Keys and Chords  •   Music was our first love... and it will be our last...
  • Home
    • OUR TEAM>
      • Contact>
        • vacatures
  • On Stage
  • Coming Shows
  • Rockpalast Live
  • CD Reviews
    • CD's on the spot
  • DVD Reviews
  • Articles
    • Articles 2009
    • Articles 2008
  • Jukebox Jive
  • London Venue's
  • Books
  • Radio Nostalgia
    • Memory Lane
  • New Page
Ik heb de moeilijke taak op mij genomen om u een overzicht te geven van de muzikale evolutie van Los Angeles en de belangrijkheid van deze stad in de geschiedenis van de populaire muziek.
De bedoeling is een klare kijk te geven op het ontstaan en de vermenging van bepaalde genres, te beginnen bij de surf-muziek van de Beach Boys tot de hedendaagse NU-metal scene. De periode voor 1950, het tijdperk van Rhythm & Blues, Jazz, Blues en Doowop, laat ik dus aan mij voorbij gaan. De bespreking van deze periode is een taak voor de kenners. Niettemin is dat een cruciale tijd geweest voor LA. Toen zijn de fundamenten gelegd voor de muziekindustriestad die L.A. tot op vandaag is.
Ik begin mijn betoog niet chronologisch, met de Beach Boys, maar met een relatief korte tijdsspanne in de muzikale evolutie van Los Angeles. De singer-songwriter periode (+/-1968-1973) is namelijk de katalysator geweest van de moderne, winstgevende muziekbusiness. Dit is de as waaruit verleden en heden uitgediept worden.

• LAUREL CANYON EN DE SINGER-SONGWRITERS (+/- 1968-1973).

Als men een definitie aan dit genre zou toeschrijven, dan kan men best de volgende begrippen erin verwerken: solo-artiesten; introspectieve en verhalende songs; zeer persoonlijke onderwerpen; vermenging van folk, country en rock.
De aanleiding voor het ontstaan van deze soort ‘nieuwe muziek’, waarvan het EGO het centrum is, ligt zowel bij maatschappelijke gebeurtenissen als bij muzikaal-psychologische.
De maatschappelijke reden betrof vooral de levensstijl van de meeste rockgroepen in de late jaren ’60 en de dood van de hippie-idealen. No more love and peace! Er heerste decadentie in al zijn vormen: het drugsgebruik liep de spuigaten uit, op seksueel gebied waren de grenzen van het toelaatbare vervaagd,… met andere woorden: alles kon en alles mocht! De sfeer in de stad was dreigend.
En dan kwam 1969! Het jaar waarin de Manson-moorden elkaar opvolgden. Paniek, hysterie en paranoia waren de emoties die nadien heersten bij de rock-elite. De meesten verschansten zich in de heuvels. Het hele muzikale gebeuren wordt meer introspectief.
Met de hippie-droom die verpulverd was, verdween ook de hippie-muziek. De succesvolle rockgroepen van toen moesten hun stijl aanpassen. Dat verliep met de meeste moeite en velen hebben het niet tot een goed einde gebracht. Onder andere Buffalo Springfield en The Byrds vielen uiteen en de leden begonnen een solo-carrière. Bovendien was de uitdaging om rock te spelen weggevallen: rock was mainstream geworden!
Al deze factoren waren een ideale voedingsbodem voor het ontstaan van het ‘back to the roots’-gevoel. En dat gevoel resulteerde in veel solo-artiesten die zeer persoonlijke, verhalende en intimistische songs componeerden.
Waarom wordt Topanga Canyon vereenzelvigd met deze nieuwe orde van muzikanten? De reden is vrij simpel: na de gebeurtenissen van ’69 vestigden de meeste muzikanten zich daar. De Canyon gaf je het gevoel dat je boven en buiten de drukte en decadentie van de stad stond, terwijl Hollywood en Sunset Boulevard toch zeer dichtbij lagen. Zoals men weet, trekken muzikanten altijd andere muzikanten aan. Het resultaat van dit fenomeen was dat iedereen elkaar kende en op elkaars platen meespeelde. Laurel Canyon vormde uiteindelijk een incestueuze gemeenschap, de Laurel Canyon Elite genaamd.
Sommige artiesten, zoals Neil Young, gingen een stap verder: zij verhuisden naar Topanga Canyon, waar het rurale leven nog meer aan de orde was.
De artiesten die men kan rekenen onder de singer-songwriters, zijn Neil Young, Jackson Brown, Joni Mitchell, Crosby, Stills & Nash, Tim Buckley, etc.
Toen Buffalo Springfield en The Byrds rond ’68 zichzelf ophieven, zocht Crosby (The Byrds) contact op met Steve Stills (Buffalo Springfield). Ze besloten er Graham Nash bij te betrekken. De geboorte van het samenwerkingsverband tussen drie singer-songwriters – zo beschouwden Crosby, Stills & Nash zichzelf – was een feit. Het geluid van hun eerste plaat, ‘Crosby, Stills & Nash’ (’69), uitgegeven op Atlantic Records met als manager David Geffen, balanceerde nog teveel tussen de hollywood-hippiestijl en de folk-pop traditie om te kunnen spreken van een echt singer-songwriteralbum pure sang. Het weerspiegelde echter perfect de elitaire, superieure, escapistische denkwijze en levensstijl van de ‘Laurel Canyon Aristocratie’.


Wie daarentegen wel een statement van de singer-songwriter cultuur produceerde, en waarin Crosby ook een zeer belangrijke rol speelde, was Joni Mitchell. De twee, Mitchell en Crosby, waren elkaar tegen het lijf gelopen in Florida, waarop Crosby besloot haar in Los Angeles te introduceren. Samen met Mitchell’s manager Elliot Roberts, afkomstig uit New York City, nam ze de plaat ‘Song To A Seagull’ (’68) op, geproduced door David Crosby. Vervolgens speelde ze vier avonden na elkaar in een uitverkochte Troubadour-club en bevond ze zich aan de top van de Laurel Canyon-scène. In ’69 volgde haar tweede album ‘Clouds’, waarin men de invloed van Crosby, Stills & Nash duidelijk herkende. Niet verwonderlijk want de producer was Graham Nash!
Langzaam maar zeker evolueerde haar stijl van folk naar poprock. Deze verschuiving was goed merkbaar op ‘Ladies of the canyon’ (’70). In ’71 leidde een relatie met James Taylor tot het album ‘Blue’, waarover later meer. Mitchell’s songteksten zijn zodanig persoonlijk en intiem dat de luisteraar bijna een voyeur wordt. Mitchell verlaat in ’72 de stad LA.
David Crosby en de folkclub The Troubadour – of Troub – waren in 1968 en 1969 de spil voor het hele folk-countrygenre. Niet alleen heeft Crosby Joni Mitchell een springplank naar succes aangeboden, ook voor Jackson Browne is hij een belangrijke figuur geweest. En de Troubadour-club zorgde ervoor dat Brown de eerste jaren in LA niet verhongerde. Toen Brown in de zomer van ’67 terugkeerde van New York naar zijn geboortestad Los Angeles, kon hij maar geen platencontract te pakken krijgen. Enkel Billy James was overtuigd van zijn talent en bod Brown onderdak in de wasruimte van zijn huis in – waar anders – Laurel Canyon. Brown schreef lange tijd songs voor Linda Ronstadt en kreeg zo een support-act te pakken in de Troub. Het gevolg ervan was dat hij steeds persoonlijker songs begon te schrijven, songs die eigenlijk enkel door de schrijver ervan gezongen konden worden. Het was pas in 1972 dat Brown onder contract ging bij Asylum Records, het platenlabel van David Geffen en Elliot Roberts. Brown’s debuut-album, ‘Jackson Brown’, kwam datzelfde jaar uit en was een schot in de roos. De opvolger ‘For everyman’ dateert van het jaar erop. Jackson Brown had eindelijk het succes dat hij verdiende.
Nog een artiest die eerst zijn geluk probeerde in New York City, om de eenvoudige reden dat er in LA voor ’67 geen interesse was voor het folk-genre, was Tim Buckley. Ook hij kwam in ’67 terug naar zijn thuisregio. ‘Goodbye and hello’, daterend van hetzelfde jaar, verschilde veel van zijn eerste album uit NYC. Hij veranderde van een onschuldige-poët-folkie in een excentriekere en vreemdere artiest. Op zijn volgende album uit ’69, ‘Happy/Sad’, betrok hij meer jazz-invloeden. Tegen 1971 was zijn stijl zodanig veranderd dat je ‘Starsailor’ geen singer-songwriter album meer kon noemen.


• Bekijk hier enkele gerelateerde video's •


Picture

Het verhaal van Neil Young is enigszins anders, hoewel ook hier weer dezelfde namen opduiken van managers en medewerkers. Na de split in ’68 van Buffalo Springfield, besluit Young solo te gaan. Hij nam dezelfde manager onder de arm als Joni Mitchell, Elliot Roberts genaamd. Bij gevolg ging Young ook onder contract bij Reprise. In ’69 kwam zijn debuutalbum uit, ‘Neil Young’. Hij was helemaal niet gelukkig met de muzikale arrangementen van Jack Nitsche. Het resultaat van eindeloze mixen was volgens hem te bombastisch. Als tegenreactie ging hij samenwerken met een garage-rockband, The Rockets, later omgedoopt tot Crazy Horse. Uit hun jamsessies ontstond het tweede album ‘Everybody knows this is nowhere’ (’69), een veel ruigere en hardere plaat. Datzelfde jaar vroeg zijn ex-collega van Buffalo Springfield hem om mee te doen als vierde lid van Crosby, Stills & Nash. Tot ieders verbazing engageerde hij zich en trad hij met de groep op in Woodstock. Young werd het echter vlug beu. Reeds tijdens de opnames van het tweede album van Crosby, Stills, Nash & Young, ‘Déjà vu’, in 1970 had hij zijn buik vol van de capsones en rockstar-allures van de anderen. Samenlopend met de sessies voor ‘Déjà vu’, nam hij de opvolger van zijn solo-lp op. Deze kreeg de naam ‘After The Goldrush’ en behoorde samen met Joni Mitchell’s ‘Song to a seagull’ tot dé vertegenwoordigers van de singer-songwriter stijl. Tevens in ’70 ging hij op tournee met Crosby, Stills, Nash & Young en daaropvolgend met Crazy Horse. In 1972 kwam ‘Harvest’. Nog meer dan zijn voorganger was dit album het statement van de scène. De liedjes hemelen één voor één het leven buiten de stad op. De invloed die ‘Harvest’ uitoefende op andere artiesten was zeer groot. En dat is waarschijnlijk zelfs een understatement!

• WARNER BROTHERS, REPRISE RECORDS EN NEW YORKSE MANAGERS.

Zoals u wellicht al opgemerkt hebt, komen de namen David Geffen, Elliot Roberts en Reprise Records veelvuldig voor. Ze spelen dan ook een gigantische rol in het tot bloei brengen van het singer-songwriter genre.
Reprise, een dochtermaatschappij van Warner Brothers, merkte in 1967 en 1968 eigenlijk als enigste op dat er een muzikale verschuiving plaatsvond. Warner Brothers was dan ook eerst om de nieuwe lading singer-songwriters onder zijn hoede te nemen. Mede dankzij deze alertheid werd Warner – en Reprise – hét label van de jaren 70. Ze hadden onder meer Mitchell, Young, Van Morrison, Randy Newman en Van Dyke Parks onder contract. Ook Ry Cooder, James Taylor, The Doobie Brothers, Captain Beefheart, Little Feat, Gram Parsons, Carole King e.a. behoorden tot hun artiesten.
Je kon Warner niet verwijten enkel folk-country muzikanten te tekenen. Daarvoor zijn Randy Newman, Ry Cooder, Van Dyke Parks, The Doobie Brothers, Captain Beefheart en Little Feat ofwel te experimenteel ofwel te pop.
Newman, Parks en Cooder kun je min of meer onder één noemer plaatsen. Hoewel hun muziek niet beantwoordde aan de definitie van singer-songwriter, kregen zij toch dat label opgeplakt. Ze waren namelijk nergens anders thuis te brengen.
Hetzelfde gold voor Captain Beefheart, die van het superexperimentele genre – onder toezicht van Frank Zappa – evolueerde naar toegankelijkere muziek bij Warner. Deze vier muzikanten beschouwde men als de ‘prestige’-artiesten van Warner Bros.
Ze kregen de kans om met een aantal experimenten voor de dag te komen. Hun stijl was eerder een vermenging van pop, blues, rhythm & blues afkomstig uit New Orleans, hillbilly en gospel. Als onderwerp van de songs namen ze niet de persoonlijke levenssfeer maar de stad LA. De afgeleverde platen werden vaak te intellectueel bevonden door het publiek.
Ter financiële compensatie had Warner acts zoals James Taylor, The Doobie Brothers, Little Feat, e.a. James Taylors stijl strookte, in tegenstelling met de ‘prestige’-artiesten, wel perfect met de Laurel Canyon-scène. Zijn songs hadden allemaal het ‘Ik’ als onderwerp en het waren stuk voor stuk kleine bekentenissen. Zijn muziek was daarentegen wel iets commerciëler. Het debuut-album ‘Sweet Baby James’ (’70) verkocht dan ook als zoete broodjes. De opvolger ‘Mud slide slim & the blue horizon’, waarop Mitchell de titeltrack zingt, werd eveneens een succes.
Met The Doobie Brothers ging Warner Brothers de soft-rock-funk richting uit. Commercieel succes bleef niet uit.

Picture
Picture

Little Feat verkoos een combinatie van blues en country. Het leverde hen een cult-status op met het album ‘Sailin’ Shoes’ (’72), vooral zeer populair bij truckchauffeurs. ‘Dixie chicken’ (’73) bevatte meer funk- en soul-invloeden van New Orleans.
Ook Gram Parsons hoorde thuis in het genre van de country-rock, met invloeden van de honky tonk. Deze mengeling van diverse muziekstijlen is het best te horen op het album ‘G.P.’, uitgebracht in maart 1973. Helaas vertrok hij veel te vlug naar het hiernamaals: op 19 september van hetzelfde jaar, stierf hij in kamer 10 van het Twentynine Palms Motel ten gevolge van een overdosis morfine, gecombineerd met veel te veel alcohol.
De enigste die nog tot de Laurel Canyon gemeenschap behoorde, was Carole King, ook getekend bij Warner. In 1970 bracht ze haar eerste singer-songwriter album uit: ‘Writer’. Er volgde echter helemaal geen reactie van het platenkopende publiek. Met haar volgende, ‘Tapestry’ (’71), maakte ze deze commerciële miskleun meer dan goed. Je kon het album best omschrijven als livingroom-soul-music. ‘Tapestry’ kondigde een nieuwe langzame, muzikale verschuiving aan.
Door het succes in de periode ’68-’71 van de meeste acts op Warner Brothers en van de meeste singer-songwriters, komen veel folkies naar Los Angeles afgezakt, waaronder veel New Yorkers. De twee personen die als managers indertijd vooral hun stempel drukten op de scène, waren David Geffen (Crosby, Stills & Nash, Neil Young e.a.) en Elliot Roberts (o.a. Joni Mitchell, Woodstock festival ’69).
Zij vertegenwoordigden met hun beschermelingen dé Laurel Canyon Elite en dat wekte meer dan eens jaloezie op.
Roberts en Geffen besloten hun krachten te bundelen en startten een managementbedrijf op: ‘Geffen-Roberts’. Daarna was de stap naar een eigen platenlabel vlug gezet. Het ging van start onder de naam ‘Asylum Records’ en was gefinancierd door Atlantic. Asylum had Jackson Browne, The Eagles, Linda Ronstadt, e.d. in hun stal ondergebracht.
Met de Troubadour-club als verspreidingsmiddel groeide het succes van het platenlabel steeds verder uit, tot cult-status-allures.
Uiteindelijk was de hervorming van de muziekindustrie een feit. Met Warner aan kop van de winstgevende platenlabels, de introductie van gehaaide New Yorkse managers zoals David Geffen en een aantal fusies van grote muziekbedrijven, was de muziekwereld de harde, gewiekste business geworden, zoals wij die vandaag de dag nog telkens ervaren.
Na 1973 beleefde Los Angeles een overrompeling van reeds min of meer bekende artiesten afkomstig uit het Oude Continent Europa, meer bepaald uit Groot-Brittannië en London. Muzikanten zoals Led Zeppelin, David Bowie e.a. bepaalden toen het mooie weer.

In de volgende aflevering van deze artikelenreeks zal ik u eerst de achtergrondinformatie geven over de periode van +/- 1960 tot 1969. Deze tijdspanne geeft de hoogdagen weer van The Byrds, The Beach Boys, Buffalo Springfield, The Doors, The Papas and the Mamas enz. Met andere woorden: dan komt het begin van de Pop aan bod!


Tekst: Ellen Woucters ©

A Woodland Hillcrest Promotion Production • © All Rights Reserved