Als je van een verrassing kunt spreken dan is het zeker deze jonge Melissa Bel. Weer een jonge deerne die het voortouw neemt in haar eigen band maar haar vergelijken met die andere queen Dana Fuchs zou een schromelijke vergissing en belediging zijn aan het adres van bel. Althans dit is mijn gevoel. Bel speelt ook nog een schitterende partij gitaar en dat maakt veel goed. Met ‘Brave’ debuteerde ze op haar achttiende lente en kreeg enorm veel airplay in Duitsland. Als onze nationale dj’s dat ook eens zouden doen, kreeg ze hier in de lage landen ook de nodige aandacht. Maar het was met ‘Distance’, die nu pas in onze bus belandde, dat ze eigenlijk pas goed doorbrak. Het album kwam in een mum van tijd op nummer één op de Montreal’s Jazz and Blues Charts. Slechts zeven nummers op dit schijfje maar wat voor nummers. Van de zeven zijn er zes van haar hand en we krijgen een superprachtige cover van Bill Withers’ ‘Ain’t No Sunshine’ en dat zet je allemaal aan ’t denken. Uit het album kwam reeds de single ‘Distance’, een nummer dat enkele serieuze muzikale golven veroorzaakte en wie haar officiële clip nog niet heeft gezien, kijk hier maar eens wat deze twintiger in petto heeft voor ons. Een sterke opener en een eerste hoogtepunt. Met ‘Joyride’ gaan we de swingtoer op en dit nummer hoeft niet onder te doen op zijn voorganger wat inhoudelijke kwaliteit betreft. De inbreng van koperblazers tilt dit nummer naar een fenomenale climax. Met ‘Lovesick’, en met zo’n thema kon dit ook niet anders, wordt naar een versnelling lager geschakeld maar toch slaagt deze jonge meid er in om ons van het begin tot het einde met open mond van verbazing te laten staan. En maar slechts 22! Diezelfde schitterende inbreng van kopers overtuigen meteen weer in ‘Over and Done With’, weer zo’n knaller van een song waar we er de laatste jaren veel te weinig van horen. Afhankelijk van sommige luisteraars hun stemming zal de muziek van Melissa voor de ene een somber beeld van het leven en liefde presenteren, voor de andere dan meer misschien een hulpmiddel voor acceptatie en hoop. Hoe dan ook, luister met een niet vooringenomen mening naar haar cover van Bill Wither’s ‘Ain’t No Sunshine’. Gewoonweg subliem alsof de meid al een levenlang muziek maakt. We kregen ook al een voorproefje, via een gratis download, van haar komende nieuwe cd ‘Don’t Forget To Breathe’ die op 4 juni 2013 gereleased wordt. Het nummer ‘All The Wrong Things’ is weer zo’n typisch nummer dat je meteen bij de keel grijpt en niet meer loslaat. Samengevat mogen we spreken over een knaller van een cd, zonder te overdrijven. Geen enkel zwak moment, integendeel, de nummers zijn met elkaar in competitie en de luisteraar moet maar uitmaken wat hij het beste vindt. Melissa heeft iets waarop velen jaloers kunnen zijn: ze is een uitstekend songsmid, speelt prachtig gitaar, heeft de juiste looks en een stem uit de miljoenen en velen zullen haar ongetwijfeld met die andere grote, maar dode lady Janis Joplin vergelijken. Niet doen is de boodschap. Melissa heeft een dynamische stem die verzadigd is met echte soul, een uniek stemgeluid en dat bewijst ze keer op keer op ieder nummer. Met deze beschrijving duikel ik graag terug in het verleden en plots doemt daar ene David Cassidy op. We mogen gerust zeggen dat Melissa Bel in vele opzichten de vrouwelijke kopie is van Cassidy. Alfons Maes (5) Many listeners will compare her with Lady Janis Joplin but don’t do this. She has a dynamic voice that is saturated with real soul, a unique voice and she proves this time after time again on every song. With this description I like to tumble back into the past and suddenly my memory goes back to a certain David Cassidy. We can safely say that Melissa Bel is in many ways a female bleuprint of David Cassidy. Hopefully you will agree with me? Seven songs, enchanting melodies, and being in competition with each other. Who will be the winner, well, that’s up to you dear listener.
Het verhaal van het eclectische poprockdduo A.S. begint in Parijs. Zo’n 10 jaar geleden verhuist Nick McRoberts, een klassiek geschoolde pianist, vanuit Australië naar de lichtstad om zich in de dirigeerkunst te bekwamen. Tijdens zijn werk met klassieke orkesten, balletcompagnies en operagezelschappen evolueert hij naar soundtrackwerk voor films en documentaires en begint zich als songwriter van popmuziek te manifesteren. Met de komst van Idriss Halfaoui, een gitarist met Algerijnse roots is A.S. een feit. Drie jaar na het eerste project een epeetje ‘Intimate Circles’ pikt het duo de draad weer op met de afsluiter ‘Exile’. De wat zeurderige, niet van melancholie gespeende stembuigingen van Mc Roberts in de titelsong herinneren enigszins aan Morrisey ten tijde van The Smiths, de breed uitwaaierende gitaarwall van Hafaoui versterkt dat gevoel, diep op de achtergrond horen we de sirenenzang van Juwenn (Relay). De sombere donkere pianointro van het breed georkestreerde ‘Time’ en ‘Fast’ neigen respectievelijk sterk naar iets uit de jaren zeventig en tachtig. Ook in het melodieuze epos ‘Fall In’ klinken de klassieke roots door. Het zijn vooral nummers zoals de openingstrack ‘Do What You Want’ een meeslepende pianoballade met opmerkelijke falsetzang en de ‘akoestische’ afsluiter ‘Reasonable Doubts’ die na een eerste luisterbeurt blijven hangen. ‘Exile’ zal vooral liefhebbers van mooi uitgewerkte romantische pop bekoren.
Cis Van Looy (3½)
Tijdens de wilde Sixties hadden wij hier in dit kleine landje serieus wat muzikaal talent zitten. En dan heb ik het niet specifiek over bands als The Pebbles en Davy Jr. And Guess Who? Doe daar maar gerust Jess & James and the JJ Band bij. Uiteraard behoorden zij bij het selecte clubje van wat we toen nog het commerciële circuit durfden noemden. Je vond deze bands vrij vaak in Antwerpen of aan de kust waar ze toch steeds voor een leuke namiddag of avond muzikaal jolijt garant stonden. Het was toen de tijd dat de ‘diskjockeys’ net de befaamde jukeboxen naar een tweederangs positie hadden verdrongen. De periode waar nog echte muziek werd gedraaid en waar je bv. op de tonen van Bobby Goldsboro’s ‘Honey’ misschien wel je eerste kus met een leuke meid verzilverde. Nummers als ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ van Iron Butterfly, de superlange versie van ‘Get Ready’ door de Canadese band Rare Earth of zelfs tijdens de uitgerokken cover van ‘I’Am A Man’ van Chicago kreeg de diskjockey eindelijk ook eens de kans om een stapje op de dansvloer te wagen of een sanitaire stop in te lassen. Maar er was meer… veel meer. Dankzij de inspanningen van de eigenaar van Starman Records, Felix Huybrechts (ex-Backstage magazine), die een eerste serieuze stap zette om deze muzikanten weer een beetje op het hedendaagse muzikale landschap te zetten, kregen we eind vorig jaar reeds een eerste kennismaking met ‘Volume 1’ in deze prachtige reeks. Ik herinner me nog een gesprek met William Souffreau (Irish Coffee) waaruit bleek dat de toenmalige managers en impresario's een serieus gebrek aan professionalisme vertoonden en soms moest een band zichzelf verkopen in een klein tentje met een goedkope cassetterecorder om zo hun eigen promo te verzekeren tijdens de Midem Festivals. Op deze eerste vinyl schijf (180 gr.) vinden we zestien nummers. Gelukkig heeft men ook aan de koper gedacht en de innersleeve bevat veel praktische informatie over de hier opgenomen bands. We plukken er enkele uit, we willen jou, de koper, nog zelf eea laten ontdekken. Op de A-kant mogen The Paramounts openen met ‘About Girls’ de B-kant van het debuut single. Vetkuifsound uit Gent en The Sundrops met hun ‘Soul Singer’ kwamen eveneens uit Gent. In 1969 veranderden ze van naam en werden Father’s Brown. Uiteraard vinden we ook een bijdrage terug van The Pebbles met ‘Someone To Love’ een nummer dat je niet meteen aan hen zou linken. Nog een opmerkelijke band was Little Jimmy And The Sharks en met ‘All I Need’ openen ze de B-kant van deze prachtige langspeler. En over openen gesproken, zij kregen toen de eer om dit ook te toen bij The Rolling Stones en The Who. Marc Claeys was Little Jimmy maar we kennen hem de dag van vandaag vooral als Don Croissant. Zelfs in de Limburg vonden we een sterke band: The Foottappers. Ze waren vooral bekend van hun swingende R&B optredens en ‘Waw Waw’ was een echte party swinger. Ook deze Foottappers mochten openen voor o.m. The Kinks, The Move, Status Quo,… Jaren zestig was ook de periode van de steeds veranderende outlook. De kledij begon een voorname rol te spelen maar ook de haarsnit, vele muzikanten vonden het niet meer nodig om een bezoek te brengen aan de kapper. Ikzelf heb in die periode ook steeds met superlang haar gelopen maar het was steeds verzorgd en dit ter ergernis van mijn haarkapper. Ondanks hun ietwat te lange haar ging een tv-optreden aan hun neus voorbij. The Foottappers moesten even wat aan hun uiterlijk laten doen en dan pas zou de voormalige BRT de deur voor hen openzetten. Of ze dat ooit gedaan hebben, ik weet het niet. Misschien iemand onder jullie? Sommige bands wierpen zich ook op het psychedelische tijdperk. Pink Floyd was de grote voorvechter hier. The Closed met ‘Lovin’’brachten met dit nummer een mooie bijdrage tot deze sound en als je houdt van iets popgerichte Gregoriaanse gezangen, daar zorgden The Mec Op Singers wel voor met hun ‘Dies Irae’. Op deze kant nog twee opmerkelijke bijdragen. The Young Devils uit Erps-Kwerps hadden als gitarist/zanger… Danny Fabry in de gelederen en hier hoef ik verder niets aan toe te voegen en een tweede leuke band was The Samo Reds. Die hadden brood gezien in het bedrijf achter de Samo chips. Die zochten namelijk een band die hun producten zou kunnen promoten. Zo gezegd, zo gedaan. ‘Belgian Vaults – Volume 1’ is een schitterende compilatie met muziek uit lang vervlogen tijden maar daarom niet minder interessant. Luister vooral naar de vintage orgeltjes die toch bij diverse nummers de kop opsteken. Het was ook de periode dat velen onder hen niet meer op het standaard muzikale pad bleven wandelen en door hier en daar wat te experimenteren toch vrij vaak buiten de lijnen kleurden. Noem het rock, noem het R&B, noem het soul… ach wat moeten we met deze namedroppings? Het gaat vooral om de muziek in gelijk welke vorm dan ook, echte muziek gemaakt met échte muziekinstrumenten iets wat de dag van vandaag ver zoek is. Je kan deze vinyl bij je lokale platenboer vinden maar ook via Starman Records en CD Classics. Volume 2 komt begin maart 2013 op de markt. Alfons Maes (4½)
Juruda Music is een Deens kwintet dat zo werd genoemde naar boegbeeld en zangeres Juruda. In 2008 verscheen hun debuut cd ‘The Magic Queen’. De drie daarop volgende jaren toerde de band met hoge snelheid rond en dit is de reden waarom we tot nu dienden te wachten op de opvolger die ‘Whispers Of Doom’ werd gedoopt. Juruda zelf wordt opgevoerd als een soort Deense Patti Smith en daar is niks mis mee. De meeste tracks starten met zweverig keyboardspel van Lars Boutrup, maar Spike Nior kom al vlug tegemoet met subtiele drumslagen. Want als er één constante is op ‘Whispers Of Doom’ is het wel het feit dat Spike Nior zich als een uitmuntende drummer laat kennen. Tracks als ‘A Beautiful Night’, ‘In Store For Him’ en vooral het stevige ‘Dancing Tonight’ worden op die manier in goede hooks gewrongen. Op ‘Sometimes is het Jacob Rönne die de aandacht trekt met een zangerige gitaarsolo en ‘Do It Fr Love’ is een geschikte mid tempo afsluiter. ‘The Magic Queen’ is aan onze aandacht ontsnapt maar met ‘Whispers Of Doom’ wordt een en ander goedgemaakt.
There’s good rocking in Scandinavia these days and Juruda Music is part of the scene.
Ivan Van Belleghem (4)
Van een ding over deze band mogen we het eens zijn: The Association was een van de allerbeste populaire zanggroepen ooit verzameld rond een microfoon. Het begon allemaal toen verkoper Terry Kirkman en marinier Gary ‘Jules’ Alexander de 13 koppen tellende formatie The Men in Los Angeles opzette. Met zovelen in een band, dat vraagt om problemen en die doken snel op zodat zeven onder hen de band verlieten. Aanvankelijk hadden ze de naam The Aristocrats bedacht maar het leek niet meteen de juiste keuze te zijn. Het antwoord kwam van Terry’s vrouw die op het woord association stootte in een woordenboek nadat ze de betekenis van de aristocrats had opgezocht. Naast Terry en Gary bestond de nieuwe band uit Ted Bleuchel, Brian Cole, Russ Giguere en Bob Page maar deze laatste werd al snel vervangen door Jim Yester. In 1965 verscheen een eerste single, een song van Bob Dylan ‘One Too Many Mornings’ met als b-kant ‘Forty Times’ dat bijeen gepend werd Jules Alexander. Maar het was eigenlijk met hun tweede single ‘Along Comes Mary’ van Tandyn Almer dat The Association ook bekend geraakten in Europa. ‘Your Own Love’, de flipside van deze single was oorspronkelijk bedoeld als A-side maar de meeste discjockey’s vonden ‘Along Comes Mary’ veel interessanter en draaiden volop dit nummer. Het duurde niet lang voordat iemand dacht dat achter de term ‘Mary’ de drug marihuana schuilging, reden voor sommige radiostations om het nummer geen airplay meer te geven. De rest is feitelijk geschiedenis en een derde single release was weer een topper. 16 mei 1966 was de datum voor een song die nog steeds onsterfelijk is: ‘Cherish’. Enige tijd later, begin 1967, heeft Gary ‘Jules’ Alexander het licht gezien, hij verlaat de groep en gaat in India meditatiefilosofie te studeren. Als vervanger kwam Larry Ramos, geboren op Hawaii, de band versterken. Met ‘Windy’, een compositie van Ruthan Friedman die het in een twintigtal minuten had geschreven, ging het succes voor The Association ongeminderd voort. Maar na deze release werd het in Europa stil rond de band. Gelukkig van korte duur want scoren deden ze weer met het door de broers Adrissi geschreven ‘Never My Love’. Ondertussen stond Jules Alexander terug op de deurstoep van de band. Het nummer ‘Goodbye Colombus’, voor de gelijknamige film, komt niet van de grond en Russ Giguere stapt uit de band en wordt vervangen door Richard Thompson. Het upbeat ‘Time For Livin’’, een andere song van de schrijvers van ‘Never My Love’ klinkt leuk en commercieel maar kwam niet voorbij een 39e plaats in de Billboard Hot 100. Dit leidde tot een split in 1973 en het verlies van hun bassist Brian Cole die zich net iets te ijverig met drugs had bezig gehouden. Nog andere leuke tunes zijn o.m. ‘Six Man Band’, ‘Are You Ready’, ‘Just About The Same’, het op banjoklanken dobberende ‘Look At Me, Look At You’. ‘P.F. Sloan’, ook door Jennifer Warnes opgenomen, was een tribute die Jimmy Webb had geschreven voor de man die ‘Eve Of Destruction’ (de megahit voor Barry McGuire) had componeerd. Wat we hier te horen krijgen zijn allemaal Californian popsongs zonder al te veel franjes als je ‘Along Comes Mary’, voor zijn bijzondere tekst, even buiten beschouwing laat. Ze vonden allemaal hun weg doorheen de hippe sixties en daarom zijn sommige onder hen zo onsterfelijk geworden.
What we get on this 2 cd box are all Californian pop songs without too many frills, but ‘Along Comes Mary’, for his remarkable text, should be disregarded here. They found their way through the golden sixties and that’s why some of them are so immortal.
Alfons Maes (3 tot 4)
Het moet zowat september 1970 zijn geweest toen men bij ABC besloot om een nieuwe tv-reeks te lanceren die gaat over een rondtrekkende familie, een serie die lichtjes gebaseerd was op die andere muzikale familie The Cowsils die een goede drie jaar eerder met ‘The Rain, The Park & Other Things’ een wereldhit scoorden. In deze nieuwe reeks, The Partridge Family, kreeg de jonge David Cassidy de rol van zijn leven want aan de zijde van zijn (echte) stiefmoeder Shirley Jones speelde hij ook haar zoon Keith Partridge. In een mum van tijd was de naam David Cassidy een merknaam geworden voor alle jonge meiden terwereld en die stond voor uitverkochte concerten overal ter wereld en schreeuwende jongemeisjes, een feit dat de Beatles alleen nog voor hem waar maakten. Hysterie sloeg toe en de impact van zijn concerten begon zelfs hier en daar wat uit de hand te lopen. Begin 1974 gaf David een onvergetelijk concert in de Arena Hal in Deurne (Antwerpen) en dit zijn momenten die je haast niet kunt vergeten want buiten zijn good looks was Cassidy ook nog een uitstekend songschrijver. Voordat deze twee langspelers verschenen kregen we zijn solodebuut ‘Cherish’ (1971), met de schitterende songs ‘I’m A Clown’ en ‘Could It Be Forever’. ‘Rock Me Baby’ uit 1972 werd zijn tweede langspeler waarin Cassidy samen met Kim Carnes het intimistische ‘Song For A Rainy Day’ schreef. 1973 was het releasejaar voor ‘Dreams Are…’ en twee jaar later verschijnt dan het album ‘The Higher They Climb…’. Op dit album werkt hij samen met Bruce Johnston, Carl Wilson en Ricky Fataar van The Beach Boys. Buiten deze twee kreeg Cassidy muzikale steun van Mark Volman en Howard Kaylan (beide The Turtles), maar ook Leland Sklar, Jim Keltner, Danny Kortchmar en vele anderen zaten mee in de studio. Dus hij zat in het midden van getalenteerde muzikanten. Op ‘Dreams Are Nuthin’… opent (het korte introstukje niet mee gerekend) David met een song van ex-Lovin Spoonful zanger John Sebastian ‘Daydream’. Zeer intiem wordt het met de sleper ‘Sing Me’ een song die meteen een eerste hoogtepunt vormt. ‘Bali Ha’i’ en ‘Mae’ zijn niet meteen wat je uitschieters kunt noemen toch ademen ze een bijzondere relaxe sfeer uit. Wie ‘Fever’ (van Eddie Cooley en Otis Blackwell met als housename John Davenport) ooit heeft gecoverd, daar wil ik mij niet aan wagen maar de versie van Cassidy waar de bas toch voor de speciale dreun zorgt, is zeer speciaal. ‘The Puppy Song’, (Harry Nilsson) het nummer dat naar de titel van deze langspeler verwijst, werd als single (dubbele A versie met ‘Daydreamer’) uitgebracht in Engeland. Het autobiografische ‘Can’t Go Home Home Again’, dat als b-kant van ‘Daydream’ op de markt kwam, is nog steeds een veel gevraagd nummer op zijn concerten. Voor mij het mooiste nummer dat David gemaakt heeft. Kim Carnes lag als componiste, samen met Cassidy en Dave Ellingson, aan de basis van dit nummer. Luister vooral naar de schitterende pianosound van David zelf. Een tweede hoogtepunt voor mij. Pakkende tekst wanneer David zingt: “And I spoke to the bum as he sat on the ground. That crazy old man he's still toasting the town. For the first time in my life I understood. How the wine that had taken his worries and cares. Had also taken the love he once shared. Then he cried as he said I just can't go home again.”‘Daydreamer’, weer een dijk van een plaat en een derde hoogtepunt is een nummer dat destijds bij ons in de hitparade verscheen. In Engeland werd het zijn tweede en laatste nummer één. Met ‘Preying On My Mind’ horen we weer een opgewekte Cassidy na zijn weemoedige trip in ‘Can’t Go Home Again’. En dat brengt ons bij de sluiter van deze langspeler, ‘Hold On Me’, een nummer van Michael McDonald (The Doobie Brothers), niet meteen de perfecte afsluiter, misschien had ‘Preying’ een veel betere keuze geweest om de opnametape tot stilstand te brengen. ‘Dreams Are Nuthin’ More Than Wishes’ kreeg lovende kritieken want op enkele kleine zwakke schakels na is dit een perfect album. Op 24 november 1973 verdrong dit album de nummer één in de Britse charts, Roxy Music met ‘Stranded’, bleef een week op nummer één hangen en werd door Elton John’s ‘Goodbye Yellow Brick Road’ van deze plaats verdrongen. Met ‘When I’m A Rock ‘N Roll Star’ opent Cassidy ‘The Higher They Climb, The Harder They Fall’, zijn vijfde langspeler, trekt hij meer op als een jonge rock-‘n-roll ster en we horen een verschuiving van zijn muziek. De titel van de langspeler refereert naar de toenmalige status van David Cassidy: een te snel stijgende rockster die even snel in verval geraakt. David maakt ook werk van Gene Vincent’s ‘Be-Bop-A-Lula’ maar ook hier weer een cover die reeds door veel anderen gebruikt werd. Op dit album vinden we enkele leuke pareltjes waaronder het van Bruce Johnston geleende ‘I Write The Songs’. Het was eigenlijk Barry Manilow (origineel ingezongen door The Captain & Tennille) die het nummer de vergetelheid inzong. Maar de versie van Cassidy – hij bracht dit nummer uit voor Manilow hier succes mee zou hebben- het is ook niet te versmaden. Alleen had men destijds meer aandacht voor de Manilow versie. Een andere knappe song en meteen uitgebracht als single in 1975 was ‘Darlin’’ met als flipside ‘This Could Be The Night’. ‘Darlin’’ is een Brian Wilson/Mike Love-compositie (is eigenlijk ‘Thinkin' 'Bout You Baby’ dat door beide componisten herschreven werd tot ‘Darlin’) en deze scoorde hoog in Zuid-Afrika terwijl hij in de GB niet verder kwam dan een zestiende plaats. Vreemd genoeg scoorde deze plaat ook niet in de USA, en de langspeler kwam nergens voor in een hitparade. Met de dialoog ‘Massacre at Park Bench’ krijgen we nogmaals een onderlijning van hoe het een rockster vergaat wanneer zijn status te groot wordt en nadien terug verdwijnt in de vergetelheid. De dialoog tussen Phil Austin (de zwerver op de bank) en David Cassidy stemt tot nadenken hoe de wereld in elkaar zit. Nog een hoogtepunt is het schitterende funkyachtige ‘Common Thief’ met knap gitaarwerk van Danny Kortchmar. Als sluiter de reprise van ‘When I’m A Rock ‘N Star’. De meningen waren destijds verdeeld. Cassidy leek op het keerpunt van zijn carriére te staan maar in 1976 kregen we nog twee puike albums, nl. ‘Home Is Where The Heart’ is en ‘Getting’ It In The Street’. Meer hierover later. Cassidy is altijd muziek blijven maken, en de dag van vandaag trekt de ietwat op rust gekomen teenybopper nog steeds volle zalen. Hij zat geruime tijd in Las Vegas met enkele shows (waaronder EFX: Best Show of the Year, Best Performer of the Year,… en Show Star of the Year met ‘The Rat Pack is Back’) met onder meer Rick Springfield e.a. en in November van dit jaar staat hij als Top of the Bill op de affiche van het concert ‘Once In A Lifetime 2012 UK Tour’ die alleen in Engeland doorgaat. In deze show komen ook Leo Sayer, Hot Chocolate en Smokie aan de beurt. Maar als je een soloconcert van Cassidy bijwoont, wees maar overtuigd dat het publiek smeekt om ‘Can’t Go Home Again’… The music of David Cassidy will always have a special place in my heart and that place is now closed. He is still a great performer, even on his 62, he knows how to touch his audience emotionally. Alfons Maes (4 tot 5)
Met ‘One Way’ en ‘What a Beautiful Day’ proefden The Levellers van wereldroem en de hoogste plekjes in menig hitparade. Hoewel ze het commerciële succes nadien nooit konden evenaren, hebben ze een grote schare trouwe fans. Hun nieuwste album, ‘Static on the Airwaves’, is voor uw reporter de eerste kennismaking met de band buiten de eerder genoemde hits. Zowel het titelnummer (eigenlijk meer een proloog van 49 seconden) en ‘Truth Is’ doen denken aan Green Days album ’21st Century Breakdown’, wat zonder meer een vreemde associatie is. The Levellers spelen immers eerder folkpop dan punkpop. ‘We Are All Gunmen’ is een prachtig nummer, met een gulle grootsheid die je doet vermoeden dat je de hele wereld aankan. Zie ook: ‘Into the Great Wide Open’ van Tom Petty. De violen worden zwaar ingezet voor ‘Our Forgotten Towns’, ‘The Recruiting Sergeant’ en ‘Alone in the Darkness’, drie songs die de folky roots van de band blootleggen. De akoestische gitaarpartij in het laatstgenoemde nummer is prachtig, en wordt ook ten volle benut in ‘Traveller’. Basliefhebbers kunnen dan weer hun hart ophalen bij de intro van ‘Mutiny’. Door meerdere genres en instrumenten te versmelten, klinkt ‘Static on the Airwaves’ prettig verrassend. Nieuwe fans zullen ze met dit album niet winnen, maar dat is onterecht.
The Levellers return with ‘Static on the Airwaves’, which seems to combine their folky roots with a smorgasbord of genres and styles. ‘Truth is’ and the title track even echo certain Green Day songs, which seems rather strange. It works beautifully, however. The definite highlight is ‘We Are All Gunmen’, a fantastic desert island song that evokes grandeur and perfection.
Julian De Backer (4)
P!nk is een straffe artieste. Toen ze in 2000 aan de pophorizon verscheen, leek ze nog een zielloze imitatie van de heersende popprinsesjes Britney Spears en Christina Aguilera. Pas met haar tweede album ‘M!ssundaztood’ creëerde ze een eigen gezicht en een eigen geluid. En kijk hoe de kaarten nu liggen: in 2012 staat P!nk commercieel en artistiek veel verder dan haar toenmalige concurrenten. De muziekwereld blijft een gekke business. Quasi niemand kan ontkennen dat P!nk een neus heeft voor radiovriendelijke nummers. ‘The Truth About Love’ is reeds het zesde album van de Amerikaanse artieste. De eerste single ‘Blow Me (One Last Kiss)’ is alvast een dikke hit: hoewel fysieke singles nagenoeg volledig verdwenen zijn (een spijtige evolutie), is de legale download een million seller wereldwijd. De achterkant van de cd schrijft in grote, duidelijke letters: SONGS, met daaronder de aankondiging ‘standard edition’. Duidelijker kan een boodschap niet zijn: echte fans moeten de ‘deluxe edition’ in huis halen, die zes extra liedjes bevat. Opener ‘Are We All We Are’ is geen hoogvlieger, maar ‘Try’ is een mooie verdoken ballade. ‘Verdoken’, omdat het qua instrumentatie nog verrassend stevig is. ‘Just Give Me A Reason’ is een bijzonder geslaagd duet met Nate Ruess, een man met een gouden stemgeluid. Ook ‘True Love’ biedt samenzang, dit keer met Lily Rose Cooper (beter bekend als Lily Allen). Het betreft een vrolijk deuntje dat geen slechte ‘tube d’été’ ware geweest. Helaas staat de herfst voor de deur. Onder een countrybeat declameert P!nk ‘I’m not a slut, I just like love’. Fijnzinnig, net als de titel ‘Slut Like You’. Ook ‘Here Comes The Weekend’ is een samenwerking met een andere notabele artiest. Hip hop-fenomeen Eminem mag met zijn kenmerkende flow het nummer versterken, maar het bronmateriaal is een beetje repetitief en flauw. Het lijkt wel een trage versie van ‘No Limit’ van 2 Unlimited. De rapper verdient beter. Afsluiter ‘The Great Escape’ herinnert de luisteraar aan het feit dat P!nk – de dreunende beats en occasioneel controversiële teksten inbegrepen – vooral een goede zangeres is. Het resultaat is aangrijpend en mooi. Met ‘The Truth About Love’ laat P!nk, in het poplandschap dat gedomineerd wordt door Lady Gaga en Katy Perry, zien dat ze nog steeds “a force to be reckoned with” is. P!nk-fans kunnen op beide oren slapen en ook de doordeweekse muziekliefhebber koopt hiermee geen onding. Verrassend en degelijk.
P!nk reaffirms her status as a superb singer with an ear for genuine hits with her sixth album ‘The Truth About Love’. Some songs come across as forced and lifeless, but when she’s on top – as evidenced in the perfect duet ‘Just Give Me A Reason’ with Nate Ruess or the touchingly beautiful ‘The Great Escape’ – little else comes close to the sheer awesomeness of P!nk.
Julian De Backer (3)
Ruperts People werd geformeerd in 1967. Rod Lynton (echte naam Brosse!) en Steve Brendell zaten daarvoor al een tijdje bij The Extraverts, een band met veel gelijkenissen met The Kinks. Na een korte levensloop splitte deze band en ze vormden dan Hard Edge die ook al geen lang leven beschoren was. Kennelijk vielen hun songs in de smaak bij velen want ze verwierven al snel managementcontract. Howard Condor, bij de Robert Stigwood organisatie, zag spek in de band. Ze namen één single op maar die zou nu voorgoed verdwenen zijn, zo wordt verteld. Maar in de donkere stofferige catacomben van een opslagplaats zou een vinylsingle boven water zijn gekomen, nl. ‘All So Long Ago’ onder de groepsnaam The Sweet Feeling en deze zou enige tijd later gereleased zijn met ‘Charlie Brown’ als B-kant. Wat we hier dus krijgen zijn haast allemaal singles van Ruperts People maar ook van Matchbox en Swampfox de namen waarin de band later zal evolueren, zijn hier werkjes terug te vinden. En het zijn niet allemaal eigen composities. Zo krijgen we enkele live-covers, nl. ‘Rain’ (uit 1992) van The Beatles, dat sterk aanleunt bij het origineel; het Small Faces’ ‘My Mind’s Eye’ (uit 1992), ‘Reflecting’ (uit 1969), een wat jazzy met keyboards overladen nummer en men ging zelfs bij The Rolling Stones wat pikken, nl. ‘You Can’t Always Get What You Want’ (uit 1969). Als Matchbox krijgen we het interessante ‘Suzanne’, een typisch nummer uit de psychedelische periode van Londen en ‘Don’t Shut Me Out’ van jawel David Gates. Of dit poppy deuntje beter klinkt bij Matchbox dan bij Gates, ik kan alleen maar zeggen dat het zeer goed in het gehoor ligt. Onder de nieuwe bandnaam Swampfox, en ze hadden inderdaad een voorliefde voor de enige échte swampfox Tony Joe White, bewezen ze deze voorliefde met ‘I’ve Got A Thing About You Baby’. Hopelijk rezen Tony’s haren niet ten hemel bij het horen van deze versie. Niet meteen een versie waar zelfs ik tevreden zou mee zijn. Het op fijne gitaarriffs leunende ‘Summer Rain’, uitgebracht als Rod Lynton zelf, is een ander hoogtepunt op deze cd maar als we over hoogtepunten spreken, mogen we ‘Dream In My Mind’ en ‘Reflections Of Charlie Brown’ tot de beste nummers rekenen. Zeker dit laatstgenoemde, en niet te verwarren met hun ‘Charlie Brown’, is een klassebak van een nummer waarin de keyboards echt voor de meerwaarde zorgen. Schitterend nummer. Dit nummer werd reeds in 1996 bij het Chrysalis label opgenomen. Uiteindelijk het nummer waarin duidelijk blijkt dat deze kerels stuk voor stuk schitterende muzikanten waren. Voor de volledigheid wil ik nog even meegeven dat Matchbox niet over de gehele lijn bestond uit Ruperts People muzikanten, buiten Steve Brendell en Rod Lynton merkten we daar ook nog Mike O’Donnell en George Peckman op. Bij Swampfox, en dus buiten Rod en Steve, troffen we er ook nog Paul Vigrass, Dave Bowker en Laurie Forsey aan. Rod Lynton hield er ook nog een PR-maatschappij op na en moest die op zeker moment onderbrengen bij Gerry Bron’s platenlabel en zo werd hij de PR-man voor Uriah Heep en Manfred Mann’s Earth Band. Als manager vertegenwoordigde hij een tijdje Jon Hiseman’s Tempest en McGuiness Flint. Nadien verhuisde hij naar Atlantic waar hij het hoofd van de Britse publiciteitsafdeling werd en zo de belangen van o.m. The Rolling Stones, Yes, Led Zeppelin, ELP e.a. mocht verzekeren. Van een ommezwaai gesproken. Maar Steve Brendell ging ook een leuke carriére tegemoet als PR-verantwoordelijke bij Warner Brothers, de zustermaatschappij van Atlantic en samen met zijn collega Rod bij Atlantic gingen ze vanaf dat moment onbekende mensen overbekend maken… John Tout maakte vooral naam als keyboardsman bij Renaissance, zat ook even bij Wishbone Ash en hielp wat in de studio bij John Lennon. In 1980 trekt John zich terug uit de muziekwereld voor een baan bij… British Telecom. In 1996 komt hij terug in contact met ex-Renaissance collega drummer Terry Sullivan en Renaissance wordt heel even heropgestart. Steve Brendell was ook een vaste waarde bij de soloprojecten van Beatle John Lennon.
Ruperts People proved to be a songwriters team with great skills and even today their songs are still sounding very refreshing. Great cd!!
Alfons Maes (4)
Weer zo’n naam die eigenlijk niet meer voorgesteld hoeft te worden. Gerry Marsden, een van de voornaamste Merseysound vertegenwoordigers en de tweede meest beroemde groep uit Liverpool, sloeg er in om maar liefst 3 UK nummers 1, twee Top 5 noteringen en één Top 10 single te verwezenlijken in het jaar dat de band geformeerd werd. Met ‘You’ll never Walk Alone’ (uit ‘How Do You Like It?’) zong hij zich de eeuwigheid in want dit nummer is nu de signature song van het Liverpoolse eersteklas voetbalteam. Maar Gerry deed meer, hij liet zich ook opmerken in de film ‘Ferry Cross The Mersey’ (1965, reg. Jeremy Summers) waarin hij en zijn band zichzelf portretteerden. Producer George Martin kreeg hier een rolletje waarin hij zichzelf speelde en dit gold ook voor Cilla Black. Gerry Marsden was ook reeds te gast op het jaarlijkse sixties/seventies event ‘The Golden Years’ in het Antwerpse Sportpaleis. Met deze nieuwe heruitgave uit 1982 krijgen we een leuk overzicht van Gerry & The Pacemakers. Uiteraard ontbreken enkele van zijn eigen nummers niet maar er werd ook serieus getapt uit de catalogi van collega’s. De nummers werden toen allemaal opnieuw ingeblikt en dat horen we hier en daar wel aan de stem van Gerry die hier en draad op een zijden draadje balanceert. ‘Ferry Cross The Mersey’, ‘Don’t Let The Sun Catch You Crying’ en het meer swingende ‘I’m The One’ zijn de enigste originele composites van Marsden en klinken hier nog zeer overtuigend. Wie achter zijn andere grote hit ‘Walk Hand In Hand’ zoekt, komt hier bedrogen uit, helaas werd dit nummer hier kennelijk vergeten. We krijgen ook nog zeer indrukwekkende covers van onder meer Procol Harum’s ‘A Whiter Shade Of Pale’, Righteous Brothers ‘Unchained Melody’ en het nog steeds beklijvende ‘If’ van David Gates (Bread). ‘I Like It’, de tweede single van Gerry en geschreven door Mitch Murray, kwam op de eerste plaats terecht op 22 juni 1963. ‘It’s All In The Game’, de klassieker die zowat door honderd anderen werd gecoverd, wordt hier op een voortreffelijke manier gebracht. Tommy Edwards had er in 1958 een grote hit mee en dat had hij te danken aan Carl Sigman (muziek) en Charles Dawes die voor de nodige tekst zorgde. Die Dawes was ooit vice-president van de USA onder Calvin Coolidge en deze song is de enigste song die ooit werd geschreven door een vice-president en de Nobelprijswinnaar voor de Vrede. Cliff Richard had ooit een grote hit met het countrynummer ‘The Minute You’re Gone’. Gerry Marsden kwijt zich zeer goed van zijn taak met dit Jimmie Gately-nummer. Nog andere opmerkelijke covers zijn onder meer ‘The House Of The Rising Sun’ waarmee The Animals geschiedenis schreven en van Peter Sarstedt werd diens enige grote hit ‘Where Do You Go To My Lovely’ aangepakt en niet meteen de cover die we leuk zouden vinden. ‘World Without Love’, ach zulke prachtige songs kunnen we toch niet vergeten, kwam tot stand door een co-auteurschap van Lennon/McCartney die het nummer voor het duo Peter & Gordon schreven en die daarmee een grote hit scoorden. ’20 Year Anniversary Album – 1982’ is een leuke verzameling nummers maar of het schijfje daadwerkelijk het uitgebreide oeuvre van Gerry & The Pacemakers zélf mag belichten, daar heb ik toch enige reservaties over.
’20 Year Anniversary Album – 1982’ but sadly enough without his big hit ‘Walk Hand In Hand’ written by Johnny Cowell and performed on earlier occasions by Andy Williams (1956) en Tony Martin (1956). Some songs are great, others less interesting to listen to. But the majority of songs packed on this compilation is acceptable over the whole line.
Alfons Maes (4)
|