|
|
|
Gezien mijn muzikale interesse nog steeds in de gouden periode van de mid sixties – early seventies (een andere leuke periode ken ik niet) ligt, wil ik nu even blijven stilstaan bij een man die toch zo’n herkenbare stem had… maar wie kon er een gezicht op kleven? Hij stond meer dan gelijk wie met zijn diverse bands in Top 10.
Van alle stemmen uit de beginperiode van de jaren zeventig zal er altijd een zijn die bij iedere muziekliefhebber bijblijft, nl. die van Tony Burrows. Niemand kent de man van naam of van gezicht maar zijn stem heeft méér dan popgeschiedenis geschreven.
Geboren als Anthony ‘Tony’ Burrows in Exeter, Devon, (GB) op 14 april 1942. De muziekwereld stond voor hem open en al vrij snel besliste Tony om zijn beroep in de muziekwereld te proberen. Hij zong lead op meer hitsingles en voor meer groepen dan gelijk welke andere artiest, zowel in zijn eigen land als in de USA.
Voor hem begon het allemaal met een bandje The Kestrells waarin Roger Cook en Roger Greenaway zaten. Zij zullen later samen beroemd worden, als het componistenduo Cook & Greenaway die zowat hits schreven voor alles wat in Engeland achter een micro stond.
In 1965 stak er een groepje de kop op met een nummer dat nog steeds door iedereen mee gezongen wordt, ‘Tossin’ & Turning’ en was natuurlijk The Ivy League maar het was pas na hun hitperiode dat Burrows lid werd van deze band. Maar omdat het niet meer goed vlotte qua hits werd hun naam omgevormd tot The Flowerpot Men, een band van vier mannen (Tony Burrows, Robin Shaw, Peter Nelson, Neil Landon) die het op de psychedelische toer probeerden en gelukkig voor hen hadden ze het juiste tijdstip gekozen, 1967, want de lucht hing vol met psychedelische klanken (Denk maar aan de release van ‘Sgt. Pepper’ van The Beatles) en daar paste hun sound wonderwel in. Zij hadden met deze formatie twee grote hits, nl. ‘Let’s Go To San Francisco’ en ‘A Walk In The Sky’. Met de eerstgenoemde hit belandden zij op nummer vier in de hitcharts destijds. Hun tweede deed het ietwat minder maar blijft tot op de dag van vandaag nog steeds een zeer leuke song. Twee originele leden van Deep Purple, John Lord en Nick Simper, zaten ook bij The Flowerpot Men. Maar ook aan de mooie liedjes van The Flowerpot Men kwam vroegtijdig een einde. Het werd tijd voor Tony om weer wat anders te doen en dat deed hij als leadzanger bij diverse bands, waaronder Edison Lighthouse (‘Love Grows Where My Rosemary Goes’ (april 1970)), White Plains (‘My Baby Loves Lovin’ (april 1970)), First Class (‘Beach Baby’ (oktober 1974).
Van alle stemmen uit de beginperiode van de jaren zeventig zal er altijd een zijn die bij iedere muziekliefhebber bijblijft, nl. die van Tony Burrows. Niemand kent de man van naam of van gezicht maar zijn stem heeft méér dan popgeschiedenis geschreven.
Geboren als Anthony ‘Tony’ Burrows in Exeter, Devon, (GB) op 14 april 1942. De muziekwereld stond voor hem open en al vrij snel besliste Tony om zijn beroep in de muziekwereld te proberen. Hij zong lead op meer hitsingles en voor meer groepen dan gelijk welke andere artiest, zowel in zijn eigen land als in de USA.
Voor hem begon het allemaal met een bandje The Kestrells waarin Roger Cook en Roger Greenaway zaten. Zij zullen later samen beroemd worden, als het componistenduo Cook & Greenaway die zowat hits schreven voor alles wat in Engeland achter een micro stond.
In 1965 stak er een groepje de kop op met een nummer dat nog steeds door iedereen mee gezongen wordt, ‘Tossin’ & Turning’ en was natuurlijk The Ivy League maar het was pas na hun hitperiode dat Burrows lid werd van deze band. Maar omdat het niet meer goed vlotte qua hits werd hun naam omgevormd tot The Flowerpot Men, een band van vier mannen (Tony Burrows, Robin Shaw, Peter Nelson, Neil Landon) die het op de psychedelische toer probeerden en gelukkig voor hen hadden ze het juiste tijdstip gekozen, 1967, want de lucht hing vol met psychedelische klanken (Denk maar aan de release van ‘Sgt. Pepper’ van The Beatles) en daar paste hun sound wonderwel in. Zij hadden met deze formatie twee grote hits, nl. ‘Let’s Go To San Francisco’ en ‘A Walk In The Sky’. Met de eerstgenoemde hit belandden zij op nummer vier in de hitcharts destijds. Hun tweede deed het ietwat minder maar blijft tot op de dag van vandaag nog steeds een zeer leuke song. Twee originele leden van Deep Purple, John Lord en Nick Simper, zaten ook bij The Flowerpot Men. Maar ook aan de mooie liedjes van The Flowerpot Men kwam vroegtijdig een einde. Het werd tijd voor Tony om weer wat anders te doen en dat deed hij als leadzanger bij diverse bands, waaronder Edison Lighthouse (‘Love Grows Where My Rosemary Goes’ (april 1970)), White Plains (‘My Baby Loves Lovin’ (april 1970)), First Class (‘Beach Baby’ (oktober 1974).
|
|
|
Dankzij deze vier megahits werd hij zowat de meest ‘one hit wonder stem’ genoemd. Buiten deze hits had hij ook nog een ervaring als lid van The Pipkins met ‘Gimme Dat Thing’ (eigenlijk was dit de eerste rapsong) en ‘Yakety Yak’ maar dat waren eigenlijk maar draken van een plaat maar die eigenlijk goed in het gehoor lagen. De Britse komiek Benny Hill van de gelijknamige comedyshow gebruikte vrij vaak ‘Gimme Dat Thing’ van de Pipkins in zijn show en eigenlijk was het een nummer geschreven voor het kinderprogramma ‘Oliver And The Overlord’. Vreemd genoeg was het ene Albert Hammond, die het nummer samen met Mike Hazlewood schreef, die dan weer voor The Hollies hun grote klassieker ‘The Air That I Breathe’ tekende.
Enige later vinden we Tony terug, en in mooi gezelschap, bij Brotherhood of Man waar hij de leadvocals voor zijn rekening neemt. Met dit muzikale kwartet scoorde hij de sleeper en meezinger ‘United We Stand’. Vreemd genoeg scoorde dit nummer over de ganse wereld groot succes maar in eigen land geraakte het niet binnen de top twintig wat toch zeer vreemd was voor die tijd. In de USA kwamen ze op de ‘ongelukkige’ 13e plaats terecht.
Februari 1970 werd wel een bijzondere maand voor hem. Hij sloeg er in om met drie verschillende acts in één en hetzelfde programma te belanden. Dit was uiteraard ‘Top Of The Pops’ en niemand heeft het hem tot op heden nagedaan. Dit was met Edison Lighthouse (die net op één stonden met hun hit), White Plains en natuurlijk met de Brotherhood Of Man. In een conservatief land als Engeland lokte dit kritieken uit en men dacht dat er met de Top 20 geknoeid werd, daarom werd Burrows tijdelijk op een zwarte lijst van ‘Top Of The Pops’ gezet. Maar Burrows lapte dit aan zijn laars en enkele weken later stond hij er weer maar nu met The Pipkins, een duo met zijn compaan Roger Greenaway van The Kestrells.
Maar helaas rustte er een vloek op zijn succes want toen hij onder zijn eigen naam enkele singles opnam, en uitbracht, werden die door de radiostations verbannen. Deze singles waren ‘The Humming Song’, ‘Melanie Make Me Smile’ en ‘Hand Me Down Man’.
The Ivy League was een Engelse close harmony groep. John Carter en Ken Lewis schreven alle nummers op de middelbare school in Birmingham. Begin jaren '60 richten zij Carter-Lewis & the Southerners op, waarin o.a. Jimmy Page (Led Zeppelin) sologitaar speelt. In 1964 vormen zij samen met Perry Ford The Ivy League. De groep verzorgt o.a. achtergrond vocalen op ‘I Can't Explain" van The Who. De tweede Ivy League single ‘Funny How Love Can Be’ wordt in het voorjaar van 1965 een hit (#8 in UK), gevolgd door ‘Tossing & Turning" (#3 in UK). Daarna is het succes snel tanend. Begin 1966 besluit John Carter zich weer op songschrijven toe te gaan leggen en verlaat de groep. Hij schrijft nog wel de single ‘My World Fell Down’ voor The Ivy League, later gecoverd door o.a. The Sagittarius en de Nederlandse groep The Buffoons. Carters plaats in The Ivy League wordt ingenomen door Tony Burrows uit The Kestrels. Het trio ploetert nog een jaar door, maar dan houdt ook Ken Lewis het voor gezien. Hij wordt vervangen door Neil Landon. Samen met Carter (die eigenlijk Shakespeare heet) richt Lewis zich op het studioproject The Flowerpot Men. Dit levert in de zomer van 1967 de hit ‘Let's Go To San Francisco’ op. Carter en Lewis hebben echter geen zin meer om net als met The Ivy League op tournee te gaan. Er wordt haastig een groep samengesteld met o.a. Neil Landon en Tony Burrows uit The Ivy League. Deze ‘stromannen’ playbacken overal ter wereld de hit die door Carter en Lewis was geschreven en gezongen. Perry Ford gaat nog een aantal jaren door met andere zangers onder de naam The Ivy League, maar hij gooit midden jaren '70 de handdoek in de ring. In 1999 komt Ford op 58-jarige leeftijd te overlijden.
Enige later vinden we Tony terug, en in mooi gezelschap, bij Brotherhood of Man waar hij de leadvocals voor zijn rekening neemt. Met dit muzikale kwartet scoorde hij de sleeper en meezinger ‘United We Stand’. Vreemd genoeg scoorde dit nummer over de ganse wereld groot succes maar in eigen land geraakte het niet binnen de top twintig wat toch zeer vreemd was voor die tijd. In de USA kwamen ze op de ‘ongelukkige’ 13e plaats terecht.
Februari 1970 werd wel een bijzondere maand voor hem. Hij sloeg er in om met drie verschillende acts in één en hetzelfde programma te belanden. Dit was uiteraard ‘Top Of The Pops’ en niemand heeft het hem tot op heden nagedaan. Dit was met Edison Lighthouse (die net op één stonden met hun hit), White Plains en natuurlijk met de Brotherhood Of Man. In een conservatief land als Engeland lokte dit kritieken uit en men dacht dat er met de Top 20 geknoeid werd, daarom werd Burrows tijdelijk op een zwarte lijst van ‘Top Of The Pops’ gezet. Maar Burrows lapte dit aan zijn laars en enkele weken later stond hij er weer maar nu met The Pipkins, een duo met zijn compaan Roger Greenaway van The Kestrells.
Maar helaas rustte er een vloek op zijn succes want toen hij onder zijn eigen naam enkele singles opnam, en uitbracht, werden die door de radiostations verbannen. Deze singles waren ‘The Humming Song’, ‘Melanie Make Me Smile’ en ‘Hand Me Down Man’.
The Ivy League was een Engelse close harmony groep. John Carter en Ken Lewis schreven alle nummers op de middelbare school in Birmingham. Begin jaren '60 richten zij Carter-Lewis & the Southerners op, waarin o.a. Jimmy Page (Led Zeppelin) sologitaar speelt. In 1964 vormen zij samen met Perry Ford The Ivy League. De groep verzorgt o.a. achtergrond vocalen op ‘I Can't Explain" van The Who. De tweede Ivy League single ‘Funny How Love Can Be’ wordt in het voorjaar van 1965 een hit (#8 in UK), gevolgd door ‘Tossing & Turning" (#3 in UK). Daarna is het succes snel tanend. Begin 1966 besluit John Carter zich weer op songschrijven toe te gaan leggen en verlaat de groep. Hij schrijft nog wel de single ‘My World Fell Down’ voor The Ivy League, later gecoverd door o.a. The Sagittarius en de Nederlandse groep The Buffoons. Carters plaats in The Ivy League wordt ingenomen door Tony Burrows uit The Kestrels. Het trio ploetert nog een jaar door, maar dan houdt ook Ken Lewis het voor gezien. Hij wordt vervangen door Neil Landon. Samen met Carter (die eigenlijk Shakespeare heet) richt Lewis zich op het studioproject The Flowerpot Men. Dit levert in de zomer van 1967 de hit ‘Let's Go To San Francisco’ op. Carter en Lewis hebben echter geen zin meer om net als met The Ivy League op tournee te gaan. Er wordt haastig een groep samengesteld met o.a. Neil Landon en Tony Burrows uit The Ivy League. Deze ‘stromannen’ playbacken overal ter wereld de hit die door Carter en Lewis was geschreven en gezongen. Perry Ford gaat nog een aantal jaren door met andere zangers onder de naam The Ivy League, maar hij gooit midden jaren '70 de handdoek in de ring. In 1999 komt Ford op 58-jarige leeftijd te overlijden.
|
|
|
Tot op de dag van vandaag treedt er een trio onder de naam The Ivy League op met de leden Jon Brennan, Dave Buckley en Mike Brice. Deze groep beweert wel "hun" hits uit de jaren '60 te spelen, maar heeft geen enkele relatie met de originele groep en wordt door de nog in leven zijnde oud-leden Carter en Lewis ook niet erkend als de "echte" Ivy League.
Occasioneel zie je Tony nog wel eens op het podium met First Class maar vooral nog met nieuwe line-up van White Plains. Met The Flying Machine had hij in 1969 nog een klein hitje ‘Smile A Little Smile For Me’. Twee nummers die Burrows in 1970 opnam onder de groepsnaam Current Kraze en The Naked Truth sloegen er niet in om in de hitlijsten te verschijnen.
Originele leden
De originele leden van de Ivy League zijn:
John Carter (John Shakespeare) geb. 1942
Ken Lewis (James Hawker) geb. 1942
Perry Ford (Bryan Pugh) 1940-1999
Latere leden
Latere leden van de Ivy League zijn:
Tony Burrows (verving Carter begin 1966, in zomer van 1967 naar The Flowerpot Men)
Neil Landon (verving Lewis begin 1967, in zomer van 1967 naar The Flowerpot Men)
De Britse formatie Edison Lighthouse was eigenlijk maar een dekmantel voor het componistenduo Barry Mason en Tony MacCauley en Tony Burrows zelf. Maar om de band een beeld van een échte zelfwerkende groep te geven werden er enkele leden van Greenfield Hammer aan toegevoegd maar het heeft allemaal niet mogen baten. Burrows hield het hier snel voor bekeken en verliet Edison Lighthouse en er kwamen geen hits meer. Hij was eveneens sessiezanger bij Elton John, Cliff Richard en James Last.
Occasioneel zie je Tony nog wel eens op het podium met First Class maar vooral nog met nieuwe line-up van White Plains. Met The Flying Machine had hij in 1969 nog een klein hitje ‘Smile A Little Smile For Me’. Twee nummers die Burrows in 1970 opnam onder de groepsnaam Current Kraze en The Naked Truth sloegen er niet in om in de hitlijsten te verschijnen.
Originele leden
De originele leden van de Ivy League zijn:
John Carter (John Shakespeare) geb. 1942
Ken Lewis (James Hawker) geb. 1942
Perry Ford (Bryan Pugh) 1940-1999
Latere leden
Latere leden van de Ivy League zijn:
Tony Burrows (verving Carter begin 1966, in zomer van 1967 naar The Flowerpot Men)
Neil Landon (verving Lewis begin 1967, in zomer van 1967 naar The Flowerpot Men)
De Britse formatie Edison Lighthouse was eigenlijk maar een dekmantel voor het componistenduo Barry Mason en Tony MacCauley en Tony Burrows zelf. Maar om de band een beeld van een échte zelfwerkende groep te geven werden er enkele leden van Greenfield Hammer aan toegevoegd maar het heeft allemaal niet mogen baten. Burrows hield het hier snel voor bekeken en verliet Edison Lighthouse en er kwamen geen hits meer. Hij was eveneens sessiezanger bij Elton John, Cliff Richard en James Last.
|
|
|
