Deze multiculturele groep is al een aantal jaren actief. Ze opereert vanuit het Antwerpse en heeft echt wel haar tijd genomen om een eerste plaat op te nemen en op het grote publiek los te laten. Dat is de kwaliteit van deze debuutplaat zeker ten goede gekomen. Meer nog als debuut is dit een plaat die kan tellen die van internationaal niveau is. Spilfiguur van de groep is de Argentijn Enrique ‘Kike’ Noviello die in 2002 in Antwerpen neerstreek. Als “Porteño” (inwoner van Buenos Aires) had hij natuurlijk de tangomuziek in de genen. Maar in deze groep vermengde de tango zich haast automatisch en organisch met andere genres zoals rock, jazz enz. De groepsnaam “El Juntacadávares” is geïnspireerd op het gelijknamige boek van de Uruguyaanse auteur Juan Carlos Onetti waar een pooier samen met enkele oude dames van plezier zich heeft voorgenomen het perfecte bordeel uit de grond te stampen. Het boek stelt vooral de hypocrisie van de burgerlijke goegemeente aan de kaak. De plaat opent erg sterk met “Cortita el pie” waarbij een hele mooie bandoneon de feestelijkheden opent om dan heel natuurlijk over te vloeien in de vocalen van rapper Kris “Scale” Strybos. De bandoneon-opnames zijn nog van de grote “Alfredo Marcucci”, de helaas drie jaar geleden overleden Argentijnse meesterbandoneonist die bijna drie decennia in Landen woonde en vooral samenwerkte met de eveneens betreurde Dirk Van Esbroeck. Bij het openingsnummer blijkt al meteen hoe veelgelaagd de muziek is, hoe goed de muzikanten op elkaar ingespeeld zijn en hoe dit echt organische muziek is. “Lluvia” is een sfeervol nummer met een mooie instrumentale inzet waar dreiging van uit gaat. Ook hier passen de rapvocalen van Scale perfect in het totaal plaatje. Het instrumentale “Año nuevo” heeft een mooie intro op piano en gitaar waarnaar bandoneonist Pato Lorente (artiestennaam voor Patrick Van Keirsbilck) prachtige klanken uit zijn muziekdoos tovert. Er zit ook een leuke beat in, een ingehouden maar elektrisch geladen gitaarsolo en geluidseffecten die het een hard randje geven. Het nummer is afwisselend slepend melancholisch en dan weer dynamisch. “Fútbol Argentino” drijft op een nerveus voetbalritme, de spionkop is nooit veraf waarop de bandoneon van Pato op en neer danst. De akoestische gitaar maakt plaats voor spetterend Argentijns voetbalcommentaar om te eindigen met croonende vocalen. Heel speciaal mogen we wel stellen. “Asfixia” begint met strakke beat waar bandoneon en gitaar rustig hun gang gaan waarop Scale perfect inpikt, hij tilt het liedje tot op een opzwepende hoogte om dan gesecondeerd te worden door Spaanse vocalen van Kike. “Arrayanes” klink erg geheimzinnig. Daar zijn de echo en de melodramatische stem van gastvocaliste Nikki Van Lierop niet vreemd aan. Pathos en drama vinden elkaar in een schitterend nummer. “Oktubre” is de beste instrumentale compositie van de plaat. Het start bezadigd, haast mijmerend met mooie bandoneon en piano waarna de gitaar stevig uithaalt. Bovendien horen we een mooie pianosolo van Domingo de Jésus terwijl de gitaar van Onan Van De Weyer op de achtergond maar blijft doorrazen. Het adequate gebruik van geluidseffecten en samples kan gewoonweg niet verbeterd worden. “Exodus” start als de geluidsband van een weekendfilm waarna gitaar en bandoneon alles op gang trekken en de weg bereiden voor de stem van Scale Strybos. Wat een geweldige elektrische gitaar alwaar! “A la sombra” begint ingetogen en verstild en de bandoneon van Alfredo Marcucci speelde dit al jaren geleden. Het is een echt eerbetoon aan de meester waarbij de vocalen van Kike Noviello goed tot hun recht komen. Het 2de gedeelte van de song is bijna poppy en meer op speed. “Noche Porteña” (nacht in Buenos Aires) begint funky met gitaar, drums en piano waarna de Spaanse gitaar het commando over neemt. Het heeft een prachtig arrangement. In “Santa Maria” sijpelt de cumbia een beetje door maar het tempo versnelt naar strakke uptempo funk waarbij de Engelse en Spaanse vocalen mooi samen gaan. “Mental movie” telt een vrolijke intro maar wordt daarna opgeslorpt door een ritmische rap. Prachtige arrangementen in combinatie met overtuigende vocalen die de latino muziekliefhebbers zeker zullen smaken. “Hasta siempre” is een eerder ongewone versie van de klassieker van de Cubaanse evergreen van de overbekende Carlos Puebla. “Porque me fui” begint met aan vraag en antwoord spel van piano en bandoneon om dan op dreef te komen. We noteren een mooie akoestische gitaar, subtiele drumklanken en een messcherpe elektrische gitaar. Het totaal resultaat is gewoonweg verbluffend. Ik mag er niet aan denken dat de tweede plaat van dit gezelschap nog beter zal zijn! Eenieder die vindt dat dit maar een doorslag is van Gotan Project heeft echt niet goed geluisterd. Met deze plaat heeft El Juntacadáveres bewezen dat er in Europa evenveel talent, doorzettingsvermogen en muzikaal vernuft voor handen is. Hier rest me enkel een dikke proficiat toe te wensen aan de hele groep. En ga deze jongens live zien als ze in de buurt komen.
Peter Desmet (4)
Deze plaat is eigenlijk een nevenproject van Pedro Ojeda (drums en timbalen), gitarist Eblis Alvarez en bassist Mario Galeano. Deze drie heren behoren tot Frente Cumbiero en Meridian Brothers, twee van de meest bekende groepen uit de Colombiaanse muziekscène van de laatste jaren. Alles wat ze in hun eigen groep niet konden uitproberen hebben ze op deze plaat bij elkaar gezet. Het resultaat is meer dan onconventioneel. De plaat werd live opgenomen in de zaal Matik Matik in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá op 15 december 2010. De openingstrack “Toma tu jabón Kapax” opent energiek. Het lijkt er even op of alle ritmes die deze jongens in huis hebben even uitgestald worden aangevuld met allerhande electronica en geluidseffecten. Dansbaar? Zeer zeker wel, maar voor zumba of aerobic adepten. “Lambada de Oceania, Africa y América (eran un mismo continente)” begint in een mid-tempo dubmode waarin een vervormde gitaar de hoofdrol spelt. Alras blijkt het om een rudimentaire cumbia te gaan die nooit niet stilvalt. Het gitaarwerk doet denken aan dat van Manuel Galban, bekend uit Buena Vista Social Club kringen. De schrille toeters op het einde doen wel afbreuk aan dit nummer. Op “Champeta de la corrupción y la desgana” gaat een volledig gestoorde gitaar al heel gauw over in een strak ritme waarbij ook een hele lading geluidseffecten opgediept wordt. Straffe kost! “Bambi ha muerto devorado por el pecado” is minder snel en minder uitgesproken experimenteel. Hoewel de vervormde geluiden en noise effecten de luisteraar weer om de oren vliegen. Semi-dansbare computergame music zo kunnen we dit definiëren. “Pipetas de gas y dinamita” begint met galopperende drums en bas waarop de gitaar op inpikt om het ritme verder uit te rollen, waarna de onvermijdelijke toeterende electronica terug de kop opsteekt. Na een paar nummers is het echt wel duidelijk dat dergelijke geluidsexperimenten live wellicht veel beter kunnen gesmaakt worden dan op plaat waar het visuele aspect en de ambiance van een zaal natuurlijk ontbreekt. Ook op “Monstruo Prometedor (homenaje al manzano)” voeren de toeters en geluidseffecten meteen het hoogste woord. Opgepast deze muziek niet opzetten wanneer niets vermoedende huisgenoten in de buurt zijn. “Marco Polo: hombre berraco que la tierra conquistó” klinkt ritmes met staccato vocalen waar de naam van Marco Polo wordt gescandeerd. “Vuestro bohio (el hijo bobo)” vertrekt vanuit dezelfde geluidseffecten maar is veel rustiger. “Huelen a esperitu joven” (het ruikt hier naar een jeugdige geest) is echt wel up tempo met een knappe vervormde gitaar, tot die gitaar de baan moet ruimen voor geluidseffecten. Dit is wellicht het meest conventionele nummer op de plaat. Op “Caperuzo El triple tipi” doet Alvarez’ gitaar denken aan die van Marc Ribot. Maar we spreken hier wel niet over een liedje, dit zijn puur geluiden. “Quiero plata (hula)” begint veelbelovend met een zware Stranglers bas maar vervalt terug in een mix van geluidseffecten en gestoorde keyboards. “Lgbtrago y más trago” is het beste nummer op de plaat. Het begint met een mooie dub op gitaar en een bas die rustig verder meandert zonder storende geluidseffecten. En helemaal op het einde terwijl dit slotnummer al beëindigd werd zit een Colombiaanse variant op de reggaeton verborgen; “Campesino Loco” spreekt me veel meer aan dat al het voorgaande op deze plaat. Ongetwijfeld een interessant en boeiend optreden, maar minder geschikt om zo maar op een CD te zetten. Al zijn er ongetwijfeld liefhebbers voor deze gemuteerde en verwrongen muziek. Sin duda era un concierto muy interesante para los espectadores presente. Pero la magia del concierto no funciona en el disco. Solamente para aficionados de música distortionada.
Peter Desmet (2)
_Neen, beste muziekadepten dit is niet de titel van een stripverhaal, hoewel de hoes van dit Cd’tje daar wel iets van weg heeft. Frente Cumbia is één van de toonaangevende cumbiagroepen van Colombia. Cumbia is de slepend, ietwat klagerige sensuele muziek waar klarinet en blazers de hoofdtoon voeren. In de vallenato-muziek voert de accordeon dan weer het hoge woord. In Latijns – Amerika domineerde in de jaren ’70 de salsamuziek het hele continent en zelfs daarbuiten (Afrika o.a. Congo en Japan). Salsa was wel een overduidelijk Latijns – Amerikaans genre, maar het ontstond wel in New York aan het einde van de jaren ’60. In de jaren ’80 voerde de frenetische Dominikaanse merenguedansmuziek de boventoon in heel Latijns – Amerika. Ook Europa ging over stag maar eigenlijk enkel voor een aantal acts zoals Wilfredo Vargas, de sexy en kleurrijke Chicas del Can en vooral voor de beste merenguero aller tijden Juan Luis Guerra. En halverwege de jaren ’90 stond de cumbia plots overal vooraan, tot in het zuiden van Latijns – Amerika in Chili en Argentinië toe. In sommige streken ontstond dan ook een plaatselijke variant zoals in de Andeslanden (Peru, Bolivia en Ecuador) waar de techno-cumbia werd geboren. De cumbia zelf werd een jaar of vijf geleden afgelost door de reggaeton die nog steeds de plak zwaait in Latijns – Amerika en ver daarbuiten. Maar we hebben het hier wel degelijk over de enige, echte originele cumbia uit Colombia. Deze plaat zag het licht in het kader van een cultureel incubatorproject van de British Council waarbij een kruisbestuiving van verschillende muzikale genres tot stand gebracht wordt. In dit geval een samen gaan van cumbia en dub. The Mad Professor is immers één van de bekendste producers uit het dubgebeuren. Hij werkte o.a. samen met Lee ‘Scratch’ Perry, Sly & Robbie, Horace Andy maar ook niet-reggae acts zoals Massive Attack en The Orb. In 2009 werd een driedaagse opnamesessie georganiseerd aan de Javeriana-universiteit van de Colombiaanse hoofdstad waaraan ook Mad Professors zoon Joe Ariwa aan deelnam. De CD trapt af met het heerlijk ontspannen en swingende ‘Chucusteady’ gecomponeerd door Mario Galeano Toro, de bassist van het Frente Cumbia. Blazers en klarinet spelen prachtig op elkaar in met een discrete reggaebeat als leidraad. Het vinnige uptempo ‘Bestiales 77’ is een zogenaamde collectieve compositie van Frente Cumbia, the Mad Professor en Joe Ariwa. Dit is swingende cumbia maar het opgevoerde tempo laat ook wat aan (Dominikaanse) merengue denken. ‘Ariwacumbé’ start op een zwoele, mysterieuze manier, die fantastische accordeon toch om uit te monden in cumbia/hip hop rap gelardeerd met inventief gitaarwerk, frisse percussie en overtuigende vocals. ‘La Bocachico’ doet door de zwierige instrumenten tegelijkertijd aan Arabische of Balkan-muziek denken. ‘Gaita del Profesor Loco’, de gaita van de gekke professor is een eerbetoon aan the Mad Professor, geschreven door Galeano Toro. Hier horen we snedige en zwierige cumbia met wervelende klarinet en percussie. ‘Cumbietíope’ is minder snel maar klinkt even aanstekelijk. Maar het eerste echte prijsbeest van deze plaat is ‘Analógico’ dat we het best kunnen omschrijven als een mestizo-bewerking met cumbia en reggae-invloeden waar alles bijeenkomt: een lazy beat, aanstekelijk rap en zang, electronica enz. Zonder meer een geslaagd nummer. De eerste 6 nummers van de plaat situeren zich dus duidelijk in het cumbia domein. Van vijf van diezelfde composities en twee nieuwe nummers werd dan een dubversie gefabriceerd. En in die dubversies wordt meer van de cumbia-instrumentatie afgestapt ten voordele van percussie, hoewel de klarinetten, accordeon en blazers dan weer bij vlagen hard komen opzetten zoals bij ‘Bestiales 77’. De dubversies mogen er in elk geval ook zijn. Ook in dub blijft ‘Analógico’ moeiteloos overeind als het beste nummer op deze plaat. En ‘Ariwacumbé Shaunvox’ is ook een schitterend reggae-cumbia nummer dat moeilijk bij het één of het andere genre in te delen is en dat volgens mij op de radiogolven voor grote gensters kan zorgen. Prachtig initiatief met een schitterend resultaat!
The result of this meeting between dub and cumbia is quite interesting and gives us a wonderfull music. Let’s hope we get other similar initiatives. El encuentro entre la cumbia y la música dub abre un mundo musical muy nuevo. Ojálà que se hace más de estos viajes musicales exploradoras.
Peter Desmet (4)
Zonnig eerbetoon aan Mongo Santamaria. Mongo Santamaria was een bekende Latijns-Amerikaanse artiest in de jaren zeventig. Mongorama is een nieuwe negenkoppige band, die verse arrangementen van zijn vroegere werk uitbrengt. Die werden aangevuld met enkele originele composities die door zijn werk geïnspireerd werden. De band is een Latin jazzensemble, samengesteld door KJazz radiopersoonlijkheid José Rizo die de charanga jazz uit de jaren vijftig en begin jaren zestig verkent. Conga legende Mongo zelf bracht een Latin jazz sound die gedreven werd door Cubaanse charanga ritmes en traditionele old school jazz. Mongorama pakt dit gegeven op een moderne manier aan, die zowel de dansers als hippe jazzfans zal aanspreken. Tussen de muzikanten zitten artiesten die al Grammy Awards gewonnen hebben. Daarbij zijn Hubert Laws op fluit, Poncho Sanchez op conga’s, Freddie Crespo en Destani Wolf (zang) speciale gasten. De acht echte Mongo tracks zijn ‘Bacoso’, ‘Las Guajiras’, ‘Bluchanga’, ‘Palo Mayombe’, ‘Siempre En Ti’, ‘Que Maravilloso’, ‘Cruzan’ en ‘Guajira at the Blackhawk’. ‘No Molestes Mas’ komt van een oud album van Ray Barretto, en het idee achter ‘Tin Marin kwam van een oud Cachao album. De twee overblijvende gezongen songs: ‘Asi Es La Vida’ en ‘Bubba Boogaloo’ zijn originele tunes. Ze klinken allemaal vers, spontaan en modern.
Mongorama, you sound very modern, fresh and spontaneous. I like your tribute to Mongo Santamaria. The music brings sunshine to my rainy country of Belgium! This is Latin jazz at it’s best.
Patrick Van de Wiele (3 tot 4)
Deze Braziliaanse band uit Sâo Paulo met de ongebruikelijke naam Garotas Suecac ‘Zweedse Meisjes’ bestaat sinds 2005. In 2008 brachten ze een EP uit ‘Dinossauros’, dat was trouwens ook het jaar dat ze in Brazilië een MTV-talentenjacht wonnen en vorig jaar zag de eerste volledige plaat het licht. Brazilië en vooral dan Sâo Paulo, de economische hoofdstad van dit onmetelijk groot land, is een culturele smeltkroes en dat is duidelijk aan de muziek van deze Garotas Suecas te merken. Brazilië is niet alleen bossa nova, foró en/of andere dansmuziek. Het land heeft ook een punkrock-scène (tot hardcore toe) en een uitgebreid rockcircuit. Het is hier dat we Garotas Suecas dienen te situeren, hoewel de factor dansbaarheid nooit ver weg is. Opener ‘Tudo Bem’ (alles goed) schiet swingend uit de startblokken, niet in het minst vanwege het typische geluid van een losgeslagen Farfisa-orgeltje. Als luisteraar valt meteen de geweldige stem van zanger Guilherme Saldanha op in dit nummer dat laveert tussen funk en soul en ja ook de achtergrondvocalen zitten helemaal snor. ‘Banho de Bucha’ is even aanstekelijk maar een beetje minder onstuimig en veel subtieler. Vooral de puike vocalen en het fijne drumwerk eisen de volle aandacht op. De groep is na 5 jaar duidelijk op elkaar ingespeeld en dat komt de muziek op deze plaat alleen maar ten goede. ’Ela’ (zij) is meer akoestisch getint, dank zij het niet-elektrische gitaarwerk met een mooi samenspel tussen vocalen, drums, percussie en orgel. In de 2e helft van deze compositie worden alle remmen los gegooid. Echt heel mooi. Ondanks het feit dat het hier om op en top Braziliaanse musici gaat, klinkt de muziek op een onverklaarbare wijze toch tegelijkertijd erg vertrouwd in de oren. ‘Nâo se perca por Aí’ is een vrolijk huppeled nummer dat de diepgang van de eerste drie composities mist, maar daarom niet getreurd. ‘Você Nâo e Tudo Isso Meu Bem’ is een mooi opgebouwd liedje met leuke gitaartjes en dito orgel en wederom krachtige en overtuigende vocalen van voorzanger Guilherme. Neen, dit vijftal heeft echt wel een mooie toekomst voor zich als ze dit soort hoogstaand materiaal blijven afleveren. Ook positief is dat alle groepsleden mee de composities schrijven. Da’s zeker een pluspunt die maakt dat de groep niet snel zonder creatieve adem gaat vallen. ‘Mercado Roque Santeiro’ swingt vrolijk de pan uit. Het lijkt wel een combinatie van een dansnummer (die blazers) en de soundtrack van een guitig kinderprogramma op televisie (de vocalen) met enkele jazzaccenten op het einde. ‘Ninguem Mandou’ begint funky en groeit uit tot een flink dansbaar nummer. ‘Alma’ zet aan als een bastaardblues met punky vocalen en weer komt de funk achter het hoekje loeren; een bijzonder geslaagde combinatie. Wat op deze eerste volwaardige plaat vooral opvalt is dat de groep nergens in herhaling valt en dat ze hun best gedaan hebben om zo veel mogelijk muzikale horizonten te verkennen. In de Braziliaanse muziekpers worden er vooral vergelijkingen gemaakt met de groten uit de jaren ’60 Os Mutantes, Gilberto Gil en Caetano Veloso. Dat zijn terechte referenties maar de ongelooflijk funky en frisse stijl van de Garotas Suecas is onmiskenbaar het resultaat van de huidige, moderne Braziliaanse muziek anno 2011. In ‘Olhos da Cara’ krijgt Irina Bertolucci’s orgeltje terug een hoofdrol toegemeten. Toch één van de minste composities omdat er te veel muziekstijlen door elkaar gemengd worden. Er wordt voortreffelijk afgesloten met een Braziliaanse blues ‘Sunday Night Blues’ waarin vooral de stemmen exceleren, o.a. die van de achtergrondzangeressen Bia Mentone en Luiza Lian.
This Garotas Suecas are definitively an important asset for the future of Brazilian pop and rock. I am sure they will have quite a long and succesfull musical career.
Peter Desmet (4)
Zelden was een titel van een plaat zo goed gekozen. In de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw was de Cubaanse hoofdstad Havana inderdaad “The Place to Be” voor vertier allerhande. De Amerikaanse maffia had er een serieuze voet in huis en Cuba ligt natuurlijk maar een boogscheut van het Amerikaanse vasteland. Allemaal elementen die in het voordeel speelden van de party-plaats Havana. Ook muzikaal was Cuba meer dan de moeite waard. Je kan gerust stellen dat in de periode van de jaren ’40 en ’50 de stevige fundamenten gelegd werden van een aantal Latino-muziekgenres die heden ten dage nog steeds floreren. Het uitgangspunt van deze CD is de relatie tussen Spanje en Cuba op muzikaal vlak. Dat lijkt misschien een beetje ver gezocht. Maar het levert een interessante dubbel-CD op. Je kan je afvragen waar en hoe men al dit materiaal van 60-70 jaar geleden zo maar terug heeft gevonden. Alle materiaal op deze dubbel-CD is afkomstig uit de archieven van een aantal radiostations: Radio Cadena Suaritos en RHC Cadena Azul. De eerste zender had zelfs de piepjonge Celia Cruz in hun radio-orkest (Orquesta Suaritos). Nergens ter wereld zijn zovele opnames uit het verleden in goede staat bewaard gebleven. Alle muziekliefhebbers kunnen er maar goed mee zijn. In de periode waar we het nu over hebben was Cuba al meer dan 40 jaar geen kolonie meer van Spanje. Toch waren de culturele banden nog erg sterk. Spaanse muziek was nog altijd populair. Maar toch tanende en dat blijkt ook uit deze twee platen. Op de eerste CD worden Spaanse populaire liedjes door Cubaanse artiesten vertolkt. Op de tweede CD staan opnamen van Spaanse artiesten actief in Havana. In alle eerlijkheid: de eerste plaat is veel overtuigender dan de tweede. Want hoewel de Cubaanse artiesten geen eigen nummers, maar Spaanse standards interpreteren, zetten ze die standards volledig naar hun hand. En dat geldt echt voor alle Cubaanse vertolkingen. Het zijn ook niet van de minsten die hier verzameld worden en ook al waren de meesten van hen piepjong, de kwaliteit droop er al van af. We hebben het dan over Celia Cruz, Tito Gómez met het Riverside Orchestra, Orquesta Aragón, Celeste Mendoza en Omara Portuondo (die nog steeds zingt !!). Al bij al allemaal namen als een klok die decennia lang aan de top van de Cubaanse muziek gestaan hebben waar het vechten was op overleven om dat plaatsje te behouden. Op de CD van de Spaanse vertolkers merk je veel minder swing en enkel Niño de Utrera (flamencovertolker uit Sevilla) en Lola Flores brak later internationaal door; niet alleen als zangeres maar vooral als actrice. We kunnen moeilijk apart quoteren voor een dubbel-cd maar de Cubaanse vertolkingen verdienen 4 sterren en de Spaanse vertolkingen twee sterren. Het eindverdict luidt drie sterren.
Este disco doble deja concoer al oyente el puro genio de la música Cubana que poco después no solamente va conquistar el continente Latino Americano pero también el mundo. Comparando el disco cubanio y el disco española destaca la fluidez y el manejo de los instrumentos de los cubanos. A gozar !
Peter Desmet (3)
|