Picture
In tegenstelling tot hun collega’s van Caravan en Yes, blijven zij écht trouw aan hun genre van vroeger.
Op schijfje 1 vinden we slechts 2 tracks, dus de ganse originele vinyllangspeler van weleer waaronder de 2 extra’s zijn net dezelfde zijn maar dan in een liveversie.
De originele elpee bestond maar uit één nummer, ‘Remember The Future – part 1 & 2’, net zoals Jethro Tull dat ook heeft gedaan met zijn ‘Thick As A Brick’ en ‘A Passion Play’, maar dit nummer duurt een goede 35 minuten. Niet erg lang, zou je zeggen maar het is toch een prachtig muzikaal opus. Wie ‘Thick As A Brick’ van Jethro Tull kent weet meteen in welke richting te denken en nu in 2013 blijft dit nog steeds een aangename verrassing.
Lekker veel tempowisselingen breken de eentonigheid en zorgen ervoor dat het alsnog beluisterbare, aangename  muziek blijft.
In 1973 werd dit album uitgeroepen tot beste album van het jaar en dat was zeker geen overschatting, de muziek van Nektar, zowel thuis als op het podium, geeft je steeds een vreemd, apart gevoel. Een concert van Nektar bijwonen destijds was gewoonweg high worden alleen al door de oliebeelden die geprojecteerd werden (zie ook nog The Ozric Tentacles en Pink Floyd) en misschien hadden sommige onder ons wel hulp nodig van enkele jointjes, maar dat leek echt niet nodig. Het gebeurde gewoonweg vanzelf.
Schitterende (her)uitgave weer tot leven gebracht door Purple Pyramid Records.
Op schijfje 2 vinden we de radio edits ‘Remember Te Future’, Let it Grow’ en ‘Lonely Roads’ maar ook de uit 1970 daterende Boston Tapes. Daarop vinden we het schitterende ‘Do You Believe In Magic’, niet te verwarren met de gelijknamige song van The Lovin’ Spoonful maar we krijgen nog meer leuk songwerk in de vorm van een schitterende cover van ‘Sealed With A Kiss’ van Peter Udell en Gary Geld maar de eeuwigheid in gezongen door Bobby Vinton en in de jaren zeventig nog eens over gedaan door de Nederlander Albert West. Maar deze Nektar versie is toch wel een pareltje. Luister vooral naar de solo gitaarpartijen! Maar het is vooral het prachtige ‘Our Love Will Last Forever’ dat als een ontroerende ballad begint maar naar het einde toe in een gitaar virtuosa ontaard. Gewoonweg schitterend. Onze gedachten dwalen meteen af naar Blind Faith.
‘The Boston Tapes’ is zowat het meest toegangelijke maar tevens het meest schitterende album dat Nektar ooit heeft gemaakt.
Waarom Nektar geen succes had in Engeland is nog steeds de vraag gezien ze wel zeer goed scoorden in Duitsland en enkele andere landen in Europa en vooral in de US.
Nektar is géén geschiedenis. De band toert nog steeds en heeft nog twee originele leden aan boord: gitarist-zanger Roye Albrighton en Ron Howden (drums). De andere bandleden zijn Klaus Henatsch (keys, vocals), Peter Pichl (bas, vocals) en Billy Sherwood (multi-instrumentalist, producer). Hopelijk vergeet Nektar zijn fans in België niet wanneer ze een nieuwe Europese tournee plannen?

Alfons Maes (4½)

Why Nektar wasn’t successful in England is up until today very weird because they have scored very well in Germany and some other European countries but more specific in the U.S.
Nektar isn’t history. The band is still touring and has two original members on board: guitarist/singer Roye Albrighton and Ron Howden (drums). The other band members are Klaus Henatsch (keys, vocals), Peter Pichl (bas, vocals.) and Billy Sherwood (multi-instrumentalist, producer). Hopefully Nektar will not forget Belgium when they’re planning a new European tour? We look forward to it!

Purple Pyramid Records  I  CLP 0274  I  Glass Onyon  I  Nektar

 
 
Picture
Juicy Lucy zag het licht in 1969 toen zanger Ray Owens, nadat The Misunderstood werd opgedoekt, samen met Glenn Ross Campbell (steel gitaar), Chris Mercer (saxofoon) besloten om een nieuwe band op te starten. Iets later werden gitarist Neil Hubbard, basspeler Keith Ellis en drummer Pete Dobson aan de line-up toegevoegd. Hun naam werd ontleend aan het werk van Leslie Thomas’ ‘The Virgin Soldiers’.
Datzelfde jaar was het al meteen raak, een eerste werkstuk, en meteen op het charismatische label Vertigo, lag in de platenrekken. Op deze langspeler vinden we hun grote hit, de Bo Diddley-cover ‘Who Do You Love?’, terug. Een jaartje later volgt ‘Lie Back and Enjoy’ hun debuut op. Maar ondertussen is de line-up al een eerste keer gewijzigd: Owens exit en Paul Williams is nu zanger en pianist, Rod Coombes vervangt drummer Pete Dobson en aan de gitaar Micky Moody die het van Neil Hubbard overnam. Twee leuke covers, de Willie Dixon klassieker ‘Built For Comfort’ en het van Frank Zappa geleende ‘Willie The Pimp’ zijn de magneten op dit album. En in 1971 krijgen we ‘Get A Whiff A This’. Ook voor dit album werd een personeelswissel doorgevoerd, nl. Jim Leverton verving Keith Ellis aan de bas. Deze langspeler werd uitgebracht op het befaamde Bronze label van Gerry Bron toen gesitueerd in Camden Town, Londen.
De nummers op deze langspelers zijn meer toegankelijker dan die op hun andere langspelers. Ze zijn transparanter en een beetje meer voor de handliggend. Zo wordt er geopend met het schitterende ‘Mr. Skin’, een nummer van Jay Ferguson (Spirit). De eerste echte knappe gitaarriffs krijgen we in ‘Midnight Sun’, een zinderende charismatische anti-oorlogs hymne, terwijl het gaspedaal wordt losgelaten voor een meer intimistisch nummer als ‘Midnight Rider’ van de Allman Brothers. Knappe gitaarinterventie van Moody en Glen Campbell die hem op steelgitaar bijtreedt. Nog meer knap gitaargespin krijgen we in het ietwat vreemd klinkende ‘Harvest’ en ‘Mr. A. Jones’ is dan weer een rustpunt waarin nu de akoestische gitaar centraal staat.
Dat de band sterk werd beïnvloed door Amerikaanse bands horen we ook nog in ‘Sunday Morning’ en dit is toch een van de beste nummers hier. ‘Big Lil’ is dan het nummer waarop Campbell op zijn steel gitaar zijn duivels ontbindt terwijl Micky Moody even de aandacht opeist maar wordt weggespeeld door Chris Mercer op de sax.
De ganse sfeer op dit album baadt in een bad van authenticiteit, de band klinkt zeer spontaan en we voelen aan dat ze tijdens de opname van dit album er erg van genoten hebben.

Alfons Maes (3½)

With the release of this album in 1971, it became clear that this wouldn’t be a commercial success. Nevertheless this album is one of their most accessible ones: less experimental compositions and we found more clean, straight lines in the songs.


 
 
Foto
In 1972 dook er plots vanover de grote oceaan een band op met een naam die eigenlijk niemand kon onthouden ‘Pavlov’s Dog and The Conditioned Reflex Soul Revue and Concert Choir’. Later werd het gewoonweg ‘Pavlov’s Dog’. Ze kwamen uit St. Louis, Missouri. Ze waren met zijn zevenen: Siegfried Carver (Richard Nadler - viool, vitar, viola), David Hamilton (keys), Doug Rayburn (mellotron, fluit), Rick Stockton (bas), Steve Scorfina (lead gitaar), David Surkamp (vocals, gitaar), Mike (drums, percussie).
Als nieuwe band en voor de opname van dit album, geproduceerd door Murray Krugman en Sandy Pearlman, het duo achter Blue Oyster Cult,  wisten ze maar liefst een voorschot van 650.000 dollar te verzilveren wat van hen de eerste band maakte die zo’n groot voorschot kreeg.
Het platenlabel, ABC, had grootse plannen met de band maar die werden helaas niet waargemaakt en de heren stapten over naar CBS waar ze nog eens 600.000 dollar kregen.
Wie Pavlov’s Dog kent zal het met ons eens zijn dat dit geen dagdagelijkse  muzikaal kroostje is want het waren stuk voor stuk zeer getalenteerde muzikanten, getuige hiervan hun jaarlijkse passage in The Spirit of ’66 te Verviers. En waarom het niet een alledaagse band was had wat te maken met de stem van David Surkamp, een stem die zowat het midden houdt met Roger Chapman en Geddy Lee of zelfs als een Marty Balin op helium. Muziekliefhebbers schrokken een beetje van zijn stemintonatie maar net dat was het bijzondere aan de band alhoewel de band in twee kampen was verdeeld. Zelfs indien ze alleen maar instrumentale nummers zouden gemaakt hebben, dan nog is hun muziek van een superieure kwaliteit. Sommige media verweten David Surkamp destijds dat hij sommige van hun nummers kapot maakte met zijn ietwat geforceerde stem. Integendeel, zeggen wij, Surkamps stem was eindelijk iets nieuws in de wereld van de hedendaagse rockmuziek.
Op dit album vinden we geen enkel  middelmatig nummer want Pavlov’s Dog had een sterk gevoel voor de juiste arrangementen.
‘Julia’, ‘Theme From Subway Sue’ en ‘Episode’ zijn ware pareltjes die met veel aandacht, en door inbreng van enkele extra instrumenten zoals een viola of een viool, gecomponeerd werden en waarbij de detail voor de muzikale arrangementen niet uit het oog werden verloren. Zelfs ‘Late November’ en het met sterke gitaarriffs beginnende ‘Song Dance’ zijn zeker niet te catalogeren als albumvulsel, luister maar eens goed naar de creativiteit en de perfecte mix van de instrumenten op deze nummers. En weer steken die schitterende arrangementen de kop op. Zeker geen eenvoudig nummer maar eenmaal je de smaak te pakken hebt speel je dit nummer keer op keer. Het sluitstuk is wat we noemen majesteus, klinkt als een overture uit een klassiek epos. Maar het was de inbreng van de twee producers die van dit nummer een meesterwerkje maakten.

Pavlov’s Dog is weer een van die serieus onderschatte rockbands van weleer. Hun muziek blijft zelfs de dag van vandaag nog even intrigerend, en fris, als in 1975. Het feit dat ze de dag van vandaag nog toeren en nieuwe cd’s uitbrengen is het bewijs dat er nog nieuwe volgelingen bijkomen die keer op keer hun muziek weten te (her)ontdekken.

Richard Nadler is er niet meer bij, hij overleed op 30 mei 2009.
Hun derde album werd wel opgenomen maar verscheen nooit totdat er een bootleg van verscheen met diverse namen: ‘Third’ (als bootleg), ‘Has Anyone Here Seen Siegfried?’ (het legale album) en ‘The St. Louis Hounddogs’ (bootleg). In 1990 verscheen nu het moeilijk te vinden album ‘Lost In America’.

Pavlov’s Dog zal weer te zien zijn in The Spirit of ’66 in Verviers op 12 november 2013.

Alfons Maes (5)

Pavlov's Dog is another one of those seriously underrated rock bands of yesteryear. Their music, even today, is still remarkable and intruiging than way back in 1975. The fact that they are still touring and bringing out new CD’s is proof that there are new followers who are (re)discovering the awesome music of Pavlov’s Dog.


 
 
Foto
In 1976 verscheen deze Amerikaanse band hun tweede album. De band had ondertussen al een personeelswissel gemaakt en zag er tijdens de opname van dit album als volgt uit:
David Surkamp (zang, gitaar), Douglas Rayburn (mellotron, bas, percussie), Steve Scorfina (lead gitaar), David Hamilton (keys), Richard Stockton (bas) en Thomas Nickeson (akoestische gitaar). In de studio kregen ze bezoek van o.m. William Bruford (Yes – King Crimson- drums), Mike Abene (Maynard Ferguson - orgel), Michael Brecker (Brecker Brothers - saxofoon), Andy Mackay (Roxy Music – saxofoon), Les Nicol (Leo Sayer - gitaar), Paul Prestopino (Edgar Winter, John Denver - mandoline), Elliot Randall (Steely Dan - gitaar) en Gavin Wright (Peter Gabriel - viool).
Zoals je kunt lezen zeker geen klein bier deze gastmuzikanten; hadden ze dan toch het talent van Pavlov’s Dog ontdekt?
Nog steeds met die aanstekelijke stem van Surkamp alhoewel ze een beetje getemperd klink op sommige nummers, wordt ingezet met het schitterende ‘She Came Shining’. Met de mooie ballad ‘Standing here With You’ wordt het even wegdromen want het nummer wordt gedragen op de hemelse pianoklanken van David Hamilton. ‘Mersey’ is een volgende indicatie dat het talent van deze muzikanten, en die in het bijzonder van hoofdcomponist Surkamp, nog steeds niet lijkt op een uitgewrongen dweil. ‘Valerie’ heeft dan weer compositorisch een beetje weg van het sluitingsnummer van hun debuut langspeler ‘Pampered Menial’. Luister vooral naar de gitaarklanken van Steve Scorfina en wie kent deze gitarist eigenlijk? Weer een onderschat gitarist!
‘Gold Nuggets’ en ‘She Breaks Like A Morning Sky’ zijn overduidelijk nummers die netjes binnen de juiste lijnen werden gekleurd en ‘Did You See Him Cry’ begint dan weer op een manier waarop andere bands jaloers zouden zijn. Wel ontdekken we enkele invloeden van de Moody Blues en wat Gentle Giant.
Samengevat kunnen we besluiten dat ‘At The Sound Of The Bell’ een heerlijk album is als je Pavlov’s Dog’s nu eindelijk eens op waarde gaat schatten. Ondanks de inbreng van de extra studiomuzikanten komt het album niet echt in de buurt van hun debuut. Maar ook hier is het weer een persoonlijke smaak. Toch geven we graag vier sterren aan dit knap album.

Pavlov’s Dog zal weer te zien zijn in The Spirit of ’66 in Verviers op 12 november 2013.

Alfons Maes (4)

In summary we can conclude that 'At The Sound Of The Bell' is a great album if you're finally going to estimate Pavlov's Dog’s value. Despite of the addition of the famed studio musicians, the album is not really coming close to their debut ‘Pampered Menial’. But this is a personal taste. Yet we give four stars to this magnificent album.


 

FM: Surveillance

08/04/2013

 
Foto
Deze derde plaat van dit Canadese trio werd in 1979 publiek gemaakt. Hun eerste plaat ‘Black Noise’ was tamelijk onverwacht redelijk succesvol en ze werden meteen een belangrijke naam in het spacerock genre. De tweede plaat ‘Direct To Disc’ werd live opgenomen op twee sporen en vertoonde een experimenteel karakter. Dit maakte dat er toch wel wat druk en verwachtingen bestonden met betrekking met de derde plaat van dit trio. Ze moesten zeker even goed doen als hun debuutplaat.  Bovendien stak het bankroet van de Canadese verdeler van Passport Records bijna nog stokken in de wielen, gelukkig kon er een deal gemaakt worden met Capitol Records. Met ‘Rocket Roll’ bewijst de groep meteen dat ze een hechte, compacte sound hebben kunnen uitpuren met uitstekende vocalen van Cameron Hawkins. ‘Orion’ is een kort instrumentaal nummer met vaart in dat naadloos overloopt in ‘Horizons’, waar de nadruk ligt op meerstemmige zang die bijzonder goed gelukt is. Je hoort in deze derde plaat dat Ben Mink die net bij de groep was toen ‘Direct To Disc’ werd opgenomen, zijn plaats heeft gevonden. De groep heeft ook haar eigen sound gevonden die je in alle composities terug hoort. De samenwerking met Larry Fast, o.a. bekend van de Peter Gabriel soloplaten is daar misschien niet vreemd aan. Bovendien had de groep voor het eerst voldoende tijd om zich voor te bereiden voor de opname van deze plaat. Ook op ‘Random Harvest’ wordt de positieve lijn verder getrokken; een puike compositie wordt gecombineerd met overtuigende vocalen en even goede instrumentale prestaties. Met de ‘Shape of Things’ grijpt het trio terug naar een Yardbirds compositie uit 1966. Het resultaat is verrassend poppy. Het blijft space-rock maar met eigentijdse accenten en erg toegankelijk. ‘Seventh Heaven’ is zowat het centrale stuk van deze plaat. Aan de basis ligt een Griekse folklore nummer gespeeld door Ben Mink. Maar in de bewerking van FM hoor je een uptempo drumbeat, zwierige synths en een speelse electrische viool die muzikaal het bedje spreiden voor de uitstekende vocals van Cameron Hawkins en Ben Mink. ‘Father Time’ is een vlot en speels nummer dat vooral door de vocals op een hoger niveau getild wordt, ook de viool mag er zijn. Het beste nummer van deze plaat. ‘Sofa Back’ snelt nerveus de startblokken uit met een, hoofdrol voor de viool van Ben Mink. Heavy en poëtisch tegelijkertijd, dat is een bijzonder interessante en zeldzame combinatie. Op ‘Destruction’ leunt de sound een beetje meer aan bij de rocksound maar uiteindelijk duiken de spacerock-accenten weer op. We mogen wel stellen dat deze derde plaat van FM de verwachtingen zeker heeft ingelost t.o.v. de fans van het eerste uur die de groep leerden kennen met de debuutplaat ‘Black Noise’.

Peter Desmet (3)

It is fantastic that his kind of records of the seventies are reissued. In het seventies plenty of good music was made and this record is proof of that. FM, the trio from Canada are worth being known. A little bit late, maybe, but still you can buy their records now!

Esoteric Recordings  I  ECLEC 2382  I  Cherry Red Records  I  FM

 
 
Foto
Een Belgisch debuutalbum, daar zijn we altijd wel voor te vinden. Reeds in 2003 inspireerde voorman Vincent Defresne zich op een schilderij van de Russisch, Joodse kunstenaar Marc Chagall, “de groene violinist” en besloot hij dat dit de naam zou worden van zijn toekomstig muziekproject. Defresne speelde toen nog bij Siobhan maar toen hij daar de handdoek in de ring gooide kon hij beginnen met “The Green Violinst”. Daarvoor deed hij beroep op bassist Regis Planque (ook ex-Siobhan) en drummer Gabriel Peeters.
De plaat opent meteen erg fors met ‘The Great Scapegoat Seeking’. Je hoort oosterse klanken tussen de stevige gitaren en keyboards waarna het nummer naar rustigere waters laveert. Defresne heeft een prachtige stem die dan ook ten volle wordt uitgespeeld en die knap ondersteund wordt door het gitaarwerk van Mathieu Vandermolen en Raphael Bresler. Ook de backing vocals van Emilie Laclais kunnen we meer dan smaken, ze zijn gewoonweg voortreffelijk. Vanaf de opener wordt duidelijk dat de groep zich laat inspireren door de betere symfonische rock en progressieve rock. De composities worden geduldig en veelgelaagd opgebouwd. Een geluk daarbij is dat ze over hun eigen opnamestudio, Jedinakow in Fontenoy, beschikken. ‘Velvet Road’ begint met een opmerkelijke akoestische gitaar (à la Ojos de Brujo) om dan de welluidende stem van Vincent Defresne terug helemaal vrij baan te geven. De eerste helft van dit eerder melancholisch en ingetogen liedje wordt enkel door stem, basdrum, akoestische gitaar en spaarzame keyboards gedragen en het resultaat is adembenemend. Mogen we tussendoor deze jongens ook complementeren met hun uitstekende Engels, zowel in het schrijven van de teksten als de zang ervan. Het zwierige en up-tempo ‘Shy People’ wordt aange-stuurd door een prachtig orgeltje. Volgens mij een nummer dat het op de radio heel erg goed zou doen. Het pièce de résistance op deze schijf is het maar liefst 13 minuten durende ‘Do Worry Be Sad’. Geen vrolijke song, verre van want erg getormenteerd en donker gekleurd maar met verve gebracht. Vooral de instrumentale passages tussen de gezongen gedeeltes van dit nummer getuigen van grote klasse. In hun dankwoord in de liner notes worden Marillon en Barclay James Harvest bedankt (Nick Drake trouwens ook). Niet onterecht want ze musiceren in die traditie zonder klakkeloos te kopiëren. Ook ‘Human Connection’ is een bijzonder donker en neerslachtige compositie, maar het levert wel mooie muziek op. Het is duidelijk dat Desfresne heel wat begrip en symphatie kan opbrengen voor de verschoppelingen van onze maatschappij voor wie overleven niet zo eenvoudig is. ‘Any Words You Say Won’t Be Enough’ is opgedragen aan Hélène De Deken een meisje dat overleed op 15-jarige leeftijd. Het is bloedstollend mooi door toedoen van de doorleefde vocals van Desfresne en het prachtige klavier en gitaarwerk. De plaat eindigt met ‘Bad Inheritance (A Song To Cure) waar meerstemmige vocalen en piano de song inkleuren en waar de  instrumenten even heel lichtjes met funk en reggae flirten om dan plaats te maken voor een heus koor.
Slotsom: een uitstekende en zeer gevarieerde plaat. Ik ben wel benieuwd of de opvolger ook zo donker gekleurd gaat worden.

Peter Desmet (3½)


This is an excellent debut album from a new young Belgian group that will bring new live to   progrock & symphonic rock. Good lyrics, excellent voices and beautiful musicianship are resulting in a splendid album. I am already waiting for their second album!

Galileo Records  I  GLR111CD GR034  I  Gonzo Multimedia  I  Glass Onyon  I  Green Violinist

 
 
Foto
Bij Esoteric Recordings hebben ze een zwak voor muziek uit de late jaren zestig of vroege jaren zeventig, zoveel is zeker. Soms gaan ze acts uit die periode, waarvan wij het bestaan een beetje waren vergeten, terug uitgraven. Soms vragen we ons af: ‘Van waar komt deze interesse?’
Toen wij de cd ‘Tombstone Valentine’ van de Brits/Finse band ‘Wigwam’ in handen kregen stelden wij ons dezelfde vraag. Maar er wordt tegenwoordig al zoveel drek over onze hoofden uitgekapt, dat wij ons na beluistering van ‘Tombstone Valentine’ van Wigwam met de heruitgave konden verzoenen.
De lp release dateert van december 1970 (Love Records LRLP 9) en ‘Tombstone Valentine’ is zo’n typische plaat uit die periode. We waren nog aan het afkicken van de Flower Power en hadden net de blues (her)ontdekt.
Neen, Wigwam is niet eens zo slecht en een track als ‘For America’ is een prachtig jazz nummer dat evengoed van wijlen Dave Brubeck had kunnen zijn. De titeltrack en ‘Captain Supernatural’ ruiken enigszins naar The Beatles en ‘End’ gaat na enig elektronisch gepruts over in een soort Procol Harum.
De weinig toegankelijke, in het Fins gezongen bonustracks ‘Pedagogi’ en ‘Haato’ (a en b kantje van hun single LRS 1047, origineel uitgebracht in maart 1970) lijken mij dan weer ietwat overbodig en staan haaks op de rest van ‘Tombstone Valentine’.
Wigwam is samengesteld uit de Brit Jim Penbroke (zang) en zijn Finse kompanen Jukka Gutavson (zang, orgel, piano), Pekka Pohjola (bas) en Ronnie Osterberg (drums).
Maar het meest in het oog springende feit is wel dat de productie van ‘Tombstone Valentine’ in handen was van Kim Fowley en die naam moet bij iedereen die zich rockfan noemt een belletje doen rinkelen. Deze uit Los Angeles afkomstige producer werkte ondermeer samen met Soft Machine, Frank Zappa, B Bumble And The Stingers (van ‘Nut Rocker’), The Byrds en nog vele andere. Hij heeft allicht ook een voet in het feit dat ‘Tombstone Valentine’ de allereerste Finse plaat was die in de States werd uitgebracht. Kim Fowley eigende zich ook het recht toe om op ‘Autograph’ zijn naam als componist naast die van Jim Penbroke te zetten.
Niemand kon zich herinneren welke verdienste Kim Fowley hierbij had. Men gewaagd hier van ‘Strangely credited to Kim Fowley’.

Ivan Van Bellegem (3)

The most suprising thing about Wigwam’s ‘Tombstone Valentine’ is the fact that it was produced by Kim Fowley.

Esoteric Recordings  I  ECLEC 2372  I  Cherry Red Records  I  Wig Wam

 
 
Foto
Uit Zwitserland komt er niet al te veel muziek tot ons. Ik herinner me de toetsenman van Yes, Patrick Moraz (ex-Moody Blues) en de harpist Andreas Vollenweider.  In elk geval is dit is de derde plaat van de progressieve rockfomatie Zenit. De groep werd in 1998 opgericht door bassist Andy Thommen, keyboardist Ivo Bernasconi en drummer Gino Pedruzzi. Alle drie hadden ze ervaring opgedaan in andere groepen. In 2001 worden ze vervoegd door zanger Lorenzo Sonognini en de debuutplaat van de groep Pravritti wordt gereleased. De nummers worden in het Engels en het Italiaans gezongen. In 2006 worden ze nog versterkt met de gitarist Luigi Biamino en de 2e plaat ‘Surrender’ wordt op het grote publiek los gelaten. Deze tweede plaat kon op heel wat goede kritieken rekenen, binnen en buiten Zwitserland en de meest geciteerde invloeden waren Genesis, Marillon, Kansas, Supertramp en Gentle Giant. Zowaar geen slechte referenties als je een symfonische rockgroep bent.
Hoe dan ook op 28 januari 2013 lanceerde de groep haar derde plaat, ‘The Chandrasekhar Limit’. Drummer Pedruzzi werd ondertussen vervangen door Gabriele Schira.  De plaat opent fors met het twaalf minuten durende ‘Awaken’. Het begint akoestisch waarna zanger Sonognini vocaal krachtig inzet. Sonognini’s stem doet enorm veel aan de vocalen van Marillon denken. Je hoort echter wel dat hij geen native English zanger is, maar zijn stem klinkt in elk geval erg zuiver. Instrumentaal is Awaken echt wel in orde; de gitaar, synthesizers en bas vinden elkaar zonder problemen. Vooral de instrumentale tussenstukken komen erg goed uit de verf. ‘Cub Lady’ lijkt wel een lullaby/slaapliedje. Akoestische gitaar en een beetje synth, samen met een stem. Een erg rustig tussendoortje. ‘PiGreco’ begint erg poppy en funky en erg springerig. Als Belg zijnde, doet het me een beetje aan Machiavel denken. De verschillende instrumentale delen van het nummer zijn echt wel te pruimen maar met de overgangen en het geheel zijn er toch een paar probleempjes. Eén ding is zeker, de muzikanten van Zenit kunnen musiceren, compositorisch gezien moeten ze echter nog een stapje hoger mikken om een perfect, afgerond geheel te kunnen halen. ‘Matrimandir’ is erg geïnspireerd door India, van daar dat er ook in het Sanskriet wordt gezongen en dat er sitarklanken verweven zitten in het geheel en bizar genoeg komt de stem van Sognini daarmee veel beter tot haar recht. Instrumentaal blijft het volop genieten vooral van de gitaar van Biamino en de keyboards van Bernasconi. De kwaliteit van Genesis, Gentle Giant of Yes uit de jaren ’70 wordt inderdaad zonder veel moeite geëvenaard. Dit lang uitgesponnen nummer van 17 minuten doet me ook sterk denken aan de sound van de Chileense band Los Jaivas die etnische muziek, Chileense folklore en rock op een ingenieuze wijze tot één muzikaal geheel boetseert. ‘Matrimandir’ is opgebouwd uit tal van verschillende stukjes, spijtig genoeg is de optelsom van de verschillende gedeelten niet 100% overtuigend.
‘Pulsar’ is een instrumentaal intermezzo dat aangenaam in de oren klinkt en eerst niet echt beklijft tot Luigi Biamino zijn gitaarduivels ontbindt ondersteund door degelijke synthesizers. De perfecte aan loop naar het piece de résistance van deze plaat, het maar liefst 25 minuten durende ‘The Daydream Suite’. Dat nummer wordt in de persnota gelinkt aan Pink Floyd, maar dat lijkt ons toch wel een beetje te veel lof. Vooral de stem van Sonognini kan de vergelijking met de stemmen van Roger Waters en David Gilmour onmogelijk weerstaan. De kwaliteit van de lyrics is eveneens verre van schitterend en ronduit amateuristisch. Genesis uit haar beginperiode is een veel accuratere referentie. Instrumentaal zit het gelukkig echter wel snor. Een grote pluim voor de keyboards van Bernasconi, de gitaar van Biamino, de bas van Thommen en het drumwerk van Schira.
Een goede plaat maar zeker niet van de allerhoogste rang. Dat zit er echter wel in voor de volgende platen, mits betere zang en kwaliteitsvolle lyrics. Een goede producer kan daar echt wonderen voor elkaar brengen.

Peter Desmet (3)

This is a fine album. Zenit is ready for a bigger audience. This record is very promising and a treat for the aficionados of symphonic rock. But the lyrics and the voices must improve a lot to make a good impression on the international scene. However I am convinced that the next album will be a lot better.

Galileo Records  I  GRO35/GLR112CD  I  Gonzo Multimedia  I  Glass Onyon  I  Zenit

 

FM: Direct to Disc

11/03/2013

 
Foto
De Canadese groep FM bestond eerst uit het duo Cameron Hawkins (vocals, synthesizer en basgitaar) en Nash The Slash (elektrische viool en mandoline). In februari 1977 breiden ze uit tot een trio door toedoen van de drummer Martin Deller en nemen ze hun eerste plaat ‘Black Noise’ op. Een half jaar later in de herfst van 1977 krijgen ze het aanbod van de Phase One Studios uit Toronto om een live-plaat op te nemen die direct op plaat wordt geperst, het zogenaamde direct-to-disc., waarbij alles onmiddellijk in de groeven wordt gegrift zonder dat er enige mogelijkheid bestaat tot overdubs of zo. Vooral audiofielen stellen direct-to-disc erg op rijs vanwege het spontane karakter van deze opnames waar je echt niets meer aan kunt veranderen. Cameron en Deller zien dat aanbod echt wel zitten. Het probleem is enkel dat Nash the Slash de groep reeds verlaten heeft omdat hij zich niet goed in zijn vel voelt. Ondanks de technische beperkingen; de plaat mag enkel 2 x 16 minuten muziek bevatten die je live opneemt, is FM enthousiast want artistiek gezien krijgen ze volledig carte blanche. Gelukkig vinden Hawkins en Deller in de persoon van Ben Mink, de muzikant die hen uit de nood wil helpen. Mink speelde in een Canadese folkband, the String Band en werkte ook samen met singer/songwriter Murray McLaughlin. Vooral van belang was dat Mink ook de elektrische viool bespeelde, daarmee zorgde hij toch al voor een belangrijk element wat continuïteit betreft. Deze plaat bestaat eigenlijk maar uit twee lange composities. ‘Headroom’ is van de hand van Cameron Hawkins, terwijl ‘Border Crossing’ van de hand van drummer Martin Deller is.
De plaat opent erg dynamisch. De vergelijking met de Duitse Krautrock dring zich op. Het lijkt me meer dan overduidelijk dat het trio Hawkins, Mink en Deller toch wel vertrouwd is met deze Duitse muziek. De twee plaatkanten hebben elk hun titel meegekregen. De A-kant heet ‘Headroom’ en is zeer afwisselend. Klassieke synthesizer-partijen zoals we ze kennen uit de jaren ’70 worden afgewisseld met opwindende performances van de elektrische viool van Ben Mink. Plaatkant twee heet ‘Border Crossing’ en is eveneens meer dan de moeite waard. Er zijn minder vocalen te beluisteren dan op de debuutplaat ‘Black Noise’ maar waar er vocalen zijn voegen ze echt iets toe aan het totaalgeluid. Het is bijna niet te geloven dat deze plaat werkelijk in één take is opgenomen. Een grote pluim voor de drie muzikanten die dit huzarenstukje mogelijk maakten.
Hoe het ook zij we mogen werkelijk dankbaar zijn dat dank zij het harde werk van Cherry Red records in Engeland dit soort prachtige opnames eindelijk ook in het bereik komen van het Europese publiek. Hoe mooi het ook was de vinylplaten hadden erg duidelijk hun beperkingen. Van daar ook dat reuze platen zoals deze nooit in Europa beschikbaar waren. Iets wat onbegrijpelijk is in het digitale tijdperk waar we nu in leven.

Peter Desmet (4)



 

FM: Black Noise

11/03/2013

 
Foto
In 1976 besloten twee van Toronto’s meest getalenteerde multi-instrumentalisten hun krachten samen te bundelen. Cameron Hawkins en Nash the Slash ontmoetten elkaar op een jamsessie in de lente en ze besloten FM op te richten. Nash the Slash doorliep Toronto’s Roayl Conservatory of Music maar begin jaren ’70 was hij ook actief in een Trash/Prog–rock band ‘Breathless’ genaamd. Vooral het feit dat hij af en toe zijn viool in de fik stak bleef het publiek bij. Cameron Hawkins speelde als kind piano en haalde een muziekdiploma voor cello als tiener. Op school speelde hij in een kamerorkest en na zijn middelbare school schakelde hij over op basgitaar. Beide heren speelden voor de eerste keer drie nachten na elkaar samen in de kunst/media gallerij A Space 76 in Toronto. Alle grote plztenfirma’s waren aanwezig maar het is de nationale omroep de Canadian Broadcasting Corporation (CBC) die het duo een plaat zal laten opnemen onder leiding van de Britse producer Keith Whiting, die net gearriveerd was van het Britse Decca-platenlabel. In de lente ’77 werd het duo aangevuld met drummer/percussionist Martin Deller. Deller had daarvoor al met Nash the Slash samen gespeeld. FM was heel tevreden met de mogelijkheid een plaat in de studio op te nemen. Niet evident voor een groep die geen gitarist in haar rangen telde, eigenlijk zeer ongewoon voor die periode. CBC was alleen wel verschrikkelijk voorzichtig. Er werden amper 500 exemplaren van deze debuutplaat geperst en ze was enkel via mailorder te koop. Bovendien werd de plaat nooit buiten Canada uitgebracht. Een reden te meer om het Engelse platenlabel Esoteric Recordings heel erg dankbaar te zijn!
‘Phasors On Stun’ schiet heel fris uit de startblokken met leuke vocalen en wervelende synths. Het is tegelijkertijd een poppy nummer dat ook radiovriendelijkheid uitstraalt. Vooral de synts van Cameron Hawkins bepalen de sound van dit liedje. ‘One O’Clock Tomorrow’ zet de poppy sound gedomineerd door de synths gewoon verder. Het middenstuk van dit liedje telt een synth/piano solo die enorm aan Genesis doet denken. Voortreffelijk ritmewisselingen en overtuigende lead vocalen van Cameron maken dat dit nummer staat als een huis. ‘Hocus’ is een kort instrumentaal nummer dat meer aanleunt bij jazz. De rock-jazz fusion was het van het in de jaren ’70, maar het wordt hier onberispelijk gebracht, we hebben dus helemaal niets aan te merken. ‘Journey’ start meteen stevig rockend maar neemt een beetje gas terug wanneer Hawkins begint te zingen. Het snelle up-tempo wordt enkel wat afgeremd voor de refreinen; puike zang en uitstekende sound. ‘Dialing for Dharma’ is up-tempo insturmentale spielerei waar de elektrische viool van Nash the Slash zich helemaal kan smijten. ‘Slaughter in the Robot Village’ is alweer instrumentaal maar heeft een groot rock-DNA gecombineerd met spacey geluiden de elektische viool. Het doet ook denken aan de betere kraut-rock uit de jaren ’70. ‘Alderbaran’ is een nummer dat volledig in de lijn ligt van de symfonische rock uit de tweede helft van de jaren ’70, toen zo populair en succesvol. Het slotnummer ‘Black Noise’ heeft meer van heavy rock weg dan van symfonische rock, zelfs al zijn er geen gitaren in het spel. Voor mij het beste, want meest overtuigende nummer op de plaat. De electrische viool haalt mooie toeren uit en er is een fantastische outro waar bas en synths schitteren, waarna de vocalen nog eens de revue passeren.

Peter Desmet (4)

This record is really a gem. Only known in Cananda, up till now. It shows clearly how symfonic rock doesn’t have to be boring and exagerated. As always very interesting information in the liner notes.

Esoteric Records  I  ECLEC2376  I  Cherry Red Records