periode in zijn carrière haarfijn uit de doeken op de prachtige afsluitende track op ‘Midlight Trains’, die simpelweg ‘Guy Clark’ heet.
In 2010 vond Mark Wikinson, met het succes van Mumford & Sons in gedachten, dat de tijd gekomen was om met Red Moon Joe enkele vergeten gaatjes op te vullen. Hij trommelde Steve Conway (pedal steel, dobro), David Fitzpatrick (gitaar, banjo), David A. Smith (bas) en Paul Casey (drums) bijeen en samen doken ze afgelopen winter de Voodoo Rooms in om ‘Midnight Trains’, hun eerste album in meer dan twintig jaar, op te nemen. Het eindresultaat mag er zijn.
Zo ontbindt banjospeler David Fitzpatrick ongegeneerd zijn duivels op de bluegrassnummers ‘Drop The Anchors’ en Valediction (Where Will We Going? The last one closes down). Er is ook nog de uptempo country blues van ‘Save Me’ en over die fantastische afsluitende track hadden we het reeds eerder.
Tijd om het bordje met het cijfer 5 nog eens in de hoogte te steken.

Ivan Van Belleghem (5)

‘Midnight Trains’ is the first Red Moon Joe record in more than twenty years, but it was more than worth waiting for.

DBS Recordings  I  DBSCD002  I  Red Moon Joe