Van echt zomers weer was zondagavond niet meteen sprake maar in tegenstelling tot de avond voordien bleef het ondanks dreigende wolken droog tijdens het concert van C.W. Stoneking. Geen planten die lege plaatsen moesten camoufleren. Er bleken zelfs zitplaatsen te weinig en de staanplaatsen voor het podium geraakten moeiteloos opgevuld met jonge en minder jonge danslustigen.
Het is ondertussen zijn derde bezoek aan Antwerpen. In de Arenberg gaf hij al tweemaal acte de présence. Christopher William Stoneking is een bleke blanke Australiër, het kind van Amerikaanse ouders, die in Sidney opgroeide en in Melbourne als soloartiest in de voetsporen van Blind Boy Fuller en Scrapper Blackwell de blues predikt. Sinds de man bij Jools Holland aantrad werd zijn recente langspeler ‘Jungle Blues’ bij een breder publiek geïntroduceerd. Op dit werkstuk wordt een eigen leefwereld gecreëerd die teruggaat naar de periode van de jaren dertig en vroeger, een schipbreuk aan de Westkust van Afrika vormt het centrale thema.
Het lijkt een beetje op een goedkope gimmick, maar niets is minder waar.
De volledig in het wit geklede man met rode strikje aan de banjo of de resonatorgitaar lijkt zo weggelopen uit het Vaudevillecircuit. Met zijn wat korzelig, krachtig stemtimbre, dat beurtelings aan Tom Waits, een of andere oude bluesneger of Louis Armstrong herinnert, en een aanstekelijk mengsel van calypso, ragtime, hillbilly, prewarblues en dixieland hield hij het publiek moeiteloos in de ban.
Van de opener ‘Early In The Morning’ tot de finale eindtonen eet het publiek uit zijn hand. Stoneking ontpopt zich naast een begenadigd fingerpicker als een niet onverdienstelijke stand-up comedian met een combinatie van cynisme en humor in onderhoudende anekdotes waarmee hij enkele songs inleidt. Zo heeft hij een hilarische conversatie met zichzelf en leidt al jodelend een verhaal in over paters die de muziek van Jimmie Rodgers in Afrika verspeiden. Geanimeerde treinreizen, pratende dieren (‘Talkin’ Lion Blues’) en generaal MacArthur (‘Brave Son Of America’) komen eveneens aan bod. In zijn eentje klinkt de man als een lang vergeten bluespioneer uit de Mississippidelta.
Met ondersteuning van The Primitive Horn orchestra, opgebouwd met een contrabassist, drummer, trombonist en trompetspeler wanen we ons ergens op een straathoek in New Orleans waar een begrafenisstoet passeert, gelukkig ontbreken dit keer de paraplu’s. Vooral als die blazerssectie even voluit gaat en de bassist de tuba hanteert zoals In ‘I Heard The Song Of Marchin’ Drums’ waarbij de ‘grosse caisse’ van de vintage drumkit even in de spots geplaatst wordt. Hoogtepunten aanwijzen in zo’n sterke set is geen eenvoudige opgave. Het grappige ‘Don’t Go Dancin’ Down The Darktown Strutter’s Ball’ en bovenal ‘Jungle Lullabye’, een dromerige romantische slijper, komen aardig in de buurt. En dan zijn ‘Jungle Blues’, het schipbreuk epos van de oceaanstomer dat door onheilspellende misthoorngeluiden wordt ondersteund en het zwierige, meeslepende, op herkenningsapplaus onthaalde, ‘Love Me Or Die’ nog niet eens gepasseerd.
Als C.W. afsluit met het van Washboard Sam geleende ‘Good Old Cabbage Green’ kunnen we enkel vaststellen dat we een ijzersterk concert hebben meegemaakt, niet van de zoveelste opportunistische bluesrevalist maar van een authentiek, doodeerlijk en volstrekt uniek performer.
Het is ondertussen zijn derde bezoek aan Antwerpen. In de Arenberg gaf hij al tweemaal acte de présence. Christopher William Stoneking is een bleke blanke Australiër, het kind van Amerikaanse ouders, die in Sidney opgroeide en in Melbourne als soloartiest in de voetsporen van Blind Boy Fuller en Scrapper Blackwell de blues predikt. Sinds de man bij Jools Holland aantrad werd zijn recente langspeler ‘Jungle Blues’ bij een breder publiek geïntroduceerd. Op dit werkstuk wordt een eigen leefwereld gecreëerd die teruggaat naar de periode van de jaren dertig en vroeger, een schipbreuk aan de Westkust van Afrika vormt het centrale thema.
Het lijkt een beetje op een goedkope gimmick, maar niets is minder waar.
De volledig in het wit geklede man met rode strikje aan de banjo of de resonatorgitaar lijkt zo weggelopen uit het Vaudevillecircuit. Met zijn wat korzelig, krachtig stemtimbre, dat beurtelings aan Tom Waits, een of andere oude bluesneger of Louis Armstrong herinnert, en een aanstekelijk mengsel van calypso, ragtime, hillbilly, prewarblues en dixieland hield hij het publiek moeiteloos in de ban.
Van de opener ‘Early In The Morning’ tot de finale eindtonen eet het publiek uit zijn hand. Stoneking ontpopt zich naast een begenadigd fingerpicker als een niet onverdienstelijke stand-up comedian met een combinatie van cynisme en humor in onderhoudende anekdotes waarmee hij enkele songs inleidt. Zo heeft hij een hilarische conversatie met zichzelf en leidt al jodelend een verhaal in over paters die de muziek van Jimmie Rodgers in Afrika verspeiden. Geanimeerde treinreizen, pratende dieren (‘Talkin’ Lion Blues’) en generaal MacArthur (‘Brave Son Of America’) komen eveneens aan bod. In zijn eentje klinkt de man als een lang vergeten bluespioneer uit de Mississippidelta.
Met ondersteuning van The Primitive Horn orchestra, opgebouwd met een contrabassist, drummer, trombonist en trompetspeler wanen we ons ergens op een straathoek in New Orleans waar een begrafenisstoet passeert, gelukkig ontbreken dit keer de paraplu’s. Vooral als die blazerssectie even voluit gaat en de bassist de tuba hanteert zoals In ‘I Heard The Song Of Marchin’ Drums’ waarbij de ‘grosse caisse’ van de vintage drumkit even in de spots geplaatst wordt. Hoogtepunten aanwijzen in zo’n sterke set is geen eenvoudige opgave. Het grappige ‘Don’t Go Dancin’ Down The Darktown Strutter’s Ball’ en bovenal ‘Jungle Lullabye’, een dromerige romantische slijper, komen aardig in de buurt. En dan zijn ‘Jungle Blues’, het schipbreuk epos van de oceaanstomer dat door onheilspellende misthoorngeluiden wordt ondersteund en het zwierige, meeslepende, op herkenningsapplaus onthaalde, ‘Love Me Or Die’ nog niet eens gepasseerd.
Als C.W. afsluit met het van Washboard Sam geleende ‘Good Old Cabbage Green’ kunnen we enkel vaststellen dat we een ijzersterk concert hebben meegemaakt, niet van de zoveelste opportunistische bluesrevalist maar van een authentiek, doodeerlijk en volstrekt uniek performer.