1958 was het jaar dat Paul Revere (Paul Revere Dick, en toen eigenaar van enkele restaurants) zijn Raiders gestalte gaf. Dat verhaal speelde zich af in misschien wel de meest vervelende staat van de USA, Idaho, meer bepaald in Boise. Het was enkele jaren wachten, tot in 1961, dat we op muzikaal vlak een eerste kennismaking kregen met de single ‘Like Long Hair’. Garagerock van het zuiverste goud, dat wel maar waren de heren commercieel bezig of niet? Twee jaar later, in 1965, volgden nog twee singeltjes ‘Steppin’ Out’ en ‘Just Like Me’ maar hun geldbeugel werd hier niet vetter van. Wat ze het jaar daarop presteerden, ik weet niet of iemand dat hen ooit heeft nagedoen maar in 1966 volgen drie studiolangspelers: ‘Just Like Us’, ‘Midnight Ride’ en ‘The Spirit of ‘67’. Het grote succes bleef uit totdat ze in 1971 wel serieus worden gespot met hun versie van J.D. Loudermilk’s ‘Indian Reservation (The Lament of the Cherokee Reservation Indian)’. Dus het geld stroomde binnen… dat dacht je misschien en sindsdien ging het met Paul Revere & The Raiders bergafwaarts en in 1975 besloot CBS om de band uit hun rangen te zetten. Een goede reden voor Mark Linsday, de zanger van de band, om er het bijltje bij neer te leggen en zo gezegd zo gedaan. Lindsay maakt nog wat soloplaten, werk voor televisie maar grote momenten zijn er niet meer geweest. 2013 is een jaar dat we niet snel zullen vergeten want Mark Linsday is terug van weggeweest en releast hier een knap album met eigenlijk meer poppy songs dan echte garagerock. Oorspronkelijk was het de bedoeling om maar dertien nummers op deze schijfje te zetten maar Lindsay was zo vriendelijk om er een extra track op te zetten en wat voor een. In de studio werd Mark bijgestaan door o.m. Gar Francis (gitaar – The Rockids, Sticky Fingers en The Doughboys), Mike Caruso (bas - The Doughboys), Richard X. Heyman (drums – The Doughboys), Kurt Reil (drums – Grip Weeds), Mike McGinnis (sax – Between Green) en niemand minder dan Steven van Zandt als backing vocals. Het resultaat: een langspeler vol knappe, zeg maar schitterende melodietjes die je niet snel zult vergeten. Al meteen van bij de opener, ‘Baby Come Back’, die door zeer knap gitaarwerk van Gar Francis wordt opgesmeerd, mogen we meteen spreken van een eerste hoogtepunt. En dan vraagt u zich af, komen er nog meer sterke momenten? Wat dacht u van het opdwepende ‘Easy Street’ waarmee we even terug de tijd induikelen en de gitaar weer voor de nodige nostalgie zorgt. Tot hiertoe hebben we een stemvaste Mark Lindsay gehoord maar dat is niet van toepassing op ‘Rainy Day Children’, hier moeten we helaas vaststellen dat er na al die jaren ietwat aan zijn stem schort bij sommige ritmes. Op ‘Ghost Of A Girl’ wordt er weer stevig weggerockt, zijn stem is zoals vanouds en zo belanden we bij de eerste single van deze nieuwe langspeler ‘Like Nothing That You’ve Seen’ waarop Steven van Zandt de backing vocals waarneemt. Hopelijk krijgt het nummer veel airplay want het is een nummer met hitpotentieel. Op ‘Let’s Fly Away’ laat Gar Francis zijn gitaar ronken zoals we die slagakkoorden nog kennen van een MC5. Nog knappe tunes zijn zeker ‘Don’t Stop’ en ‘Rush On You’ dat een tikkeltje ‘Jean Genie’ van Bowie in zich heeft. Een ander hoogtepunt is zonder meer ‘Show Me The Love’ en daar mogen we het luchtige ‘Poco Loco Crazy’, dat een beetje aan The Jeils Band doet terugdenken, aan toevoegen. Zoals we reeds in het begin vertelden krijgen we een extra nummer van Mark Linsday en als je nu houdt van een lekkere popdeun dan zal ‘Merry Go Round (Christian’s Song)’ u zeker aanspreken. Back to the Sixties, dat is zeker en geloof me, deze song behoort bij de betere op dit album. Gelukkig heeft Linsday zijn eigen huidige zangkwaliteit tijdig weten te waarderen. Samengevat krijgen we hier een vrij sterk én nieuw album want het was tien jaar geleden dat we nog iets van Lindsay vernamen. Mark Lindsay bewijst met deze ‘Life Out Loud’ dat hij na al die jaren er alleen maar beter is op geworden. Misschien wel het meest interessantste werk sinds zijn hoogdagen bij Paul Revere and The Raiders.
Alfons Maes (4) Mark Lindsay proves with this 'Life Out Loud' that time didn't get a grab on him because he sounds much better than we even could imagine. Perhaps his most interesting work since his heydays with Paul Revere and The Raiders.
Andrew werd geboren in het kleine dorpje Defiance in Ohio. Zijn muzikale voorkeur is pop en hij houdt niks achter over zijn kindertijd, relaties enz. Dat allemaal zet hij om in catchy melodieën, beats die je mee volgt, lyrische thema’s van lijden, liefde, angst en verwondering. Met al deze elementen bekomt hij iets nieuws, wat je nog nooit gehoord hebt. Hij brengt zijn songs vanachter een piano en schrijft vanuit zijn hart. Maar vergis je niet, hij heeft meer dan 1.000 songs in zijn repertoire, en dat allemaal sedert zijn debuut EP ‘Make Believe’. Op zijn nieuwste cd opent ‘Let’s Go Somewhere’, dat gaat over een eigen thuis, maar toch met een gevoel voor avontuur erin. ‘Sleepwalker’s Dream’ is ook één van de beter songs. Single ‘Give Me A Reason’ drijft op een goed ritme, en gaat over uiteen gaan. Andrew zegt zelf: “I slave over lyrics. They have to say what I was feeling and perhaps in a way no other artist has voiced. I have a lot of songs that are still “cooking”. Unlike the last record, I feel as if the songs on the new record are cooked to perfection lyrically speaking. If people can dance to these, great…if they can cry to them, wonderful…but if I can make people think and help them to be inspired? That’s precisely what I’m going for.” Een niet onaardige kennismaking.
Patrick Van de Wiele (3½) Adult contemporary pop, much like Phillip Phillips and Kelly Clarkson.
Vermoedelijk is Liam Gallagher het kotsbeu dat élke Beady Eye-recensie een verwijzing naar zijn voormalige groep bevat. Geef de man eens ongelijk. Aldus wordt deze plaat op eigen verdienste besproken, zonder knipoogjes naar broedertwisten of eerdere opnames. Elke nieuwe artiest ("nieuw" is hier uiteraard relatief) met potentieel levert een beloftevol (soms uitstekend) debuut af, gevolgd door "de moeilijke tweede" (een term waarmee vaak wordt gegoocheld in muzikantenmiddens). Veel groepen splitten daarna OF overleven en leveren dan het derde album, "de bevestiging", af. Op elke regel zijn uitzonderingen: was Adele bij haar debuut nog een aardig zangeresje, kan haar tweede plaat bezwaarlijk "moeilijk" worden genoemd: het werd een eclatant succes dat de verkoopscijfers van het debuut meer dan 10x overtrof. “Beady Eye", dus. Hun eerste plaat is me onbekend, maar zou "aardig" zijn. Elke recensent moet een open oog, euh, geest houden. De titel “BE” (met mooie coverfoto) doet vermoeden dat Gallagher en de zijnen openlijk hun liefde voor ons landje bekennen, want “.be” is het zogenaamde “topleveldomein” voor België. Maar waarschijnlijk zijn het gewoon de initialen van de groepsnaam. Opener ‘Flick of the Finger’ begint als Bowies ‘Let’s Dance’, om daarna een eigen gezicht te vinden. ‘Soul Love’ herhaalt het mantra “It’s all for you” iets te vaak om nog prettig te klinken, al zijn de dreigende (instrumentale) spookklanken tijdens de laatste minuut dan weer wel de moeite waard. ‘Iz Rite’ en ‘The World’s Not Set In Stone’ zijn hoogtepunten, zeer Britpoppig. Vleugje Kinks, beetje Beatles, volledig geslaagd. Ook ‘Shine A Light’ (toevallig of niet ook de naam van een Stonesnummer) mag zonder herexamens naar het volgende jaar. Beady Eye is vermoedelijk niet van plan om de muziekgeschiedenis grondig te veranderen, maar vervelen doen ze ook niet. Ongevaarlijke, gezellige Engelse pop/rock met iets te zelden een scherp kantje.
Julian De Backer (3) Poor Liam Gallagher must be tired of all the Beady Eye articles and reviews mentioning his previous supergroup. Every band should be judged on its own merits. As it is, “BE” (most likely not the top level domain for Belgium, but rather the band’s initials) features very good, British pop songs - such as ‘Iz Rite’, ‘The World’s Not Set In Stone’. Beady Eye are not about to change the musical landscape or history, but they never bore. File under “Cosy, enjoyable English pop/rock music”.
Een tweede compilatie van allerlei leuke Gene Pitney songs, al dan niet zelf geschreven, is deze cd waarop we weer tal van schitterende songs terugvinden. Als kickoff krijgen we het prachtige Bacharah/David nummer ‘Twenty-Four Hours From Tulsa’, een song over verliefd worden op een net ontmoette vrouw. Het klassieke instrumentaaltje ‘Autumn Leaves krijgt nu wel een bijzondering bewerking en de leuke tekst is hier goed meegenomen. Maar u zult ongetwijfeld ook nog de prachtige ballade ‘Answer Me, My Love’ nog kennen. Nat King Cole had er een grote hit mee (zijn versie is te horen in de gelijknamige film met Joan Crawford in de hoofdrol) in 1954 maar ook anderen waaronder Frankie Laine (die voor de religieuze versie koos) en David Whitfield maakten zich de song eigen. Meer bij ons plaatste Joni Mitchell het op haar ‘Both Sides Now’. Zelfs grootmeester Dylan vertolkte (hij nam het nooit op) het nummer ergens begin jaren negentig. Eigenlijk was dit een Duits nummer (‘Mütterlein’) van Gerhard Winkler en Fred Rauch. Nog andere klassiekers krijgen we in de vorm van ‘Maybe You’ll There’ en ‘Yesterday’s Hero’. Op ‘Meets The Fair Young Ladies Of Folkland’ springen meteen enkele knappe songs uit de duisternis, nl. het hartverwarmende ‘Laurie’ en die andere warme ballade ‘Carrie’. We horen in feite een ietwat andere Gene Pitney. Maar we zijn zeker nog niet uitgeteld met de intimistische nummers want ‘Melissa And Me’, ‘Song Of Lorena’ en ‘Oh Annie Oh’ mogen in dit rijtje aansluiten. Als extra track krijgen we een herneming van het Jagger-Richards-nummer ‘That Girl Belongs To Yesterday’ en waarschijnlijk doelden Mick en Keith met deze song op niemand minder dan Marianne Faithfull. Tweede leuk luik uit een hommage aan de Amerikaanse zanger Gene Pitney. Leuke aanvulling op de cd ‘I’m Gonna Be Strong/Looking Thru The Eyes Of Love’.
Alfons Maes (4) As extra track we get a reprise of the Jagger-Richards song 'That Girl Belongs To Yesterday’ and probably they were referring with their song ‘My Only Girl’ Marianne Faithfull. Nice second cd of the work of American singer Gene Pitney. Nice addition to the album 'I'm Gonna Be Strong / Looking Through The Eyes Of Love'.
Gene Pitney is ontegensprekelijk een van de succesrijkste Amerikaanse artiesten uit de jaren zestig. Maar hij was niet alleen zanger, hij was ook een getalenteerd singer-songwriter en muziekingenieur in diverse studio’s. Reeds eind jaren vijftig scoorde hij al met zijn zelf geschreven nummer ‘Jamie & Jane’. In zijn thuisland scoorde hij nog enkele andere hits maar hier in Europa was daar weinig van te merken. The Crystals, Vikki Carr en Elkie Brooks maakten dankbaar gebruik van zijn song ‘He’s A Rebel’ waarmee deze dames goed wisten te scoren. Roy Orbison kreeg van hem ‘Today’s Teardrops’ toegeschoven terwijl Ricky Nelson zijn geldbeugel gespekt werd door ‘Hello Mary Lou’ en Bobby Vee werd ook wat beter van ‘Rubbel Ball’. Dimitri Tiomkin en Ned Washington schreven de titelsong voor de film ‘Town Without Pity’. Pitney zong dit nummer in en de Golden Globe werd hiermee binnengerijfd. In 1962 werd hem gevraagd om de titelsong van de western ‘The Man Who Shot Liberty Valens’ in te zingen en dit is nog steeds een grote klassieker. Maar hier in Europa kennen we Pitney eigenlijk van songs als het prachtige ‘It Hurt To Be In Love’. Zelfs Pitney stond niet schuw tegenover het werk van Jagger-Richards en zij presenteerden hem een van hun songs. Het liedje, met als werktitel ‘My Only Girl’, was op dat moment niet helemaal afgewerkt en Pitney begon er eea ander aan te veranderen en bedacht dan ook de finale titel ‘That Girl Belongs To Yesterday’. Hij had daarmee een Top Tien hit in het Verenigd Koninkrijk en de eerste compositie van dit duo dat in de UK in de Top Tien terechtkwam. Toch weer eens wat anders om dit nummer nu van iemand anders te horen. Maar dit was niet echt de grote doorbraak voor Pitney in Europa of meer bepaald hier ter lande. Dat deed hij wel met het Randy Newman nummer ‘Just One Smile’ en met het van Doc Pomus/Mort Shuman geleende ‘One Day’. Maar een onvergetelijke hit kwam van het duo Barry Mann en Cynthia Weil, ‘Looking Thru The Eyes Of Love’ en hiermee mochten we stellen dat Gene nu ook een plaats in Europa had veroverd. Buiten al zijn hits die op deze verzamelaar werden samengebracht krijgen we ook nog andere prachtige dingen te horen. En dan denken we hierbij aan ‘I’m Gonna Be Strong’, nog een Mann/Weil compositie, ‘Walk’, en het wat huppelende ‘Lips Are Redder On You’. Gene Pitney heeft ons reeds op 5 april 2006 verlaten maar we zullen de brave man altijd blijven herinneren aan die vele tijdloze nummers die hij zelf schreef voor anderen of die hij van collega’s leende en daarmee in de hitlijsten terechtkwam. Dit is tijdloze muziek gebracht door een man die het predicaat pretentieloze singer-songwriter mag opkleven.
Alfons Maes (4) Gene Pitney has already left us on April 5, 2006 but we will always remember the good man for the many timeless songs he wrote for others or the ones he borrowed from colleagues and they turned out to be a hit for him. This is timeless music brought by a man who knew how to compose a smash hit.
John Fogerty heeft tijdens zijn passage bij CCR en als soloartiest enkele oerklassiekers geschreven. Zelfs nu als soloartiest trekt hij nog steeds de wereld rond en dat leidt tot uitverkochte zalen. Daarmee bewijst hij voor de zoveelste keer dat hij geen eendagsvlieg is. Nu met deze nieuwe release grasduint hij gretig in zijn eigen backcatalogus. We krijgen nieuwe versies te horen van enkele grote hits van destijds maar ook enkele andere minder bekende nummers krijgen een nieuw jasje aangemeten. En meer, hij haalt er nu enkele zeer bekende collega’s bij. Met de Foo Fighters krijgen we een versie van ‘Fortunate Son’ die ergens een beetje dreigt over te hellen naar lichte metal. ‘Almost Saturday Night’, een nummer uit de periode dat The Blue Ridge Rangers het niet meer zagen zitten en uit elkaar gingen, krijgt nu als extra vocalist Keith Urban die ook nog de leuke banjo intro speelt. Pappa John en zonen Shane en Tyler staan in voor de gitaarriffs in ‘Lodi’ dat nu toch ietwat anders klinkt. Alsof het een niet-afgewerkte demoversie betreft, zo kunnen we deze song het best omschrijven. Het woord Lodi komt van een van zijn obligate reisjes naar Northern Californië, trips die hij als jonge gast met zijn ouders maakte. ‘Mystic Highway’ ontstond een goede dertig jaar geleden en dit is het enigste nummer waarop hij geen extra gast introduceert. Dankzij zijn vrouw, die er in 1969 even onderuit wou, kwam dit nummer tot stand. De steel gitaar komt op het voorplan maar het zijn vooral Miranda Lambert en Tom Morello die hier als gastvocalisten voor een meerwaarde zorgen. Of je ‘Bad Moon Rising’ in deze versie, met de Zac Brown Band’, nog even aantrekkelijk vindt als het origineel, dat moet je als luisteraar voor jezelf uitmaken. Het nummer verschuift van een backporch song naar een meer honky tonk charmerend nummer waarop de bluesharp ook zijn deel krijgt. Verder krijgen we nog andere CCR-klassiekers als ‘Long As I Can See The Light (met My Morning Jacket), zijn meesterwerk ‘Born On The Bayou’ met Kid Rock, ‘Who’ll Stop The Rain’ waarin country legende Bob Seger enkele toonladders komt meezingen maar het was vooral uitkijken naar de klassieker der klassiekers ‘Proud Mary’. Het nummer transformeert van een CCR-versie naar de Ike and Tina Turner aanpak: zeer langzaam beginnen om zo een climax te bereiken. Jennifer Hudson, Allen Toussaint en de Rebirth Brass Band mochten hier de boel komen opvrolijken en dat doen ze ook met het nodige flegma. Maar met de inbreng van deze gasten had ik toch wel iets meer van dit nummer verwacht. Een totaal andere aanpak had misschien een positievere uitdraai gekend. In feite klinken veel van deze nummers helderder. Fogerty's dictie is zeker verbeterd met de jaren. Zijn stemgeluid, gemarineerd in een Zuiders Californisch accent, is nog steeds na al die jaren intact. Het is vooral duidelijk hoorbaar op ‘Lodi’, ‘Who’ll Stop The Rain’ en enkele andere grote CCR-klassiekers van weleer. Als er iets is dat we van deze cd kunnen leren dan is het wel de manier van hoe componisten hun eigen werk benaderen en er mee omspringen net als een kunstenaar die telkens hier en daar nog een laatste verbetering aan zijn eindwerk toevoegd. Zeker geen slechte benadering van ‘oude’ klassiekers die nu misschien een nieuwe doelgroep zullen aanspreken. De cd zelf werd nu voorzien van een afbeelding van een van zijn overbekende houthakkershemdjes.
Alfons Maes (4)
Dit is het titelloze minialbum van het nieuwe muzikale project rond enigmatisch popicoon en spilfiguur Frank Ermgodts. Het is een uitgepuurde collectie geworden van authentieke, gekristalliseerde en introspectieve popsongs “pur sang”. Of zoals Frank het zelf stelt: “Intimistisch met af en toe een vleugje jazz en country”. Ermgodts kwam Patrick Nicasy tegen, een oude vriend, en de twee besloten om hun onafgewerkte songs eindelijk eens onder handen te nemen. Verder belanden Wout Bergmans (keyboards), Geert Mariën (drums), Bart Oop (gitaar) en Geert Schuurmans (Bas) in de line-up. Met de hulp van arrangeur en producer Andries Boone vielen de puzzelstukjes op hun plaats. Zes nummers staan op deze EP, met ‘At The Blue Stone’ als opener. Een “desert song” met referenties naar Ry Cooder. Dan komt de single ‘Call It A Day’, die op www.cdbaby.com staat. Dit is de meest opgewekte tune die erop staat. ‘One Thing On My Mind’ heeft wat jazzy invloeden. De cd werd live opgenomen in de oude dorpspastorie van het Kempische Meerhout, dat al geruime tijd dienst doet als kunstencentrum Tarmac. Voor dit evenement werd het omgetoverd tot een opnamestudio. De muziek is zoals de groep het zelf verwoordt: Een pril scheutje Americana uitgeplant in Kempische potgrond en uitgegroeid tot een streekgebonden noestige variant: Kempicana. Patrick Van de Wiele (3)
Paul Anka is ook geen onbekende meer op de hedendaagse muziekscène. Sinds de jaren vijftig is hij een succesrijk performer, songwriter, zanger en door de jaren heen heeft hij zichzelf steeds weten te herontdekken. Al in 1957 wist Paul te scoren met het nog steeds tijdloze ‘Diana’ dat het jaar daarop werd gevolgd door ‘Crazy Love’ en enkele maanden later een staartje kreeg met ‘Lonely Boy’. De Fransen Gilles Thibault en Jacques Revaux componeerden ‘For Me’ wat nadien door Claude François wordt opgepikt die het nummer ‘Comme d’habitude’ doopt. Frank Sinatra zong het de vergetelheid in, Paul Anka leverde de Engelse tekst. Nog steeds een veel gedraaid nummer wereldwijd. In 2008 maakte Paul Anka nog een stop in België en was toen de headliner op Rimpelrock. Met ‘Duets’ krijgen we een mooie compilatie Paul Anka songs die hij deelt met andere vocalisten en muzikanten waaronder Peter Cetera van Chicago. Maar op deze cd zitten twee songs die tot stand kwamen door enkele studiotruukjes, nl. ‘This Is It’ met Michael Jackson en ‘My Way’ met Frank Sinatra, twee vocalisten die reeds lange tijd overleden waren voordat Anka die album kon maken. Op ‘Duets’ krijgt de Michael Jackson solo demo helaas een tè sterke makeover en de tè drukke productie dreigt de schoonheid van deze song te verdoezelen. Om te openen krijgen we het ‘Walk A Fine Line’, dat Paul samen met Michael McDonald (Doobie Brothers) schreef. McDonald staat Anka vocaal bij terwijl George Benson voor de knappe gitaarpartij zorgt. Schitterend eerste hoogtepunt. Met ‘Do I Love You (Yes In Every Way)’, ook een nieuwe song van Anka, komt Madame Dolly Parton op het voorplan. Dolly kwijt zich echter uitstekend van deze taak en in ‘I Really Miss You’ krijgt Paul bezoek van Leon Russell. Nog meer leuke duetten knallen uit onze luidsprekers: ‘Pennies from Heaven’, het jazzy nummer dat hij deelt met Michael Bublè terwijl op ‘Crazy’ van Willie Nelson Paul even de gastzanger wordt. Met zijn landgenote Celine Dion deelt Anka ‘It’s Hard To Say Goodbye’. Het Tom Jones nummer ‘She’s A Lady’ krijgt hier ook een serieuze makover maar Tom lijkt zich daar niet aan te storen want Anka is nog steeds de componist van dit nummer. Weer ziet Tom Jones de nodige dollartekens al voor zich. Als laatste nummer krijgen we uiteraard ‘My Way’ en hoe kon deze cd beter afgesloten worden? ‘Duets’ is een voortreffelijke compilatie, een cd die voor velen toch de drempel der twijfel zal doen overschrijden want de duetten werden met de grootste zorg ingeblikt. Er werd gewerkt met vocalisten uit diverse decennia en net dat maakt het (weer) interessant zodat een grotere doelgroep zal aangesproken worden. “Yes, Paul, you did it again your way…”
Alfons Maes (4½)
Brian Connolly was de vocalist van de toch echt succesvolle formatie The Sweet. Je kent ze nog wel want het viertal reeg begin jaren zeventig de hits aan elkaar in de gloriedagen van de glamrock. Op deze verzamelaar staan vijftien nummers opgenomen met Brian Connolly, de originele leadvocalist dus van de band. De eerste tien nummers komen uit de hoogdagen van The Sweet en werden in 1995 heropgenomen door Brian Connolly's Sweet: 'Little Willie', 'Wig Wam Bam', 'Block Buster', 'Hellraiser', 'Ballroom Blitz', 'Teenage Rampage', 'Fox On The Run', 'Action', 'Burn On the Flame' en 'Love Is Like Oxygen'. Helaas kan geen van deze versies tippen aan de originele versies. Ook drie nieuwe nummers werden toen opgenomen: 'Let's Go', 'Do It Again' en 'Wait 'Till The Morning Comes'. Helaas zijn ook deze drie nummers enkel voer voor de 'die-hard' fans. Rest dus nog de twee laatste nummers: 'The Six Teens' en 'Turn It Down', beiden live opgenomen in 1976 in Denemarken. En oei wat is me dat, die opnames hadden ze beter diep in een kelder bewaard. Het geluid is niet om over te spreken en ook vocaal is dit een echt miskleun! Ik weet echt niet wie op dit schijfje zit te wachten.
Luc Ghyselen (2) Collectors Dream Records I CDR DP 0014 I Brian Connolly's Sweet
Eric Burdon is a ‘rock legends rock hero.’ Since the inception of his illustrious music career, Burdon embraced and integrated early American blues and R&B with his own incomparable voice and soulful musical styles. In the 60s, during the British Invasion, Eric Burdon demonstrated what would become one of the most powerful voices in rock ‘n’ roll history. Burdon’s lead vocals with The Animals made him a legend in his own time. His signature intonation can be heard on classic recordings like “The House of the Rising Sun,” “It’s My Life,” “We Gotta Get out of This Place,” “Don’t Let Me Be Misunderstood,” Sky Pilot, “San Franciscan Nights,” “When I Was Young” and “Monterey” to name a few. Besides American blues and R&B music, Burdon’s soulful essence blended remarkably well with psychedelic and acid rock. The Animals were inducted into the Rock and Roll Hall of Fame in 1994. After The Animals split-up, Burdon comprised a diverse lineup of virtuoso musicians called Eric Burdon and War. In 1970, War scored commercially with “Spill the Wine.” This time … Burdon’s commanding soulful voice crossed into Latin and Funk rhythms. War’s Lonnie Jordan dubbed Burdon as the first Latin rapper in pop music. Since 1971, Eric Burdon has exhibited an extraordinary solo career. Over the years … Burdon released studio albums under Eric Burdon & Jimmy Witherspoon, The Eric Burdon Band, and Eric Burdon. He’s collaborated and performed onstage with the elite of the music world and tours relentlessly. Eric Burdon’s LATEST RELEASE: ‘TIL YOUR RIVER RUNS DRY Burdon should never need to rediscover himself musically with a comeback album because his musical fortitude never changes. One of the most amazing triumphs on the album is Burdon’s superlative voice. His commanding vocalizations are soulful and liberating. Many music critics have professed his latest studio recording to be a back to basics Burdon album … but I disagree … it’s much-much more than that. The album is diverse and inventive and Burdon tackles huge new musical strives by venturing into an alluring mix of blues, reggae, gospel, Latin rhythms, rock and country. The most notable tracks on the album are … “Memorial Day,” an incredible track featuring Reggae and rock overtones with lyrical content reminiscent to the days of “Sky Pilot” and “Monterey.” “Devil and Jesus” a laid-back gospel and blues ditty spotlighting an unconventional singing style that Burdon performs both gracefully and flawlessly. The tune’s melody resembles a slow-paced “Polk Salad Annie.” “Devil and Jesus” is just a really cool song. “Wait” is another intriguing track which veers musically by soothing the listener with slow romantic Latin rhythms. Burdon feels the rhythm and delivers the mood. The song spotlights a beautiful Spanish guitar rendition by virtuoso Eric McFadden. “Old Habits Die Hard” is a little bit country and a little bit rock ‘n’ roll with a touch of boogie-woogie. More importantly… it just kicks ass! I don’t think there’s a musical genre that Burdon can’t master. “Bo Diddley Special” is an upbeat rockin’ commemorative tune dedicated to one of Eric’s earlier musical influences. Burdon’s tributes and anecdotes about his rock ‘n’ roll heroes are exemplary. My personal favorite is … “No More Elmore” (from the Comeback album-1982) Eric’s vibrant tribute to Elmore James, but “Bo Diddley Special” is a close second. “27 Forever” is Burdon’s personal reflections of the many musicians who died at the age of 27. (Robert Johnson, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Brian Jones and Jim Morrison were a few of these legendary artists who left us at 27). “River Is Rising” is another tune that veers away from Burdon traditionalism. The song was inspired by Fats Dominos account of getting trapped in his home during hurricane Katrina and then eventually being saved. It’s a fascinating piece of music that includes a mixture of progressive Zappa-like instrumentation, New Orleans Zydeco and R&B. The lyrics and melody integrate perfectly … awesome tune! “Before You Accuse Me” a Bo Diddley cover tune is the perfect ending to a great album. The heavy rifted - hard rockin’- boogie-woogie- blues classic- features the voice that became legend and a “back to basics’ Burdon rendering. ‘Til Your River Runs Dry is …diverse, inventive, alluring and liberating … I gave it (5) stars.
Ray Shasho (5)
|