Little Feat • 19 augustus 2010 Openluchttheater Rivierenhof Deurne
De opkomst was niet denderend om deze (super)groep in levende lijve aan het werk te zien. Aan het weer zal het niet gelegen hebben. Was het misschien omdat deze week bekend geraakte dat drummer Ritchie Hayward op 14 augustus na een slepende longontstekeing overleed op 64-jarige leeftijd ?
Wie zal het zeggen… De afwezigen hadden in elk geval meer dan ongelijk.
Het voorprogramma werd volledig op haar eentje verzorgd door Nell Bryden, een blonde deerne
uit Brooklyn, New York City. De bloemetjesjurk deed niet onmiddellijk het beste vermoeden. Tot grote opluchting van het publiek kan deze dame meer dan gemiddeld over weg met haar Gibson-gitaar uit 1946 (in Texas gemaakt vertelde ze) en is ze bovendien gezegend met een krachtige stem.
Uit haar debuutplaat ‘What does it take’ onthouden we vooral ‘The Only Life I know’ en ‘Tonight’. Ook twee covernummers waren van uitstekende makelij. De eerste van Elvis Presley ‘That’s allright mama’, dat ze in september nog eens ten beste gaat geven in een Presley-memorial concert in het Londense Hyde park georganiseerd door BBC Radio Two en dat gepresenteerd zal worden door dochter Priscilla Presley. Bryden zal er niet uit de toon vallen. Dat deed ze evenmin met een overtuigende versie van Robert Johnson’s ‘Hellhound on My Trails’. Hou ze in de gaten die Nell Bryden.
De zes heren van Little Feat lieten het ongeduldige publiek niet lang op zich wachten. Op de drummer die Hayward vervangt en bassist Kenny Gradney na zijn het ondertussen allemaal zestigers geworden maar wat een muzikanten ! Op opener ‘Bury Me Down in New Orleans’ konden we meteen constateren dat het vertrouwde, veel gelaagde, southern style Little Feat – geluid beter dan ooit klonk. Enkel zanger/gitarist Paul Barrere startte een beetje aarzelend. Hij deed me even denken aan een verkouden Randy Newman. Naar aloude traditie draaien de heren Payne en Barrère hun hand niet om voor een solo meer of minder. Wat maakte dat de opener van het concert meteen al drie fameuse solo’s telde. Vooral het gitaarduel tussen Fred Tackett en Paul Barrère was er één om vingers en duimen van af te likken.
Met ‘Spanish Moon’ hadden we meteen het eerste hoogtepunt van de avond. Het rolde binnen als een pletwals geleid door de fantastische stem van percussionist Sam Clayton. Da’s meteen ook één van de publieke geheimen van Little Feat. Het is een groep waar maar liefst vier muzikanten op overtuigende wijze de vocalen voor hun rekening kunnen nemen. Vooral live is zoiets niet te versmaden. Door de naadloze mix van funk, New Orleans R&B en rock is en blijft dit één van de allerbeste nummers.
Voor het concert was ik een tikkeltje bevreesd dat teveel van de nummers van de jaren ’80 en ’90 de playlist zouden halen. Op die platen staan vooral veel vrij oppervlakkige en afgelikte nummers waarbij men op de FM-radio’s in de VS mikte. Hoe dan ook, niets daarvan te merken in het Rivierenhof. ‘Let it Roll’ bijvoorbeeld is een echte roadsong, en titelnummer van een CD uit 1988, waarbij gitarist Fred Tackett bewees dat ook hij goed bij stem is. Het spelplezier druipte er vanaf. Ook Pianist Bill Payne was prominent aanwezig op de bühne. Hij nam de vocalen van ‘Red Stream Liner’ overtuigend voor zijn rekening. Deze compositie van Payne en Fran Tate was oorspronkelijk voorzien voor de Live dubbelplaat ‘Waiting for Colombus’ maar sneuvelde spijtig genoeg omdat er reeds te veel materiaal voor deze dubbelplaat was geselecteerd. Op de CD-versie uitgebracht op Rhino Records uit 2002, werden gelukkig ook alle nummers die naast de boot vielen mee opgenomen, waaronder dus dit nummer. Het is een plechtstatig, barokke song over een trein die onvermijdelijk aan The Band doet denlen. Payne’s stem heeft dan ook iets weg van die van Robbie Robertson, maar al bij al blijft het natuurlijk typisch Little Feat. Vooral de puike meerstemmige samenzang tilt dit nummer boven het gemiddelde uit.
De dubbel-lp ‘Waiting for Colombus’ uit 1978 blijft het ijkpunt voor alles wat met Little Feat te maken heeft. Het was de laatste plaat waarbij stichter Lowell George meespeelde en de kwaliteit van de opnames in het Londense Rainbow Theatre en het Lisner Auditorium in Washington was van dien aard dat de meeste live-uitvoeringen hoog uistaken boven de studioversies. Het is één van de beste live-platen ooit gemaakt dat na 32 jaar nog altijd staat als een huis.
Als we het toch over het Little Feat-platenwerk hebben geven we graag mee dat de eerste vijf platen van Little Feat voor een habbekrats (max. 20 euro) te koop zijn in de Original Album Series van Rhino Records. Niet te missen.
Little Feat kwam vooral om te spelen. Met ‘Get Your Gumbo’ werd het dansen geblazen en met het titelnummer van de tweede Little Feat-plaat ‘Sailing Shoes’ laste de band een rustpunt in dat tegelijkertijd het 2de hoogtepunt van de avond was. In het tweede deel van dit nummer schakelden Barrère & Cie moeiteloos een paar vitessen hoger. Barrère kon niet nalaten sardonisch op te merken dat bassist Roy Estrada net na de opnames van Sailin’ Shoes, de groep verliet om Captain Beefheart te vervoegen. Niet echt een goede career move sneerde Barrère, ‘But good for us’ want op dat moment kwamen Paul Barrère, Sam Clayton en bassist Kenny Gradney de groep vervoegen.
Vervolgens werd het publiek vriendelijk verzocht mee te zingen op het refrein van de favoriete trucking song van de net overleden Richie Hayward’s en daarna werd samen met het publiek de marihuana-ode ‘Dont’ Bogart That Joint’ aangeheven.Volgens Paul Barrère is dat Jamaica’s alternatieve volkslied.
Daarna was het de beurt aan opzwepende up-tempo cajunmuziek waarbij Fred Tackett een magistrale mandoline-solo ten beste gaf. Diezelfde Tackett stal opnieuw de show met een bezwerende trompet-intro voor ‘Dixie Chicken’. Als we enige detailkritiek mogen opperen. Mandoline en trompet worden schitterend bespeeld door Tackett maar in de cajun-nummers worden accordeon en viool spijtig genoeg wel uit de synthesizersblikken van Bill Payne getrokken. En de nieuwe drummer heeft natuurlijk niet de finess van Hayward, maar dat komt met de tijd nog wel goed.
Hoe dan ook bereikten we met ‘Dixie Chicken’ het derde hoogtepunt van de avond. Tijdens het lange middenstuk laten o.a.bassist Gradney en pianist Payne en conga-speler Clayton al hun ,kunnen bewonderen, en dat is heel wat. Ze spelen zelfs een hele poos als jazztrio met de drummer. Bill Payne demonstreert dan ook nog even alle mogelijkheden van zijn piano’s waarbij hij verrassend dicht George Winston, bekend van de Windham Hill-CD’s benadert.
De enige reserve die we bij deze lange versie (mmer dan 20 minuten) van wat misschien Feat’s meest bekende nummer is, aan de dag leggen is dat individueel de integranten van deze groep zo virtuoos musiceren dat ze moeten oppassen niet in, kunstjes te vervallen. Dat was gelukkig niet het geval tijdens dit concert.
De muzikale avond kwam hier spijtig genoeg aan haar einde. Met het rockende ‘Oh Atlanta’ van Bill Payne die zelf verrassend goed dit nummer zong, als bis vond Little Feat het welletjes. Ze speelden immers 90 minuten, haalden alles uit de kast en het predikaat ‘Most hard working band in rock’ werd volledig ingelost.
De verstokte Little Feat – fans hadden waarchijnlijk ook graag composities als ‘Fat Man in the Bathtub’, ‘All That You Dream’, ‘Rocket Pocket’ of Rock and Roll Doctor’ gehoord. Maar ja Little Feat heeft nu eenmaal een erg uitgebreid repertoire. Zelf had ik graag ‘Representing The Mambo’ eens live gehoord, per slot per rekening toch een heuse radiohit in Vlaanderen, of ‘Time Loves A hero’ van de gelijknamige plaat waarbij Lowell George niet aan mee wenste te werken
Al bij al een puik concert van een groep met groot vakmanschap. Wees erbij als ze een volgende keer komen.
Peter Desmet
Wie zal het zeggen… De afwezigen hadden in elk geval meer dan ongelijk.
Het voorprogramma werd volledig op haar eentje verzorgd door Nell Bryden, een blonde deerne
uit Brooklyn, New York City. De bloemetjesjurk deed niet onmiddellijk het beste vermoeden. Tot grote opluchting van het publiek kan deze dame meer dan gemiddeld over weg met haar Gibson-gitaar uit 1946 (in Texas gemaakt vertelde ze) en is ze bovendien gezegend met een krachtige stem.
Uit haar debuutplaat ‘What does it take’ onthouden we vooral ‘The Only Life I know’ en ‘Tonight’. Ook twee covernummers waren van uitstekende makelij. De eerste van Elvis Presley ‘That’s allright mama’, dat ze in september nog eens ten beste gaat geven in een Presley-memorial concert in het Londense Hyde park georganiseerd door BBC Radio Two en dat gepresenteerd zal worden door dochter Priscilla Presley. Bryden zal er niet uit de toon vallen. Dat deed ze evenmin met een overtuigende versie van Robert Johnson’s ‘Hellhound on My Trails’. Hou ze in de gaten die Nell Bryden.
De zes heren van Little Feat lieten het ongeduldige publiek niet lang op zich wachten. Op de drummer die Hayward vervangt en bassist Kenny Gradney na zijn het ondertussen allemaal zestigers geworden maar wat een muzikanten ! Op opener ‘Bury Me Down in New Orleans’ konden we meteen constateren dat het vertrouwde, veel gelaagde, southern style Little Feat – geluid beter dan ooit klonk. Enkel zanger/gitarist Paul Barrere startte een beetje aarzelend. Hij deed me even denken aan een verkouden Randy Newman. Naar aloude traditie draaien de heren Payne en Barrère hun hand niet om voor een solo meer of minder. Wat maakte dat de opener van het concert meteen al drie fameuse solo’s telde. Vooral het gitaarduel tussen Fred Tackett en Paul Barrère was er één om vingers en duimen van af te likken.
Met ‘Spanish Moon’ hadden we meteen het eerste hoogtepunt van de avond. Het rolde binnen als een pletwals geleid door de fantastische stem van percussionist Sam Clayton. Da’s meteen ook één van de publieke geheimen van Little Feat. Het is een groep waar maar liefst vier muzikanten op overtuigende wijze de vocalen voor hun rekening kunnen nemen. Vooral live is zoiets niet te versmaden. Door de naadloze mix van funk, New Orleans R&B en rock is en blijft dit één van de allerbeste nummers.
Voor het concert was ik een tikkeltje bevreesd dat teveel van de nummers van de jaren ’80 en ’90 de playlist zouden halen. Op die platen staan vooral veel vrij oppervlakkige en afgelikte nummers waarbij men op de FM-radio’s in de VS mikte. Hoe dan ook, niets daarvan te merken in het Rivierenhof. ‘Let it Roll’ bijvoorbeeld is een echte roadsong, en titelnummer van een CD uit 1988, waarbij gitarist Fred Tackett bewees dat ook hij goed bij stem is. Het spelplezier druipte er vanaf. Ook Pianist Bill Payne was prominent aanwezig op de bühne. Hij nam de vocalen van ‘Red Stream Liner’ overtuigend voor zijn rekening. Deze compositie van Payne en Fran Tate was oorspronkelijk voorzien voor de Live dubbelplaat ‘Waiting for Colombus’ maar sneuvelde spijtig genoeg omdat er reeds te veel materiaal voor deze dubbelplaat was geselecteerd. Op de CD-versie uitgebracht op Rhino Records uit 2002, werden gelukkig ook alle nummers die naast de boot vielen mee opgenomen, waaronder dus dit nummer. Het is een plechtstatig, barokke song over een trein die onvermijdelijk aan The Band doet denlen. Payne’s stem heeft dan ook iets weg van die van Robbie Robertson, maar al bij al blijft het natuurlijk typisch Little Feat. Vooral de puike meerstemmige samenzang tilt dit nummer boven het gemiddelde uit.
De dubbel-lp ‘Waiting for Colombus’ uit 1978 blijft het ijkpunt voor alles wat met Little Feat te maken heeft. Het was de laatste plaat waarbij stichter Lowell George meespeelde en de kwaliteit van de opnames in het Londense Rainbow Theatre en het Lisner Auditorium in Washington was van dien aard dat de meeste live-uitvoeringen hoog uistaken boven de studioversies. Het is één van de beste live-platen ooit gemaakt dat na 32 jaar nog altijd staat als een huis.
Als we het toch over het Little Feat-platenwerk hebben geven we graag mee dat de eerste vijf platen van Little Feat voor een habbekrats (max. 20 euro) te koop zijn in de Original Album Series van Rhino Records. Niet te missen.
Little Feat kwam vooral om te spelen. Met ‘Get Your Gumbo’ werd het dansen geblazen en met het titelnummer van de tweede Little Feat-plaat ‘Sailing Shoes’ laste de band een rustpunt in dat tegelijkertijd het 2de hoogtepunt van de avond was. In het tweede deel van dit nummer schakelden Barrère & Cie moeiteloos een paar vitessen hoger. Barrère kon niet nalaten sardonisch op te merken dat bassist Roy Estrada net na de opnames van Sailin’ Shoes, de groep verliet om Captain Beefheart te vervoegen. Niet echt een goede career move sneerde Barrère, ‘But good for us’ want op dat moment kwamen Paul Barrère, Sam Clayton en bassist Kenny Gradney de groep vervoegen.
Vervolgens werd het publiek vriendelijk verzocht mee te zingen op het refrein van de favoriete trucking song van de net overleden Richie Hayward’s en daarna werd samen met het publiek de marihuana-ode ‘Dont’ Bogart That Joint’ aangeheven.Volgens Paul Barrère is dat Jamaica’s alternatieve volkslied.
Daarna was het de beurt aan opzwepende up-tempo cajunmuziek waarbij Fred Tackett een magistrale mandoline-solo ten beste gaf. Diezelfde Tackett stal opnieuw de show met een bezwerende trompet-intro voor ‘Dixie Chicken’. Als we enige detailkritiek mogen opperen. Mandoline en trompet worden schitterend bespeeld door Tackett maar in de cajun-nummers worden accordeon en viool spijtig genoeg wel uit de synthesizersblikken van Bill Payne getrokken. En de nieuwe drummer heeft natuurlijk niet de finess van Hayward, maar dat komt met de tijd nog wel goed.
Hoe dan ook bereikten we met ‘Dixie Chicken’ het derde hoogtepunt van de avond. Tijdens het lange middenstuk laten o.a.bassist Gradney en pianist Payne en conga-speler Clayton al hun ,kunnen bewonderen, en dat is heel wat. Ze spelen zelfs een hele poos als jazztrio met de drummer. Bill Payne demonstreert dan ook nog even alle mogelijkheden van zijn piano’s waarbij hij verrassend dicht George Winston, bekend van de Windham Hill-CD’s benadert.
De enige reserve die we bij deze lange versie (mmer dan 20 minuten) van wat misschien Feat’s meest bekende nummer is, aan de dag leggen is dat individueel de integranten van deze groep zo virtuoos musiceren dat ze moeten oppassen niet in, kunstjes te vervallen. Dat was gelukkig niet het geval tijdens dit concert.
De muzikale avond kwam hier spijtig genoeg aan haar einde. Met het rockende ‘Oh Atlanta’ van Bill Payne die zelf verrassend goed dit nummer zong, als bis vond Little Feat het welletjes. Ze speelden immers 90 minuten, haalden alles uit de kast en het predikaat ‘Most hard working band in rock’ werd volledig ingelost.
De verstokte Little Feat – fans hadden waarchijnlijk ook graag composities als ‘Fat Man in the Bathtub’, ‘All That You Dream’, ‘Rocket Pocket’ of Rock and Roll Doctor’ gehoord. Maar ja Little Feat heeft nu eenmaal een erg uitgebreid repertoire. Zelf had ik graag ‘Representing The Mambo’ eens live gehoord, per slot per rekening toch een heuse radiohit in Vlaanderen, of ‘Time Loves A hero’ van de gelijknamige plaat waarbij Lowell George niet aan mee wenste te werken
Al bij al een puik concert van een groep met groot vakmanschap. Wees erbij als ze een volgende keer komen.
Peter Desmet







