Radio Nostalgia
Archived Radio Nostalgia
2009
Deze muziek werd indertijd speciaal gecomponeerd voor het Ballet van de 20é Eeuw olv van Maurice Bejart. Hier horen geen woorden bij maar wel beelden. De muziek wordt nu ook gebruikt voor de Generatieshow van Bart Peeters op één.
The Allman Brothers Band: Brothers & Sisters
De broers Howard Duane (20-11-’46) en Gregory Lenoir Allman (08-12-’47) werden in Nashville geboren en onder invloed van Muddy Waters, Bobby Bland, Little Walter en andere blues- en R&B-giganten ontwikkelen ze zich in tientallen kortstondige formaties, tot ze onder de naam The Allman Joys hun eerste single opnamen.
In datzelfde clubcircuit zit The Second Coming, een groep rond gitarist Forrest Richard ‘Dickey’ Betts en bassist Raymond Berry Oakley. Niet veel later ontmoeten ze ook drummer Johnny Lee Johnson aka Jai Johanny Johanson, die zich verder onderscheidde bij Joe Tex, Percy Sledge en Otis Redding. Tijdens Duane’s bezoeken aan Florida ontstaat het idee om met Greg (vocals, gitaar), Betts (vocals, gitaar), Oakley (bas), Trucks (drums) en ‘Jaimoe’ Johnson (drums) een band op te richten. De naam van de band, The Allman Brothers Band, gezien de dominerende rol van de beide broers, een logische keuze. Tot Duane Allman, na drie succesvolle albums, het leven laat in een motorcrash op 29 oktober ‘71, (Duane verzorgde verder ook sessiewerk bij oa. Boz Scaggs, John Hammond, Delaney & Bonnie alsook op ‘Layla & Other Assorted Love Songs’ van Eric Clapton’s Derek & The Dominos). De overige bandleden alsook de internationale pers is diep geschokt door dit verlies. Het gaat bergaf met de band en het is Dickey Betts die alle solopartijen voor zijn rekening zal nemen. In de herfst van ‘72 wordt Chuck Leavell (ex- American Eagles en Sundown, maar tegenwoordig al jaren vast lid van The Rolling Stones) aan de band toegevoegd. Tot het noodlot opnieuw toeslaat, op 11 november van ‘72 verongelukt bassist Oakley op net dezelfde wijze als Duane. (Crasht met zijn motor op een truck). Zijn vervanger wordt Lamar Williams, en die treft nog net The Allman Brothers in hun laatste creatieve opflakkering.
‘Brothers and Sisters’ uit 1973, de titel is zo vanzelfsprekend over de relaties tussen de bandleden.
Het is een fijne mix tussen Southern rock, blues en licht getinte country songs.

Het album werd geregistreerd in de Capricorn Sound Studios, Macon, Georgia, die eigendom was van manager Phil Walden. Voor de productie zorgden Johnny Sandlin en de band en het album werd zowaar opgedragen aan hun broer Berry Oakley. Greg Allman en Dickey Betts penden de zeven songs bij elkaar en de release opent alvast sterk met ‘Wasted Words’. Een zuidelijke rocksong met een schitterende Betts op slide gitaar, hier begeestert hij alvast zijn gitaar. ‘Ramblin’ Man’ is een klassieker die in iedere ‘Top-100 Aller Tijden’ thuishoort, een uptempo, strak gedrumd en een gitaargevecht tussen Dickey en Les Dudek om vingers en duimen bij af te likken. Dit zijn nog de enige twee sessies voor Oakley’s dood op deze release. Op ‘Come and Go Blues’ gaat Chuck Leavell dan weer helemaal loos op de toetsen, schitterend! ‘Jelly Jelly’ is een van de weinige bluestracks mede door Gregg‘s diepe bluesstem, een rustige ballade waar Gregg alle registers opentrekt op orgel maar opnieuw van antwoord wordt gediend door een swingende Chuck Leavell. Met ‘Soundbound’ gaan we opnieuw de hoogte in, met een wat funkyachtige ondertoon, mede door de steeds wederkerende gitaarrif, nog zo’n nummer om crazy van de worden. Wat dan volgt is ongehoord, het opzwepende ‘Jessica’, de klassieker onder de instrumentale songs, hier schieten mij na al die jaren nog steeds worden tekort. Het kruipt zo onder je huid om je nooit meer te verlaten. Afsluiter is ‘Pony Boy’, wij trekken met dit nummer zo de Delta in, een akoestisch bluesy hoogtepunt op het album, Betts geeft van katoen op dobro, Lamar is lekker volgzaam op akoestische bas, Tommy Talton streelt zijn akoestische gitaar, Butch begeestert zijn trommels en Chuck Leavell is rustig achter zijn klavier. Wat een afsluiter van een ondertussen traditioneel album.
Door al deze klassieke songs zal The Allman Brothers Band de geschiedenisboeken ingaan als een van de grootste Southern Rock bands allertijden.
Bandleden:
Gregg Allman:
Vocals, rhythm gitaar, orgel
Richard ‘Dickey’ Betts:
Vocals, slide gitaar, lead gitaar
Berry Oakley:
Bas
Lamar Williams:
Bas
Chuck Leavell:
Piano, elektrische piano
Butch Trucks:
Drums, percussie, congas
Jaimoe:
Drums, congas
Les Dudek:
Gitaar
Tommy Dalton:
Akoestische gitaar
Philip Verhaege
Label: PolyGram Records
Nr.: 825 092-2
Distr.: www.polygrammrecords
Website: www.theallmanbrothersband.com
Pink Floyd: The Piper At The Gates Of Dawn
Het eerste album van een band die geschiedenis zou schrijven in het underground- en psychedelische circuit van Londen (en later ook daarbuiten).
Gezien de overleden Syd Barrett, die ook snel uit de groep verdween omwille van zijn drugsproblemen en depressies die hieruit voortsproten, zeer literair was aangelegd ging hij voor de titel van hun eerste album op zoek in het werk van Kenneth Grahame. In ‘The Wind and the Willows’ ontdekte Syd de mooie titel van deze langspeler die ook meteen de noemer was voor het zevende hoofdstuk in dit boek.
De titel, en grotendeels de songtekst, van ‘Chapter 24’ haalde hij dan weer uit teksten uit het oude China, meer bepaald uit ‘Het Boek der Veranderingen’ (I Ching), meer bepaald hoofdstuk 24.
'Fu', (hoofdstuk 24) is de naam van dit hoofdstuk wat letterlijk betekent: verandering / succes.
Zoals we onmiddellijk konden constateren was Syd Barrett de grote songleverancier op dit meesterwerkje.

11 songs nemen ons mee naar een totaal voor ons onbekende wereld van Barrett, vreemd en totaal afhankelijk van zijn gemoedsrust kwam deze wereld af en toe boven water borrelen.
Barrett schreef niet zomaar teksten. Neen, hij liet zich inspireren door reeds bestaande en soms, zoals bv. bij ‘Matilda Mother’, waarin hij de pure teksten van Hillaire Belloc’s ‘Cautionary Tales’ wilden hergebruiken en waarvoor hij uiteindelijk toch geen toestemming kreeg, schreef hij dan maar zijn eigen versies.
Onder de elf knappe composities vinden we twee instrumentale nummers, een onderdeel in hun muziek dat vanaf toen een constante werd.
Dit is muziek die je niet snel door je luidsprekers moet rammen maar moet beluisteren met je volle aandacht in een relaxte sfeer want deze muziek slurpt je volledige energie op. Het wordt dan ook moeilijk om bij een eerste luisterbeurt al reeds te zeggen: “Whah”, “schitterend” of “hallucinant”. Dam komt zeer zeker later, geloof me.
Neen, dit soort muziek moet in je geest sudderen, je moet je in het tijdsbeeld – en in de geest – van Syd Barrett kunnen verplaatsen om helemaal te begrijpen waar het nu allemaal over gaat.
Toen ik het album in 1967 aanschafte zat ik ook al in de muziek en de daarbij horende geestverruimende middelen en ik onderging dit als “supernatural”, “mindblowing”, “a caleidoscope of musical experiences (met de nadruk op die ‘ervaringen’)” en ergens in mijn achterhoofd speelde de idee al dat Syd Barrett het op deze manier niet al te lang zou trekken. Dit soort muziek vergt teveel van iemands geestestoestand en blijkbaar was Syd daar niet tegen opgewassen.
Ik zag hen voor het eerst op 23 februari 1968 live in het Pannenhuis (toen nog in handen van promotor Louis De Vries en Bob Leonard) in Antwerpen, op 22 mei 1968 in Billiard Palace (Antwerpen) en op 31 augustus 1968 op het toenmalige, maar bijzonder leuke openluchtfestival, Kastival ’68 (Kasterlee). Wat ik daarover toen gezegd zou hebben, kan ik helaas niet meer verhalen want die muziek nam je gewoonweg op in je onderbewustzijn en daar bleef het voor jàren zitten. Het werd een deel van de dagelijks bestaan. En indien ik het op papier zou moeten zetten, vrees ik dat ik met tien pagina’s, of méér, niet voldoende zou hebben, want dan weer voor de gewone muziekfan misschien al ‘vervelend’ zou kunnen overkomen.
Een droom die nu aan diggelen ligt is de reforming van deze fantastische band nu dat ook Rick Wright enkele jaren geleden zijn paspoort, voor een tijdelijk verblijf op de planeer Aarde, zag vervallen.
Ach, waar zijn die leuke tijden toch naartoe? En waar is dé tijd zélf gebleven. En om dit stukje te besluiten doe ik dat graag met de wijze woorden van Ewan McColl: “When I was a young lad I used to wonder what happened to time when it passed, then I discovered time lands in prison and there it is held fast.”
Worden vervlogen tijden inderdaad in een ‘gevangenis’ vast gehouden, juist, in onze eigen mentale gevangenis. En gelukkig maar.
Muzikanten:
Syd Barrett (1946-2006):
Lead gitaar / vocals
Roger Waters:
Bas / vocals
Richard Wright (1943-2008):
Keyboards / zang
Nick Mason:
Drums
Producer: Norman Smith
Recording Engineer: Peter Brown
Opgenomen op:
Release jaar: 5 augustus 1967
Label: Columbia
Nr. SCX6157
Tracks:
Astronomy Domine (Syd Barrett)
Lucifer Sam (Syd Barrett)
Matilda Mother (Syd Barrett)
Flaming (Syd Barrett)
Pow R. Toc H. (Syd Barrett, Nick Mason, Roger Waters, Richard Wright)
Take Up Thy Stethoscope And Walk (Roger Waters)
Interstellar Overdrive (Syd Barrett, Nick Mason, Roger Waters, Richard Wright)
The Gnome (Syd Barrett)
Ch apter 24 (Syd Barrett)
The Scarecrow (Syd Barrett)
Bike (Syd Barrett)
Alfons Maes
The Everly Brothers: Roots
‘Roots’ van The Everly Brothers is de lp die ik ter gelegenheid van Kerstmis in 1968 als geschenk mocht in ontvangst nemen. Ik heb de plaat zo dikwijls op mijn goedkope platendraaier gelegd dat ze op de duur grondig naar de knoppen was.

‘Roots’ van The Everly Brothers werd reeds een maand eerder uitgebracht en dit juist op het ogenblik dat de carrière van de broertjes Don en Phil danig in het slop zat. Meer dan eens hadden The Everly Brothers slaande ruzie of keilde Phil zijn gitaar op het podium aan diggelen.
Dit waren niet bepaald ideale omstandigheden om een plaat op te nemen, maar toch brachten de broers hun laatste opdracht voor Warner Brothers, een dubbele live-lp niet te na gesproken, tot een goed einde. Qua verkoopscijfers was ‘Roots’, net als al hun andere platen uit die periode, absoluut geen hoogvlieger, maar rock critici zoals Kit Rachlis van Rolling Stone zijn er de mening toe gedaan dat deze plaat hun absolute artistieke hoogtepunt was.
Ik ga heel graag akkoord met deze mening want ‘Roots’ van The Everly Brothers is lange tijd mijn favoriete lp geweest.
De plaat start met een fragmentje uit de radioshow van Ike & Margaret Everly, daterend van 1952, dat heel mooi naadloos overgaat in een geweldige versie van Merle Haggard’s ‘ Mama Tried’. Glenn Campbell, die zich voor zijn songkeuze meermaals laafde aan de bron van Jimmy Webb, levert hier zelf ‘Less Of Me’, dat helemaal op een dobroklank voort borduurt.
Hier en daar werden er nog fragmenten van ‘The Everly Family Radio Show’ tussengelast en die geven aan ‘Roots’ een nog grotere country feel.
‘I Wonder If I Care As Much’, ooit het b-kantje van ‘Bye Bye Love’, wordt hier in een psychedelisch country jasje gestoken, en is zowat het ‘centerpiece’ van de plaat. Het voert ons terug naar hun ‘Cadence’-dagen. Ik kan me niet herinneren of ik ooit een song met meer sfeer en zomerse zonnigheid heb gehoord dan ‘Ventura Boulevard’.
’T For Texas’ van Jimmy Rodgers wordt door The Everly Brothers omgetoverd tot een psychedelische rocksong. Ze coverden ‘Illinois’ van Randy Newman toen niemand ook nog maar iets van deze componist had gehoord.

En zo kunnen we nog tot morgenvroeg doorgaan want er staat niet één, en ik herhaal… niet één minderwaardige track op ‘Roots’.
En dan moet het absolute hoogtepunt nog komen: namelijk ‘Sing Me Back Home’ van Merle Haggard, waarvan ook Marianne Faithfull onlangs haar versie aan een cd toevertrouwde.
The Everly Brothers halen hiervoor hun allermooiste engelenstemmetjes uit de kast om van ‘Sing Me Back Home’ een heerlijk breekbare sleper te maken.
‘Roots’ is pas in 2005 voor het eerst op cd uitgebracht en ik heb me zonder aarzelen een nieuw exemplaar aangeschaft. En ja, hoor! Deze plaat heeft nog niets van haar schoonheid ingeboet en klinkt niet in het minst verouderd. De productie van Lenny Waronker is hier niet vreemd aan.
Noch op de kaft van de lp, noch op de inlay van de cd wordt er melding gemaakt van de studiomuzikanten. Wij zijn er wel achter gekomen dat Ron Elliott (van The Beau Brummels) gitaar speelt en daarbij ook nog twee songs schreef, namelijk ‘Ventura Boulevard’ en ‘Turn Around’. Terry Slater is de bassist op deze plaat en ‘Livin’ Too Close To The Ground’ is van zijn hand.
Op dit eigenste ogenblik ligt er nog één exemplaar van de cd ‘Roots’ in de rekken van de FNAC aan de Brusselse Nieuwstraat voor de prijs van ongeveer €10,-. Neem ze mee naar huis en dan zul je begrijpen waarom ik zo verzot was/ben op die plaat.
Ik geef hierbij graag alle gekende gegevens met betrekking tot de langspeler door.
Ivan Van Belleghem
Label: Warner Brothers
Nr.: WS1752
Release date: 4 november 1968
Distr.: A Warner Communication Company
Meer info: www.warnerbros.com
Website: www.everly.com





