35 Jaar geleden verscheen “Frampton Comes Alive”, een live opname waarvan de impact nauwelijks kan overschat worden. Het was het vijfde solo-album van Peter Frampton, die reeds naam in de rockwereld had gemaakt met groepen als ‘The Herd’ en, het samen met Steve Marriott (ex-Small Faces) opgerichte, ‘Humble Pie’. Dankzij de megahit “Show Me The Way”, ging de dubbel-elpee “Frampton Comes Alive” in de States 6 miljoen keer over de toonbank en werd dan ook het best verkochte album in 1976. Tijd voor een gesprek met de legende die op 18 november eindelijk nog eens ons land aandoet om de verjaardag van deze tijdloze opname in de verf te zetten.
Je hebt net een lange tournee achter de rug om je 14de studio-album “Thank You Mr Churchill” te promoten en nu, enkele maanden later, maak je opnieuw een wereldwijde trip om de 35ste verjaardag van “Frampton Comes Alive” onder de aandacht te brengen.
FRAMPTON : Inderdaad. Het lijkt misschien een lastige opgave, maar niet voor mij. Ik ben altijd al een ‘live-performer’ geweest. Let wel, ik geniet van het componeren en opnemen van nieuwe nummers, maar die worden toch steeds gemaakt om ze uiteindelijk ‘live’ met mijn publiek te delen.
Na het “…Comes Alive”-album was je niet enkel meer een gerespecteerde rockmuzikant, maar werd je een mega popster. Wat doet dat met een 26-jarige?
FRAMPTON : Het “idool zijn” kwam pas enige tijd na de release, toen de foto’s en de videoclips hun werk hadden gedaan. Het was alsof ik in een storm terechtkwam. Alles gebeurde om me heen zonder dat ik er nog veel vat op had. Het gevoel was “dubbel”: fantastisch om mee te maken, maar ik realiseerde me ook dat de druk voor een volgend studioalbum zo hoog was, dat ik de verwachtingen nooit kon inlossen. Een popidool heeft een beperkte houdbaarheidsdatum. Weinigen houden het langer uit dan 2 jaar en zo ging het ook bij mij. Een rockmuzikant daarentegen kun je je ganse leven zijn.
Het album stond 97 weken in de ‘Billboard 200’, waarvan 10 weken op nummer 1. Een fantastische prestatie. Terugkijkend, was “..Comes Alive” een zegen voor jou en je carrière of eerder een last?
FRAMPTON : Uiteindelijk was het een zegen (lacht), ik heb zoveel dingen mogen meemaken waar andere muzikanten enkel van kunnen dromen en dat heb ik toch aan het album te danken.
Waarom werden de nummers van je eerste 4 studio albums pas een succes nà hun live-uitvoering?
FRAMPTON : Die nummers waren goed, maar zoals ik reeds zei, is ‘live performing’ mijn ding en door de interactie met het publiek kan ik steeds dat ietsje meer dan in een studio. Je moet ook weten dat de meeste opnames die uiteindelijk op de plaat verschenen, bijna allemaal werden opgenomen tijdens de eerste avond van onze tour. Dit optreden in Winterland, Los Angeles was één van de eerste keren waar we zelf ‘headliner’ waren. Dit gaf ons een ongelofelijk ‘drive’ om er onze beste show ooit te geven. Het 7000-koppig publiek kwam er voor ons alleen en de ‘band’ speelde met een aanstekelijk enthousiasme. Alles zat mee die avond en toen we enkele dagen later naar die opnames luisterden, was het duidelijk dat deze ‘af’ waren, klaar om losgelaten te worden op de wereld, zonder veel overdubs of studiotrucjes.
Na het enorme succes volgden enkele zware tegenvallers. Als acteur maakte je kort daarna de film “Sgt. Peppers Lonely Heartsclub Band” samen met The Bee Gees. De film flopte en werd door de critici met de grond gelijk gemaakt. In ’78 had je een bijna fataal auto-ongeluk en in 1980 gingen al je gitaren verloren in een vliegtuigcrash, waaronder je favoriete gitaar de “Les Paul Custom” (die op de hoes van “…Comes Alive” staat). Dacht je dat er toen een vloek op jezelf en je carrière rustte?
FRAMPTON : Gemakkelijk was het niet. Je gaat van de hoogste top naar het diepste dal. Bijna 20 jaar heeft het geduurd, maar ik ben een “survivor” en “what doesn’t kill you, makes you stronger”.
In 1995 bracht je “Frampton Comes Alive II” uit. Wou je terug de draad oppikken of kwam het idee van de platenmaatschappij om terug een commercieel hoogtepunt te bereiken?
FRAMPTON : Geen van beide, het was een logische keuze. Oké, het lijkt misschien een commerciële zet, maar die eerste “Comes Alive” was er nu eenmaal en in ‘95 had ik terug een pak goede nummers die ik live wou opnemen. Het succes was matig, zeker in vergelijking met “Comes Alive (I)”, maar dat hadden we verwacht. Uiteindelijk was het gewoon iets wat ik écht zelf wilde en waar ik veel plezier aan beleefd heb.
Doorheen je carrière heb je met vele muzieklegendes samengewerkt. Je ging in ’87 met je oude schoolmakker David Bowie op tournee tijdens zijn “Glass Spider Tour”, en je hebt ook al samengewerkt met ‘Stone’ Bill Wyman en ‘Beatles’ Ringo Star en George Harrison. Aan welke samenwerking hou je de fijnste herinneringen over?
FRAMPTON : Zonder enige twijfel George Harrison! Je kan je niet inbeelden hoe het voelt wanneer een ‘Beatle’ je opbelt en vraagt om mee te spelen op zijn album. Tijdens de samenwerking op “All Things Must Pass” heb ik George Harrison leren kennen, niet alleen als de fantastische muzikant, maar ook als één van de meest innemende en meest bescheiden mensen die ik ooit ontmoet heb.
Terug naar het “…Comes Alive” album. Tijdens het nummer “Do You Feel Like We Do” introduceer je “BOB MAYO ON THE KEYBOARDS….. BOB MAYO!”… een uitroep die al je fans herkennen. Toen hij in 2004 overleed, verklaarde je ‘dat het was alsof je een broer verloor’. Welke impact heeft dit nog als je tegenwoordig het nummer speelt?
Je hebt net een lange tournee achter de rug om je 14de studio-album “Thank You Mr Churchill” te promoten en nu, enkele maanden later, maak je opnieuw een wereldwijde trip om de 35ste verjaardag van “Frampton Comes Alive” onder de aandacht te brengen.
FRAMPTON : Inderdaad. Het lijkt misschien een lastige opgave, maar niet voor mij. Ik ben altijd al een ‘live-performer’ geweest. Let wel, ik geniet van het componeren en opnemen van nieuwe nummers, maar die worden toch steeds gemaakt om ze uiteindelijk ‘live’ met mijn publiek te delen.
Na het “…Comes Alive”-album was je niet enkel meer een gerespecteerde rockmuzikant, maar werd je een mega popster. Wat doet dat met een 26-jarige?
FRAMPTON : Het “idool zijn” kwam pas enige tijd na de release, toen de foto’s en de videoclips hun werk hadden gedaan. Het was alsof ik in een storm terechtkwam. Alles gebeurde om me heen zonder dat ik er nog veel vat op had. Het gevoel was “dubbel”: fantastisch om mee te maken, maar ik realiseerde me ook dat de druk voor een volgend studioalbum zo hoog was, dat ik de verwachtingen nooit kon inlossen. Een popidool heeft een beperkte houdbaarheidsdatum. Weinigen houden het langer uit dan 2 jaar en zo ging het ook bij mij. Een rockmuzikant daarentegen kun je je ganse leven zijn.
Het album stond 97 weken in de ‘Billboard 200’, waarvan 10 weken op nummer 1. Een fantastische prestatie. Terugkijkend, was “..Comes Alive” een zegen voor jou en je carrière of eerder een last?
FRAMPTON : Uiteindelijk was het een zegen (lacht), ik heb zoveel dingen mogen meemaken waar andere muzikanten enkel van kunnen dromen en dat heb ik toch aan het album te danken.
Waarom werden de nummers van je eerste 4 studio albums pas een succes nà hun live-uitvoering?
FRAMPTON : Die nummers waren goed, maar zoals ik reeds zei, is ‘live performing’ mijn ding en door de interactie met het publiek kan ik steeds dat ietsje meer dan in een studio. Je moet ook weten dat de meeste opnames die uiteindelijk op de plaat verschenen, bijna allemaal werden opgenomen tijdens de eerste avond van onze tour. Dit optreden in Winterland, Los Angeles was één van de eerste keren waar we zelf ‘headliner’ waren. Dit gaf ons een ongelofelijk ‘drive’ om er onze beste show ooit te geven. Het 7000-koppig publiek kwam er voor ons alleen en de ‘band’ speelde met een aanstekelijk enthousiasme. Alles zat mee die avond en toen we enkele dagen later naar die opnames luisterden, was het duidelijk dat deze ‘af’ waren, klaar om losgelaten te worden op de wereld, zonder veel overdubs of studiotrucjes.
Na het enorme succes volgden enkele zware tegenvallers. Als acteur maakte je kort daarna de film “Sgt. Peppers Lonely Heartsclub Band” samen met The Bee Gees. De film flopte en werd door de critici met de grond gelijk gemaakt. In ’78 had je een bijna fataal auto-ongeluk en in 1980 gingen al je gitaren verloren in een vliegtuigcrash, waaronder je favoriete gitaar de “Les Paul Custom” (die op de hoes van “…Comes Alive” staat). Dacht je dat er toen een vloek op jezelf en je carrière rustte?
FRAMPTON : Gemakkelijk was het niet. Je gaat van de hoogste top naar het diepste dal. Bijna 20 jaar heeft het geduurd, maar ik ben een “survivor” en “what doesn’t kill you, makes you stronger”.
In 1995 bracht je “Frampton Comes Alive II” uit. Wou je terug de draad oppikken of kwam het idee van de platenmaatschappij om terug een commercieel hoogtepunt te bereiken?
FRAMPTON : Geen van beide, het was een logische keuze. Oké, het lijkt misschien een commerciële zet, maar die eerste “Comes Alive” was er nu eenmaal en in ‘95 had ik terug een pak goede nummers die ik live wou opnemen. Het succes was matig, zeker in vergelijking met “Comes Alive (I)”, maar dat hadden we verwacht. Uiteindelijk was het gewoon iets wat ik écht zelf wilde en waar ik veel plezier aan beleefd heb.
Doorheen je carrière heb je met vele muzieklegendes samengewerkt. Je ging in ’87 met je oude schoolmakker David Bowie op tournee tijdens zijn “Glass Spider Tour”, en je hebt ook al samengewerkt met ‘Stone’ Bill Wyman en ‘Beatles’ Ringo Star en George Harrison. Aan welke samenwerking hou je de fijnste herinneringen over?
FRAMPTON : Zonder enige twijfel George Harrison! Je kan je niet inbeelden hoe het voelt wanneer een ‘Beatle’ je opbelt en vraagt om mee te spelen op zijn album. Tijdens de samenwerking op “All Things Must Pass” heb ik George Harrison leren kennen, niet alleen als de fantastische muzikant, maar ook als één van de meest innemende en meest bescheiden mensen die ik ooit ontmoet heb.
Terug naar het “…Comes Alive” album. Tijdens het nummer “Do You Feel Like We Do” introduceer je “BOB MAYO ON THE KEYBOARDS….. BOB MAYO!”… een uitroep die al je fans herkennen. Toen hij in 2004 overleed, verklaarde je ‘dat het was alsof je een broer verloor’. Welke impact heeft dit nog als je tegenwoordig het nummer speelt?
FRAMPTON : Wel, Bob was een fantastisch keyboardspeler en hoezeer ik hem ook mis tijdens het nummer, wil ik toch benadrukken dat we met Rob Arthur een waanzinnige vervanger hebben gevonden en dat geldt ook voor de rest van de band. Stanley Sheldon, onze bassist is, behalve ikzelf, het enige levende lid dat nog op de originele opnames heeft gespeeld en ook hij is er gelukkig opnieuw bij.
Is “… Comes Alive” voor jou je grootste verwezenlijking?
FRAMPTON : Commercieel gezien zeker. Maar toen ik in 2007 een Grammy kreeg voor mijn instrumentale album “Fingerprints” was dit voor mij toch het hoogtepunt uit mijn muzikale carrière.
Als geboren Engelsman verhuisde je in de jaren zeventig naar de Verenigde Staten, maar het was pas na 9/11 dat je een verzoek voor het U.S.-staatsburgerschap indiende.
FRAMPTON : Inderdaad, de idee was er al langer, maar de gebeurtenissen van 9/11 waren zo ingrijpend dat ik het als een plicht vond om het Amerikaanse staatsburgerschap te verkrijgen. Ik leef er nog steeds graag en de Verenigde Staten zijn ook steeds goed voor mij geweest. Ik wou dan ook dat ik kon gaan stemmen en zo mee kon bepalen welke richting het land zou uitgaan in de toekomst.
Tenslotte enkele korte vraagjes : welk nummer had je zelf graag geschreven?
FRAMPTON : Er zijn er zoveel, maar “Reach Out I’ll Be There” van ‘The Four Tops’ vind ik een tijdloos nummer.
Welke artiest heeft je het meest beïnvloed ?
FRAMPTON : Django Reinhardt, toevallig een Belg (lachend), nee écht waar! Django is zonder twijfel de gitarist waar ik met het meeste respect naar opkijk. Leuk dat hij een Belg is…
En hoe zou je iemand overtuigen om naar je show te komen kijken, iemand die jou enkel kent van je hits “Show Me The Way”, “Baby, I Love Your Way” en “Do You Feel Like We Do”?
FRAMPTON : “Well, they’re in for a big surprise!”. We spelen drie uur. Dus je krijgt ‘waar voor je geld’ (gniffelt). De eerste set is de volledige uitvoering van “Frampton Comes Alive” en dan volgt een tweede set met fantastische nummers uit de rest van mijn repertoire aangevuld met enkele toffe covers. We zijn als het ware het voorprogramma van onszelf (schatert het uit). Wie van rock houdt, moet er echt bij zijn.
Een kennis (én Beatlesfan) vertelde me dat je een onwaarschijnlijke versie van “While My Guitar Gently Weeps” speelt (een Beatles nummer geschreven door George Harrison). Mogen we die cover ook verwachten tijdens je show in Antwerpen?
FRAMPTON : No problem! Het is trouwens één van de nummers die we het liefste spelen.
En wie het misschien nog niet wist maar in 1994 verscheen nog een ander fantastisch album van hem. Het is het titelloze album Peter Frampton maar nummers als ‘Waiting For Your Love’, ‘You Can Be Shure’, ‘Can’t Take That Away’ en het schitterende tijdloze ‘Changing All The Time’ zijn nummers waarin Peter je meeneemt op een tocht doorheen zijn knappe gitaarspinsels. Hopelijk vindt hij de tijd om deze nummers ‘live’ te brengen.
Peter Frampton speelt op 18 november in de Antwerpse Koningin Elisabethzaal en het belooft een unieke concertavond te worden. Afspraak daar.
Is “… Comes Alive” voor jou je grootste verwezenlijking?
FRAMPTON : Commercieel gezien zeker. Maar toen ik in 2007 een Grammy kreeg voor mijn instrumentale album “Fingerprints” was dit voor mij toch het hoogtepunt uit mijn muzikale carrière.
Als geboren Engelsman verhuisde je in de jaren zeventig naar de Verenigde Staten, maar het was pas na 9/11 dat je een verzoek voor het U.S.-staatsburgerschap indiende.
FRAMPTON : Inderdaad, de idee was er al langer, maar de gebeurtenissen van 9/11 waren zo ingrijpend dat ik het als een plicht vond om het Amerikaanse staatsburgerschap te verkrijgen. Ik leef er nog steeds graag en de Verenigde Staten zijn ook steeds goed voor mij geweest. Ik wou dan ook dat ik kon gaan stemmen en zo mee kon bepalen welke richting het land zou uitgaan in de toekomst.
Tenslotte enkele korte vraagjes : welk nummer had je zelf graag geschreven?
FRAMPTON : Er zijn er zoveel, maar “Reach Out I’ll Be There” van ‘The Four Tops’ vind ik een tijdloos nummer.
Welke artiest heeft je het meest beïnvloed ?
FRAMPTON : Django Reinhardt, toevallig een Belg (lachend), nee écht waar! Django is zonder twijfel de gitarist waar ik met het meeste respect naar opkijk. Leuk dat hij een Belg is…
En hoe zou je iemand overtuigen om naar je show te komen kijken, iemand die jou enkel kent van je hits “Show Me The Way”, “Baby, I Love Your Way” en “Do You Feel Like We Do”?
FRAMPTON : “Well, they’re in for a big surprise!”. We spelen drie uur. Dus je krijgt ‘waar voor je geld’ (gniffelt). De eerste set is de volledige uitvoering van “Frampton Comes Alive” en dan volgt een tweede set met fantastische nummers uit de rest van mijn repertoire aangevuld met enkele toffe covers. We zijn als het ware het voorprogramma van onszelf (schatert het uit). Wie van rock houdt, moet er echt bij zijn.
Een kennis (én Beatlesfan) vertelde me dat je een onwaarschijnlijke versie van “While My Guitar Gently Weeps” speelt (een Beatles nummer geschreven door George Harrison). Mogen we die cover ook verwachten tijdens je show in Antwerpen?
FRAMPTON : No problem! Het is trouwens één van de nummers die we het liefste spelen.
En wie het misschien nog niet wist maar in 1994 verscheen nog een ander fantastisch album van hem. Het is het titelloze album Peter Frampton maar nummers als ‘Waiting For Your Love’, ‘You Can Be Shure’, ‘Can’t Take That Away’ en het schitterende tijdloze ‘Changing All The Time’ zijn nummers waarin Peter je meeneemt op een tocht doorheen zijn knappe gitaarspinsels. Hopelijk vindt hij de tijd om deze nummers ‘live’ te brengen.
Peter Frampton speelt op 18 november in de Antwerpse Koningin Elisabethzaal en het belooft een unieke concertavond te worden. Afspraak daar.


