Foto
Mick Green speelde ooit bij Johnny Kidd & The Pirates maar ook Bryan Ferry, Paul McCartney en Van Morrison huurden hem vrij dikwijls in. In 1964 was hij nog gitarist bij Billy J. Kramer & The Dakotas. In de late jaren negentig stond Green nog steeds als gitarist aan het roer bij The Pirates en deelde toen de vocalen met bassist B.J. Anders. De sound van deze Pirates was niet meer dezelfde als toen, de muziek die ze in 1996 op cd zetten had eigenlijk niet veel meer te maken met de garagerock waarmee ze zo bekend geraakten. Maar dat neemt niet weg dat er nog een flink stukje gerockt wordt. Buiten het eigen werk, waarin Green uiteraard nog schittert, zoals ‘Underground’ en ‘Let’s Eat’ laat Mick ons de kneepjes van het vak horen maar ook in de zachtere nummers schemeren toch knappe muziekstukjes, we denken hierbij aan het prachtige ‘Chattered Glass’ en andere leuke songs zijn ‘Land Of The Blind’ en ‘Maybe’ die ook van de hand van Green zijn.
Twee covers, nl. Aaron Neville’s ‘Fortune Teller’ en het door Billy Fury bekend gemaakte ‘Wondrous Place’ hebben de test doorstaan en zijn leuke rockers om naar te luisteren.  Afgesloten wordt er met ‘Sex On legs’ en daar hoeven we geen tekeningen bij te maken. Op deze uitgave van Anget Air krijgen we nu drie extra tracks: drie live uitvoeringen: ‘Rock Bottom’, ‘I Can Tell’ en ‘Lindy Lou’. Gelukkig is de klank van deze live uitvoeringen nog acceptabel maar kwalitatief durven we ze ook niet te noemen.
Op 10 januari 2010 overlijd Mick ten gevolge van een hartkwaal, een probleem waarmee hij nog sukkelde toen hij in Auckland op het podium een hartaanval kreeg. Twee dokters onder het publiek hebben zijn leven gered. In november 2010 werd er een memorial concert gehouden in de 100 Club in Oxfordstreet, Londen. Hier waren de Animals en de Wilco Johnson Band van de partij.

Alfons Maes (3½)



 
 
Foto
The Deviants, of eigenlijk noemden ze zich eerst The Social Deviants, werden gestart door Mick Farren (vocals, piano), Peter Munro (bas), Clive Muldoon (gitaar), Mike Robinson (gitaar) en Russell Hunter op drums. Deze samenstelling hield niet lang stand en nadat Munro en Muldoon de band verlieten besloten ze het woord ‘Social’ te laten vallen en gingen verder als The Deviants. Maar voordat ze aan hun eerste langspeler begonnen te werken lag de line-up weer op een puinhoop. Voor de opname van dit album waren de volgende muzikanten verantwoordelijk: Mick Farren (zang, piano), Cord Rees (bas, Spaanse gitaar), Russell Hunter (gitaar), Duncan Sanderson (zang), Stephen Sparks (zang), Jennifer Ashworth (zang).
Voor een debuut is dit een album om U te zeggen. Noem het punk, wat het zeker niet is gezien die term in 1967 nog niet gekend was. De muziek van The Deviants kunnen we het best omschrijven als de allereerste en superbeste garagerock band (denk hierbij ook maar aan hun Amerikaanse counterparts MC5 om er maar eentje te noemen) maar Mick Farren en zijn collega’s waren de betere band.
Slechts acht nummers sierden deze vinyluitgave, allemaal nummers met een speciaal verhaal, soms met de nodige ritmeveranderingen maar ze bleken ook allemaal een eigen diepgaande diversiteit te hebben.
Moeilijk dus om van hoogtepunten te spreken alhoewel ‘Garbage’ en de schitterende slow ‘Child Of The Sky’ toch zullen blijven nazinderen. ‘Charlie’ kruipt een beetje in een bluesy jasje en we horen een schitterende Cord Rees aan de gitaar. Luister vooral naar zijn licks. Geweldig en bedenk: het was 1967.
Zoals vele andere garagerockers verschoten The Deviants hun kruit na een eerste release en er bleef niets meer achter. Met hun tweede album ‘Disposable’ kwamen ze hier en daar nog wel in de buurt van dit fantastische debuut. Maar keer of draai het zoals je wil, The Deviants zijn verantwoordelijk voor de grillige weg die zij achtergelaten hebben en die eind jaren zeventig gretig werd bewandeld door bands die geluiden produceerden die we nu nog punk noemen.

Alfons Maes (4)



 
 
Picture
Garagerock uit Puerto Rico. Dit gelijknamig debuut van deze Puerto Ricaanse groep staat garant voor een serieuze energie-boost. De vijf heren vonden onderdak op het bekende Slovenly Recordings en geven met dit debuut een adreskaartje af om u te zeggen. Puerto Rico ook wel eens de 51e Staat van Amerika genoemd (hoewel dit staatkundig niet helemaal correct is) is natuurlijk veel bekender voor salsamuziek, denken we maar aan coryfeeën als Ray Baretto, Tito Puente en Elvis Crespo.
Qua referenties van deze Vigilantes vermelden we de sound van de jaren ’60 overgoten met een hedendaagse punkrock saus. Het resultaat mag er echt wel zijn.
De luchtige opener ‘Ven Vamos’  is sterk 60-er jaren getint en doet me sterk denken aan de Chileense rock uit de jaren ’80. ‘Echema la Culpa’  heeft vitriool gedrenkte gitaren die voor niets of niemand moeten onderdoen. Voeg daarbij een riffje dat een kreupele uit zijn rolstoel doet opveren en je hebt de definitie van wat een goede rocksong moet zijn. ‘Me Imagino’  heeft evenveel energie maar de compositie is iets minder sterk. Maar wel een prachtige gitaarsolo in het midden en aanstekelijke doo-wop koortjes.  De zang wordt maar liefst door 4 van de 5 Vigilantes voor hun rekening genomen wat altijd ten goede komt aan rocknummers. ‘Niña donde estás’  (meisje waar ben je) heeft behoorlijk subtiel gitaarwerk dat me doet denken aan de Iguanas van vroeger. Ook hier weer prima vocalen. ‘A Ella’  zet rockend in met een swingend orgeltje bespeeld door Javier Delarosa, ook hier zet de groep er weer een rotvaart in. Deze plaat is absoluut niet geschikt voor een romantisch etentje. Voor een wild feestje daarentegen is het een perfecte soundtrack. Misschien wat oneerbiedig maar de gitaren op ‘Eres Tú’  doen me sterk aan de plastiek pop van The Rubettes en Mud denken midden jaren ’70, een minder nummer maar met een geweldige gitaarsolo. Dat de heren een gezond gevoel voor humor hebben blijkt uit de obligate ballade die ze droogweg ‘La Balada’  doopten. Qua compositie, instrumentatie en stemmenwerk zeker in orde. Laat maar komen dit soort stevige, non-zeemzoete ballades. ‘Pegame’  geeft blijk van zwierig gitaarwerk dat wat weg heeft van de Chileense topgroep ‘Los Tres’ , qua vocalen is dit nummer wat van mindere makelij. ‘Nunca sabrás’  is een ongecompliceerde meezinger die live zonder twijfel erg in de smaak van het publiek zal vallen. ‘Amanda’  wordt gedragen door heerlijk gitaarwerk en een mooi riffje. Goede rock-’n-roll kan toch simpel zijn, maar niet iedereen ontdekt het juiste recept. ‘No’  is meer punkrock dan wat anders, maar als alle negatieve zaken zo aanstekelijk zouden klinken zou ik daar best mee kunnen leven. ‘Letal’  (dodelijk) laat Los Vigilantes in overdrive horen. De gitaren, die uit verschillende vaatje tappen, en de vocalen passen hier wonderwel bij elkaar. Misschien wel het beste nummer van de plaat.  De afsluiter ‘Solo pido amor’ is een beetje rommelig met een hoog Tenpole Tudor–gehalte. Al bij al een geslaagde debuutplaat.

This debute album of this Puerto Rican quintet is very promising. They have a few good songs and a very attractive sound, but there’s room to improve, especially on the vocal side. Personally  I am pretty convinced that the follow up CD will be even better than this first one.

Peter Desmet (3)