Sarah Joyce (1979) groeide op in Pakistan, haar vader werkte er als ingenieur aan de Tarbela Dam, een groots project nabij Islamabad.
Als Sarah halverwege jaren tachtig vanuit Pakistan naar Londen
verhuist betekent dat voor het jonge meisje een immense cultuurschok.
Aanpassen aan het schoolleven lijkt onmogelijk en ze vlucht weg in een droomwereld van hoogbejaarde films en musicals waarin Judy Garland figureert. Op haar elfde scheiden haar ouders, Sarah’s moeder had een relatie met de kok, een Pakistani en dat bleek haar natuurlijke vader, zo ontdekte Rumer op haar elfde. Na studies dramatiek in Devon verhuist ze terug naar Londen. Ze overleeft met een combinatie van de meest uiteenlopende jobs en clubwerk.
Als haar labiele moeder met borstkanker geconfronteerd wordt neemt de jonge zangeres haar intrek in een caravan om haar bij te staan en ze begint songs te schrijven, in 2003 overlijdt moeder. Een verlies dat Rumer moeizaam verwerkt maar het levert wel schitterend songwerk op zoals ‘Aretha’ zo zal jaren later blijken. Onder de naam Sarah Prentice is ze even zangeres bij La Honda, een alternatieve folkband en in 2004 kiest ze voor het solopad. Rumer & The Denials brengen drie jaar later ‘Come To Me High’ uit en er circuleert destijds op de website al een akoestische versie van ‘Slow, een zwoele sensuele ballade en de eerste single van
‘Seasons Of My Soul’ dat eind 2010 wordt uitgebracht. Die release betekent de grote doorbraak. Er is niet alleen het hemelse stemtimbre en de superieure easylisteningsound. Rumer profileert zich met lang opgespaard werk als een meer dan voortreffelijk en persoonlijk songwriter. Op de recente opvolger ‘Boys Don’t Cry’ assimileert ze in de Rumersound uitsluitend werk van mannelijke singer-songwriters uit de jaren zeventig, de muziek waarin ze troost vindt tijdens haar jeugdjaren.
Vorig jaar rond deze tijd zou Rumer in het OLT concerteren.
Helaas laste de Britse zangeres, die zich naar verluidt op een emotionele rollercoaster bevond, haar volledige zomertour af. Zaterdagavond is Rumer wel present met vijfkoppige begeleidingsband in het door enkele strategisch geplaatste plantenrijen verkleinde openluchttheater. Of de geringe opkomst iets te maken heeft met de enkele kilometer verderop in de Elisabethzaal concerterende legendarische crooner Tony Bennett lijkt eerder onwaarschijnlijk. Late beslissers vinden in dit hondenweer wellicht de weg niet naar het Rivierenhof. Het voorprogramma met Marco Z en Sarah Ferri lijkt, getuige de geïmproviseerde regenoutfit van het publiek, grotendeels in het water gevallen. Tijdens de pauze wordt het even droger. Even maar, als Rumer het met een zwoele sax omfloerste ‘Come To Me High’ inzet worden de hemelsluizen opnieuw voluit geopend. In het verleden raakte ze na het plotse succes het spoor even bijster en enige diva-tics zijn haar naar verluidt niet vreemd. Daar is zaterdagavond weinig van te merken, de in hippiekleedje gehulde zangeres lijkt ontspannen en goedlachs en dankt haar fans herhaaldelijk.
“Am I forgiven…” smeekt de zangeres. Het mag niet baten, het gekletter op onze paraplu overstemt bijwijlen de fluwelen voordracht van Rumer, voortreffelijk ondersteund door een uitmuntende backingzangeres zoals uit het immer ontroerende ‘Aretha’ blijkt en tijdens een intiem onderonsje van de twee dames in Neil Youngs ‘A Man Needs a Maid’.
Uiteraard krijgen we een genereuze graai uit ‘Boys Don’t Cry’ met het prachtige van Richie Havens geleende ‘It Could Be The First day’ en het van Ronnie Lane’s Slim Chance afkomstige ‘Just For A Moment’ en aan het einde van de set ‘P.F. Sloan’ van Jimmy Webb. Het oeuvre van deze man mag ze wat ons betreft wat meer raadplegen. Rumer werd onlangs in het Witte Huis uitgenodigd in het kader van een eerbetoon aan Hal David en Burt Bacharach en bracht er het bijzonder toepasselijke ‘A House Is Not a Home’. In Deurne krijgen we deze klassieker enkel ondersteund door piano en sax, na een wondermooie interpretatie van het van Hall & Oates gekende ‘Sara Smile’. Van blue-eyed soul naar ‘the real black stuff’ is een kleine stap voor Rumer en haar subtiele begeleiders. Het onderkoelde ‘Soulsville’ (uit Isaac Hayes’ ‘Shaft’ krijgt een fraai verlengstuk tijdens een funky toegift.
Doorweekt maar gelukkig wandelen we onder het nog nadruppelende bladerdek van de bomen in het park huiswaarts.
Als Sarah halverwege jaren tachtig vanuit Pakistan naar Londen
verhuist betekent dat voor het jonge meisje een immense cultuurschok.
Aanpassen aan het schoolleven lijkt onmogelijk en ze vlucht weg in een droomwereld van hoogbejaarde films en musicals waarin Judy Garland figureert. Op haar elfde scheiden haar ouders, Sarah’s moeder had een relatie met de kok, een Pakistani en dat bleek haar natuurlijke vader, zo ontdekte Rumer op haar elfde. Na studies dramatiek in Devon verhuist ze terug naar Londen. Ze overleeft met een combinatie van de meest uiteenlopende jobs en clubwerk.
Als haar labiele moeder met borstkanker geconfronteerd wordt neemt de jonge zangeres haar intrek in een caravan om haar bij te staan en ze begint songs te schrijven, in 2003 overlijdt moeder. Een verlies dat Rumer moeizaam verwerkt maar het levert wel schitterend songwerk op zoals ‘Aretha’ zo zal jaren later blijken. Onder de naam Sarah Prentice is ze even zangeres bij La Honda, een alternatieve folkband en in 2004 kiest ze voor het solopad. Rumer & The Denials brengen drie jaar later ‘Come To Me High’ uit en er circuleert destijds op de website al een akoestische versie van ‘Slow, een zwoele sensuele ballade en de eerste single van
‘Seasons Of My Soul’ dat eind 2010 wordt uitgebracht. Die release betekent de grote doorbraak. Er is niet alleen het hemelse stemtimbre en de superieure easylisteningsound. Rumer profileert zich met lang opgespaard werk als een meer dan voortreffelijk en persoonlijk songwriter. Op de recente opvolger ‘Boys Don’t Cry’ assimileert ze in de Rumersound uitsluitend werk van mannelijke singer-songwriters uit de jaren zeventig, de muziek waarin ze troost vindt tijdens haar jeugdjaren.
Vorig jaar rond deze tijd zou Rumer in het OLT concerteren.
Helaas laste de Britse zangeres, die zich naar verluidt op een emotionele rollercoaster bevond, haar volledige zomertour af. Zaterdagavond is Rumer wel present met vijfkoppige begeleidingsband in het door enkele strategisch geplaatste plantenrijen verkleinde openluchttheater. Of de geringe opkomst iets te maken heeft met de enkele kilometer verderop in de Elisabethzaal concerterende legendarische crooner Tony Bennett lijkt eerder onwaarschijnlijk. Late beslissers vinden in dit hondenweer wellicht de weg niet naar het Rivierenhof. Het voorprogramma met Marco Z en Sarah Ferri lijkt, getuige de geïmproviseerde regenoutfit van het publiek, grotendeels in het water gevallen. Tijdens de pauze wordt het even droger. Even maar, als Rumer het met een zwoele sax omfloerste ‘Come To Me High’ inzet worden de hemelsluizen opnieuw voluit geopend. In het verleden raakte ze na het plotse succes het spoor even bijster en enige diva-tics zijn haar naar verluidt niet vreemd. Daar is zaterdagavond weinig van te merken, de in hippiekleedje gehulde zangeres lijkt ontspannen en goedlachs en dankt haar fans herhaaldelijk.
“Am I forgiven…” smeekt de zangeres. Het mag niet baten, het gekletter op onze paraplu overstemt bijwijlen de fluwelen voordracht van Rumer, voortreffelijk ondersteund door een uitmuntende backingzangeres zoals uit het immer ontroerende ‘Aretha’ blijkt en tijdens een intiem onderonsje van de twee dames in Neil Youngs ‘A Man Needs a Maid’.
Uiteraard krijgen we een genereuze graai uit ‘Boys Don’t Cry’ met het prachtige van Richie Havens geleende ‘It Could Be The First day’ en het van Ronnie Lane’s Slim Chance afkomstige ‘Just For A Moment’ en aan het einde van de set ‘P.F. Sloan’ van Jimmy Webb. Het oeuvre van deze man mag ze wat ons betreft wat meer raadplegen. Rumer werd onlangs in het Witte Huis uitgenodigd in het kader van een eerbetoon aan Hal David en Burt Bacharach en bracht er het bijzonder toepasselijke ‘A House Is Not a Home’. In Deurne krijgen we deze klassieker enkel ondersteund door piano en sax, na een wondermooie interpretatie van het van Hall & Oates gekende ‘Sara Smile’. Van blue-eyed soul naar ‘the real black stuff’ is een kleine stap voor Rumer en haar subtiele begeleiders. Het onderkoelde ‘Soulsville’ (uit Isaac Hayes’ ‘Shaft’ krijgt een fraai verlengstuk tijdens een funky toegift.
Doorweekt maar gelukkig wandelen we onder het nog nadruppelende bladerdek van de bomen in het park huiswaarts.