The Steve Miller Band • 10 oktober 2010 • Lotto Arena Merksem (Antwerpen)
|
Drukke tijden voor fans van de oudjes uit de rock ’n roll. Enkele dagen na de jaarlijkse passage van Santana en nauwelijks twee dagen voor Joe Cocker en Sting was Steve Miller na bijna dertig jaar nog eens in het land. Het werd even aanschuiven maar dat had vooral met het gelijktijdig geprogrammeerde concert van Supertramp in het Sportpaleis te maken. De Lotto Arena raakte nauwelijks voor een derde gevuld voor de komst van de legendarische ‘Space Cowboy’.
Fortune and fame vergaarde Steve Miller met wat we nu als classic rock bestempelen maar zijn eerste muzikale liefde was onmiskenbaar de blues. Vader Miller had beroemde vrienden, zo kwamen Les Paul en Mary Ford wel eens over de vloer en leerden de piepjonge Miller de eerste gitaarakkoorden. Op twaalfjarige leeftijd had Miller al een bluesband met Boz Scaggs. De twee vrienden combineerden hun universiteitsstudies in Wisconsin met The Ardells, een R&B covergroep. In ’63 verbleef Miller even in Kopenhagen om van daaruit naar Chicago te verhuizen waar hij in ’64 met Muddy Waters, James Cotton en Paul Butterfield jamde en met Barry Goldberg een bluesband opzette. De lokroep van het zonnige Californië bleek sterker en zoals talloze jongeren trok hij naar het magische hippiemekka San Francisco. Oude vriend Scaggs keerde net op tijd terug om ‘Children of the Future’, de eerste langspeler van The Steve Miller Band in ’68, in London in te blikken en na het fantastische ‘Sailor’ dat hetzelfde jaar onder hoede van producer Glynn Johns tot stand kwam uit de groep te stappen. In die periode stammen de associaties met alterego’s als ‘The Gangster Of Love’ en ‘Space Cowboy’. De samenwerking met Johns leidt tot voortreffelijke werkstukken als ‘Brave New World’, waarop pianist Ben Sidran en een anonieme McCartney figureren en ‘Your Saving Grace’ met een fantastische uitvoering van ‘Motherless Children’. In 1970 sluit ‘Number 5’ het rijtje en de avontuurlijke, psychedelisch getinte bluesperiode af. Daarna gaat het bergaf, niet alleen artistiek. Miller breekt zijn nek in autocrash en er volgt een lange herstelperiode. Tijdens de revalidatie tekent hij de krijtlijnen uit voor en meer gestileerde benadering die in ’73 op ‘The Joker’ vaste vorm krijgt. Bluesinvloeden blijven aanwezig maar het geheel wordt in meer toegankelijke compacte poprock verpakt die ook in Europa aanslaat. ‘Fly Like An Eagle’ en ‘Book Of Dreams’ bevestigen zowel artistiek als commercieel. Daarna wordt het wat minder maar ‘Abracadabra’ loodst Miller in ‘82 wel naar de festivalweides van Torhout en Werchter. Sporadisch en met lange tussenperiodes verschijnt nog eerder middelmatig werk, waarvan we enkel het jazzy uitstapje en ‘Living In The 20th Century’, een eerbetoon aan Jimmy Reed, onthouden. Zeventien jaar na ‘Wide River’ keert Steve Miller opnieuw terug naar de bluesroots. ‘Bingo!’ is opgebouwd rond composities van de eveneens uit Dallas afkomstige Jimmie Vaughan, aangevuld met odes aan Jimmy Reed, Howlin’ Wolf en BB King, die naadloos in Millers signature sound worden verwerkt. In het kader van het bescheiden Europese luik van de ‘Bingo!’-tour was na concerten in Manchester en Londen zondagavond Antwerpen aan de beurt. Achter een gigantisch doek met de afbeelding van een stevig besnorde Space Cowboy worden de beginakkoorden van ‘Jet Airliner’ ingezet, een rommelige start vertwijfelend zoekend naar een behoorlijke klankbalans. Het doek valt in de vooraf ontruimde frontstage en we zien het podium dat gedomineerd wordt de afbeelding van een gigantische gitaarnek, omgeven door een tornado van uitwaaierende gitaren die het geheel een dynamischer karakter moeten verlenen. Overigens is beweeglijkheid niet meteen het handelsmerk van de ondertussen 67-jarige Miller, die zich vooral op de gitaarsnaren concentreert. Dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de danspasjes van Sonny Charles, een zwarte R&B zanger die in de jaren zestig onder de hoede van Phil Spector even furore maakte met The Checkmates Ltd. Na de afgekapte ritmiek van de puntige Texaanse bluesrock van ‘Hey Yeah’ en ‘Don’t Cha Know’ mag Charles ook vocaal zijn beste beentje voorzetten in het van Bobby Bland geleende ‘Further On Up The Road’ en ‘Ooh Poo Pah Doo’, hitsige stuff uit New Orleans. De dynamische Charles vormt zowat de tegenpool van een haast onbeweeglijke Miller. Vooral als het repertoire uit ‘Bingo!’ passeert, druipt het spelplezier er bij Miller en zijn bandleden af. Een gitarist die naast ritmegitaar sporadisch de baskoorden bepotelt een energieke drummer en keyboardman meer heeft Miller niet nodig. Een niet onbelangrijk deel van het publiek dat vooral voor de hits komt kijkt het even met lede ogen aan. Naarmate de set evolueert worden enkele prijsbeesten van stal gehaald. ‘Dance, Dance, Dance’, ‘Serenade’ en obligate uitvoeringen van het infantiele ‘Abacadabra’ en ‘Swingtown’. Eén van de fijnste momenten beleven we als Miller enkel met akoestische gitaar een wondermooi ‘Wild Mountain Honey’ brengt, opgedragen aan zijn trouwe sinds vorig jaar betreurde harmonicaman Norton Buffalo. In dat akoestische luikje zit ook een eerbetoon aan leermeester Les Paul verwerkt en een fraaie uitvoering van ‘Seasons’. De oudere fan kan even verderop in de set herinneringen ophalen bij werk uit dezelfde psychedelische periode: een striemend ‘Living in The U.S.A.’, ingeleid met harmonica en het dertig jaar na datum nog steeds futuristisch en fantastisch klinkende ‘Space Cowboy’. Nadien veert het publiek eindelijk massaal uit de stoeltjes, het is nu eenmaal moeilijk stilzitten op de tonen van ‘Rock ’n Me’. Een uitgesponnen ‘Fly Like An Eagle’ met veel ruimte voor de keyboardman, is de juiste afsluiting. Voor de toegift heeft Steve Miller ‘The Joker’ opgespaard dat meteen in een soort (gelukkig niet Nationaal of Vlaams) zangfeest ontaard. Hoewel niet altijd echt beklijvend toch een aangenaam concertje van een bescheiden rockicoon. |




