Chicago Blues Festival: Celebrate the centennial of Howlin' Wolf
11 - 12 - 13 juni 2010 • Grant Park Chicago Illinois (USA)
_________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Op 10 juni 2010 zou Howling’ Wolf honderd jaar zijn geworden en dit was dan ook het thema van de 27e editie van het Chicago Bluesfestival. De affiche zat opnieuw barstensvol topnamen uit de blueswereld en we konden ons gedurende drie dagen overvloedig te goed doen aan heel wat schitterende bluesmomenten. Dit alles speelde zich af op zes muziekpodiums, namelijk: Front Porch, WCBS Street Stage, Gibson Guitar Crossroads, Mississippi Juke Joint, Zone Perfect All Nutrition Bars Route 66 Roadhouse en last but not least de Petrillo Music Shell.
We dachten aanvankelijk het festivalterrein niet te kunnen bereiken omdat aan Michigan Avenue een parade aan de gang was voor The Chicago Blackhawks, die voor het eerst in 49 jaar de Stanley Cup voor ijshockey mee naar huis brachten. De stad stond daardoor zowat op zijn kop en drie dagen lang floreerden er fans met een Blackhawk T-shirt over het festivalterrein.
• Dag één: Smokestack Lightning.
Het is de laatste jaren een traditie geworden dat het festival wordt geopend met het ‘Blues In The Schools’ project. Dit jaar hadden Catherine Davis en Eric Noden songs van Howling’ Wolf aangeleerd aan de Stone Academy Blues Students. Het was echt aandoenlijk om die ukjes, ‘I Ain’t Superstitious But A Black Cat Crossed My Trail’ of ‘I Get The Blues When It Rains’ van de Memphis Jugbands te horen kwelen. Gewapend met kazoo’s, washborden en andere instrumentaria is dit evenement jaarlijks een fantastisch moment om het festival te openen, weliswaar in een verzengende hitte.
Onmiddellijk daarna wipten we even over naar de Gibson Stage, waar slidemonster Dave Weld samen met The Imperial Flames de schitterende nieuwe cd ‘Burnin’ Love’ aan het publiek voorstelde. Dave heeft momenteel een ijzersterke backing band achter zich, met ondermeer de fantastische Abb Locke op sax, Harry Yasseen aan de keyboards, Dave Kaye (bas), Jeff Taylor aan de drums en Monica Myhre (lead en backing vocals). Springveer Dave Weld kreeg het publiek gemakkelijk op zijn hand met energieke rock en blues in nummers als ‘She’s Lyin’, ‘Burnin’ Love’ en ‘I Got Mad’.
Hoog tijd om ons opnieuw naar de Front Porch te begeven. Onderweg pikten we wel een flard van de Howling’ Wolf discussie mee op het Route 66 Roadhouse, met moderator Dick Shurman, Bettye Kelly, Barbara Marks en Edie Shaw. Hubert Sumlin was eveneens aangekondigd maar was wegens gezondheidsproblemen afwezig.
Na deze heerlijk uiteenzetting maakte Wildsang haar opwachting. Hillary Kay met vocals en gitaar brengt samen met Kate Freeman op bluesharp een verfrissende set van Delta en Piemondblues. Zowaar een aangename verademing op zo’n klein podium.
Op de Front Porch is er op de openingsdag altijd het een en het ander te beleven en het was dit jaar niet anders. Toen wij daar aankwamen waren Henry Gray (piano) en Andy Cornett (harmonica en zang) al aan hun optreden begonnen. We konden toch nog genieten van een fraaie Jimmy Reed medley en van Maceo’s ‘Worried Life Blues’. Geen drukdoenerij tijdens dit optreden, maar o zo genietbaar!
We zijn dan voor de Front Porch blijven staan want we wilden voor geen geld legendarische bluesmannen zoals Jimmy Dawkins en Taildragger missen en we werden niet ontgoocheld.
Jimmy Dawkins was zwaar ziek geweest en dit was weliswaar aan zijn gitaarspel te horen. Waar Jimmy Dawkins een paar gitaarsteekjes liet vallen stond Billy Flynn pal om ze onmiddellijk op te rapen. Jimmy Dawkins was anders wel goed bij stem toen hij ‘Rock Me, Baby’ zong. De kers op de taart was echter showbeest Taildragger. Aan zijn manier van doen kun je enigszins opmaken hoe een optreden van Howling’ Wolf er uit zag. Net zoals Wolf schept Taildragger er een duivels genoegen in om zijn publiek de stuipen op het lijf te jagen. Hij joeg ‘Don’t Start Me To Talkin’ en ‘My Head Is Bald’ door de microfoon. Hij riep naar iemand uit het publiek: “You’re a friend of mine, because you’ve got no hair, just like me’ en hij nam daarop zijn Stetsonhoed af. Toch wel een ongelooflijke kerel, die Taildragger.
Na dit optreden vond een duidelijk vermoeide Jimmy Dawkins nog de tijd voor een babbel en een handtekening. Chapeau Mister Dawkins!
Café R&B zijn dan weer een vijfkoppige band uit Los Angeles. Zangeres Roach danst op haar hoge haken, dat zelfs wij er wild van werden. Samen met producer, gitarist en echtgenoot Byl Carruthers, toetsenist John ‘JT’ Thomas, bassist Bobby Pickett en Stephen Klong achter de drums serveren ze ons hard-hitting blues die menig vriend en vijand verrast. Roach doet vocaal sterk terugdenken aan een jonge Etta James en heeft het lijf van en jeugdige Tina Turner. Wat een combinatie, wij zijn alvast fan geworden.
Op de Street Stage vlakte waren Chris James, Partrick Rynn & Robb Stone een eerste hoogtepunt. Met traditionele elektrische Chicagoblues vormen zij de perfecte schakel naar The Killborn Alley Blues Band. Met eenzelfde gedrevenheid nemen Andrew Duncanson (vocals, gitaar), Josh Stimmel (gitaar), Chris Breen (bas) en Ed O’Hara op drums ons meteen bij de strot. ‘Better Of Now’, ‘Foolsville’ en ‘Tough Times’ gaan er mateloos in. Deze band maakte pas 10-jaar geleden hun debuut en is met rassenschreden de real blueswereld ingetreden.
Nog snel even naar de Front Porch, waar Big George Brock zijn opwachting maakt. Big George is en blijft een gentleman, keurig gehuld in een blauw maatpak, schittert hij als nooit tevoren. George Brock Junior mocht de spits afbijten, gevolgd door zus LaTasha die beiden een soulvol stembereik bezitten. Het zit hier duidelijk in de genen. Papa George werd geboren in Grenada, Mississippi op 16 mei 1932 maar bezit nog steeds de nodige longinhoud om ons geboeid aan het podium te kluisteren. Rijkelijk gehuld met sieraden, gouden en diamanten ringen is ook Big George nog steeds bezegend met een uiterst soulvol bluesgeluid die hij als nooit voorheen, heerlijk combineert met gevoelig harpwerk. ‘Poor Boy’ of ‘Arkansas To Memphis’ werden zo al snel een deel van de show.
Als we de Howling’ Wolf alumni niet wilden missen werd het de hoogste tijd om ons richting Petrillo Music Shell te reppen. Die alumni was -zoals verwacht- trouwens fantastisch. Dit kan ook niet anders met kleppers als Eddie Shaw and the Wolf Gang with Jody Williams, Corky Siegel, Henry Gray, Abb Locke en Sam Lay. Hubert Sumlin (die voortdurend aan zuurstof hangt) had zelfs het ziekenhuis verlaten om een paar nummers te komen meejammen. Jody Williams vertolkte ‘Cold Cold Feeling’ en er volgden nog een hele rits Howling’ Wolf-songs zoals, ‘300 lbs Of Heavenly Joy’ en ‘Howling For My Darling’.
Verder werd er door organisator Barry Dolins nog een waardige plechtigheid ingelast, waarbij Barry aan Howling’ Wolf’s dochter een oorkonde overhandigde omdat Howling’ Wolf’s grootste hit ‘Smokestack Lightnin’ werd opgenomen in de ‘Library Of Congress Blues Hall Of Fame’.
Onmiddellijk daarna werd op de Petrillo Music Shell plaats gemaakt voor Otis Taylor en zijn voltallige band. Wij noteren Larry Tampon (drums), Nick Amodeo (gitaar), Jon Paul Johnson (bas) en de fantastische Anne Harris op viool. We mogen dit concert zonder enige schroom tot een van de hoogtepunten van het festival rekenen. In de blues van Otis Taylor kun je duidelijk invloeden van de muziek uit Mali waarnemen. De muziek kwam uitstekend tot zijn recht door de fantastische akoestiek op het Petrillo podium en er kon uitgebreid worden genoten van songs zoals ‘Ten Minutes Late’, ‘Ain’t That Beautiful?’ ‘Knock You Down’ en ‘Hey Joe’.
Volgende act op de Petrillo Music Shell was de James Cotton Band. James liet het zingen over aan Texaan Darell Nulish, maar zorgde zelf voor meerdere hoogstandjes op harmonica. Ook dit werd een dijk van een concert met nummers zoals ‘Blow, Wind, Blow’ en ‘Something Strange Could Happen To You’. Tom Holland, Rico McFarland op gitaren, Kenny Ray Neal achter de trommels en Noël Neal met de baslijnen vervoegen dit legendarische duo. De fabelachtige Matt ‘Guitar’ Murphy, ooit tweede gitarist op de allereerste platen van Chuck Berry, kwam de band vervoegen bij het swingende ‘Rocket 88’.
Zora Young begon eveneens sterk aan haar set met een Howling’ Wolf medley, maar ik heb me toen uit de voeten gemaakt om Matt ‘Guitar’ Murphy aan de Best Buy stand te kunnen ontmoeten. Het is daar op een nogal hilarische toestand uitgedraaid bij de verkoop van cd’s, promofoto’s en baseball petjes. Matt had er duidelijk zin in.
• Dag twee: Spoonful.
Dag twee startte met Diamond Jim Green op de WCBS Steet Stage. Jim is misschien niet de beste zanger maar zijn sublieme dobrospel maakte veel goed. Het totaalbeeld bij nummers als ‘Please, Send Me Someone To Love’ en Robert Johnson’s ‘They’re Red Hot’ was uiterst positief.
Daarna zagen we op de Route 66 Stage Eric Noden en Joe Filisko hun prestatie van Ecaussinnes nog eens herhalen. Ze brachten meestal nummers uit hun pracht cd ‘I.C. Special’. Dit duo is zonder enige twijfel een verfrissende nieuwkomer in de countryblues wereld.
Het absolute hoogtepunt van dag twee greep plaats om 13u45 plaats op de Gibson Stage. Toen was namelijk Sugar Blue aan de beurt. Hij kwam langs het podium gewandeld en begon zijn show midden in het publiek, dat bijna dol werd. Sugar Blue vroeg aan het publiek ‘What Time Is It?’ en er werd teruggebruld: ‘Bluestime!’.
Sugar Blue zocht vooral inspiratie uit zijn laatste twee cd’s ‘Code Blue’ en ‘Treshhold’. Hij bracht spetterende versies van ‘Krystalline’ en ‘One More Mile’ voor de gelegenheid geleend bij zijn idool James Cotton. Net als ‘Cotton Tree’ een eigen hulde aan diezelfde Cotton, ‘Messin’ With The Kid’, ’Red Hot Mama’ en het onweerstaanbaar rockende ‘Bluesman’. Toen Sugar Blue zijn eigen beroemde harmonica riff van ‘Miss You’ (The Rolling Stones) inzette was het hek helemaal van de dam. De Gibson Stage ontplofte. Niet te geloven!
We moeten er volledigheidshalve aan toevoegen dat de begeleidingsband van Sugar Blue in bloedvorm verkeerde met daarin vooral een glansrol voor de fenomenale gitarist Rico McFarland. Verder waren er ook nog wederhelft Ilaria Lantieri op bas en James Knowles op drums. Rik De Saedeleer zou zeggen “Moet er nog zand zijn?”.
Op de Front Porch was André Williams nog een stuk beter in vorm dan op 2 mei jongstleden in Lessinnes. Hij kon net zoals toen rekenen op de formidabele backing van The Goldstars. Hier speelden ze een thuismatch en de naar soul neigende songs zoals ‘If It Wasn’t For You’’ en ‘Never Had A Problem’ gingen er bij het talrijk opgekomen publiek vlotjes in. De zeventiger is nog steeds een echt podiumbeest. Onderweg pikten wij nog een het openingsnummer van Blue Plate Special mee. R.P. Michaels met de vocals en de baslijnen wordt stevig ondersteund door Marty MacMillan op gitaar en Robert Pasenko op drums. ‘Stir It Up’ bleek een regelrechte rocksong alsook het stevig uit de kluiten gewassen ‘Luck Runs Out’ uit hun album ‘Can You Dig It’, heerlijk voer voor de hardere bluesfans onder ons.
Wij zijn toen aan de WCBS Street Stage nog iets van Bob Riedy en Bob Corritore gaan meepikken. Die heren waren ook uiterst sterk bezig met steun van Bill Lupkin. Hiervoor had de uit Zwitserland afkomstige Chris Harper (harp) samen met kompaan Tom Holland op gitaar en zang met ondermeer ’Fastiest Thing I’ll Ever Do’ menige passanten tot stilstand gebracht. Maar toen gingen spijtig genoeg de hemelsluizen meedogenloos en wagenwijd open. Na een korte schuilbeurt op naar de Petrillo Music Shell waar Nellie ‘Tiger’ Travis and guest, de avond mochten openen. Samen met Dejuan Austin (drums), Johnnie Reed (bas), Ronnie Hicks (keyboards), Max V (gitaar), Ayako Miami (altsax), Mariano ‘MC’ Cardozo (tenorsax) en Precius Taylor op coros brachten zij een aangename set die heel wat fans aan het dansen brachten. ‘I Saw It On Oprah’, ‘Oddbanana’ en ‘Baby Mama Drama’ gingen er als warme broodjes in. Vooral haar hemelse versie van ‘Im A Woman’, de titeltrack van haar nieuwste release, zal voor eeuwig in ons geheugen geprent zijn.
De inmiddels 72-jarige Bobby Parker uit Lafayette, Louisiana was voor de gelegenheid netjes geschoren en gehuld in een sneeuwwit maatpak. Met songs als ‘Kick It Around With You’, ‘Somebody’s Comin’ In’ of ‘Watch Your Steps’ uit 1962 bewijst Parker hier nogmaals, nog steeds een van de toonaangevende bluesgitaristen van het ogenblik te zijn.
Wie vorig jaar het bluesfestival op Antwerpen Linkeroever heeft meegemaakt kan zich een duidelijk beeld scheppen van hetgeen zich om 19u35 op de Petrillo Music Shell heeft afgespeeld. Toch spelen de heren hier een thuismatch en dat komt de sfeer en vooral de muzikale kwaliteit alleen maar ten goede.
Chicago Blues: A Living History met Billy Boy Arnold, Billy Branch, John Primer en Lurrie Bell was daarvan een blauwdruk. Voornoemde bekwame schoolmeesters gaven les in Chicagoblues aan duizenden leerlingen. Zeker en vast heel leerzaam en prettig en ‘I Wish You Would’ van Billy Boy Arnold mocht hierbij natuurlijk niet ontbreken.
Voor ons was het echter tijd om in doorweekte maar opgewekte toestand het hotel op te zoeken.
• Dag drie: Sitting On Top Of The World.
En zo komen we alweer bij de laatste dag van het Chicago Bluesfest, en wisten wij reeds om 11u30 dat het opnieuw een topdag zou worden.
Het werd meteen partytime op de Street stage met The Cash Box Kings, waar Joe Nosek meerdere malen de show stal met zijn harp. Stevig begeleid door Jimmy Sutton op double bas, Kenny Smith achter de trommels en Billy Flynn op gitaar blijkt de toekomst in de Windy City verzekerd. Joe steekt zo’n gevoel in zijn harpspel dat ’Default Boogie’ en ’Warm It Up To Me’ ons op het vroege middaguur reeds aan het dansen krijgt. Als de band ook nog eens old-school blues gaat vermengen met moderne klanken, krijgen we een reïncarnatie van The Big City Chicagoblues uit de jaren ’50 en ’60.
Ook de in 1957 geboren Quintus McCormick heeft een mooie toekomst voor zich. Hij is een uitstekende zanger en vooral een virtuoze gitarist. Hij leverde op de Gibson Guitar Crossroads een puike prestatie af. Daarvoor deed hij beroep op de inhoud van zijn uitbundig ontvangen cd ‘Hey, Jodie’, waarvan hij onder meer de bloedmooie, zo uit de jaren vijftig weggelopen titelsong bracht. Verder ook nog schitterende nummers zoals ‘What Goes Around Comes Around’ en ‘Plano Texas Blues’. Quintus McCormick sloot af met een fel gesmaakte Santana medley. Uitblinker van dienst was hier toetsenman Roosevelt Purifoy. De band werd verder vervolledigd met Lovely ‘JR’ Fuller aan de bas en Jeremiah Thomas aan de drums. Quintus McCormick is ook al een naam om te onthouden.
Ons notaboekje raakt behoorlijk vol.
En zo gingen we terug naar de Front Porch om Robert Dancin’ Perkins aan het werk te zien. Dancin’ Perkins is één van de weinige overgebleven originals van Maxwell Street anno 1965. Dancin’ Perkins is inmiddels 78 jaar oud, maar de ouderdom heeft nog geen vat op hem. Hij is een levensechte lolbroek en hij moet geen moeite doen om de lachers op zijn hand te krijgen. Zijn uitspraak was goddelijk. ‘Mustang Sally’ sprak hij uit als ‘Muu’tang Sally’. Dancin’ Perkins werd begeleid door The Checkmates. Ze zetten hun tanden in BB King’s ‘3 O’Clock Blues’ en in een eigenaardige cover van Chris Cain: ‘Me And My Baby Don’t Get Along For One Day At A Time’.
Ik had inmiddels vernomen dat omstreeks zondagmiddag reeds een half miljoen toeschouwers door de tellers aan de ingangspoorten werden genoteerd.
Voor de rest van de namiddag werd het een heen en weer geloop tussen de Mississippi Juke Joint en de Gibson Guitar Crossroads voor vier schitterende concerten. Eerst zagen we op de Mississippi Juke Joint een immer breed lachende Bobby Rush een dijk van een optreden weggeven. Hij had zijn danseressen thuis gelaten, maar we kregen een show van de bovenste plank aangeboden. Zijn muziek is erg soulfull en hij had het publiek op zijn hand met ‘I Gotcha’ van Joe Tex, ‘She’s Nineteen Years Old’ van Muddy Waters en eigen songs zoals ‘Voodoo Man’. Hij sloot zijn meeslepende optreden af met ‘Saints Gotta Move’, een zeer eigenzinnige bewerking van ‘When The Saints Go Marchin’ In’.
Vandaar in gestrekte draf naar de Gibson Guitar Crossroads waar de in rode outfit gestoken Carl Weathersby met de hulp van Larry McCray zijn nieuwste in online verkrijgbare ‘Hold On’ aan het publiek voorstelde. Carl Weathersby mengde nummers uit de nieuwe plaat met klassiekers zoals ‘Hoochie Coochie Man’. Carl Weathersby maakte zich na de show vlug uit de voeten want er stond nog een optreden op de WCBS Street Stage op het programma.
Op de Gibson Guitar Crossroads sloeg de trend over naar soulblues en was het uitkijken naar Barbara Carr en Roy Roberts. Barbara Carr was helemaal in het wit gekleed en verraste ons met haar geweldige stem. Tijdens haar optreden kregen we een mals regenbuitje cadeau en daarop speelde Barbara Carr in met ‘I Can’t Stand The Rain’ van Ann Peebles. Verder zong ze ‘I Wanna Be Burried In A Hole In The Wall (A Whole In The Wall wil zo veel zeggen als Juke Joint) en ‘Juke Joint Jumpin’.
Barbara Carr werd op het podium afgelost door een andere levende soulblues legende uit North Carolina, de steeds in het helblauw geklede Roy Roberts. We moeten hem niet meer voorstellen. De man timmert reeds zo lang aan de weg dat zijn verdiensten voor de blues niet meer kunnen worden weggecijferd. Net zoals Barbara Carr heeft hij een prachtstem. Ik kon nog een paar songs van hem noteren zoals het op zijn outfit alluderende ‘My Shade Of Blue’ en ‘I’ve Been Makin’ Love’. Het was echter de hoogste tijd om terug te keren naar de Mississippi Juke Joint want daar stond ook nog één en ander te gebeuren.
Neem nu allen potlood en papier en noteer de volgende naam: The Homemade Jamz Blues Band. Dit tienertrio is samengesteld uit de broertjes Ryan Perry (zang en leadgitaar), Kyle Perry (bas) en hun piepjonge zusje Taya Perry (drums). Ze worden soms op harmonica bijgestaan door papa Renaud Perry, die ook eigenhandig de gitaren van Ryan en Kyle in elkaar timmerde. Ze zijn, net zoals die met zijn bakkebaarden, afkomstig uit Tupelo, Mississippi en hebben, afgaande op dit concert, een geweldige toekomst voor zich. Je voelt het zo dat ze van thuis uit de blues met de paplepel hebben binnengekregen en dit komt nu overvloedig tot uiting. Soms leunen ze heel dicht tegen de traditionele blues aan, maar er zitten genoeg verfrissende momenten in om van een nieuwe wind in de bluesmuziek te spreken. Hun cd heet ‘Pay Me No Mind’, maar dat doen we nu juist wel. Van bij het begin vloog The Homemade Jamz Blues Band er frontaal in met stekelige blues zoals ‘Who Your Real Friends Are’ of ‘Right Thang Wrong Woman’. Ze toonden zich echter op hun best bij nummers met een strakke Memphis beat zoals ‘Pay Me No Mind’ of ‘Shake Rag’. Bij de uitvoering van dit laatste nummer maakten Ryan en Kyle hun opwachting midden in het talrijke publiek. Intussen mepte zus Taya naar zowat alles dat bewoog en soms leek ze van achter haar drumstel op te veren. Dit concert was schit-te-rend!!!!! Voor mij is The Homemade Jamz Blues Band dé revelatie van het festival en het gejoel en oorverdovend applaus dat er op volgde sprak boekdelen. Ze konden niets anders dan een bisnummer brengen en dit werd dan hun versie van John Lee Hooker’s ‘Boom Boom’.
Vanaf 15u45 tot 18u00 was er ook heel wat te beleven op de WCBS Street Stage. Vooreerst was er de Chicago Blues Round Robin met heel wat sjiek volk zoals Carl Weathersby, John Primer, Jimmy Burns, Steve Doyle, Dave Katzman en onze goede vriend Kenny ‘Beedy Eyes’ Smith. Dit werd een superjam sessie met, akkoord, voor het grootste gedeelte traditionals, maar men had er de stekker uitgetrokken. De heren amuseerden zich kostelijk en dit sloeg over op het opeengepakte publiek.
De tijdslimiet werd daardoor overschreden en slide specialist Lil’ Ed Williams moest zijn gig samen met Mike Garrett met enige vertraging aanvangen. Daarom niet getreurd want de immer guitige Lil’ Ed (weliswaar zonder zijn Blues Imperials) zorgde voor een uurtje dolle pret. Hij reageert op ongeveer alles wat er in het publiek wordt gezegd of geroepen. Toen een mevrouw naar ‘Chicken, Gravy & Biscuits’ vroeg, antwoordde Lil’ Ed: ‘Tonight at ten at Buddy Guy’s’. Hij bracht ons wel een bloedmooie versie van Jimmy Reed’s ‘Caress Me Baby’. Mike Garrett moest soms alle zeilen bijzetten om Lil’Ed te kunnen volgen.
Ook aan de Front Porch werden de gebeurtenissen met enige vertraging afgewerkt. Daardoor konden wij nog van een gedeelte van het optreden van Ramblin’ Jack Elliott meegraaien. Elliott speelde een akoestisch gebeuren waar vooral de traditional ‘House Of The Rising Sun’ en de gebekte intro van een oud “Shadow” radioprogramma dito verhaal en de song ‘Diamond Joe’ ons aangenaam verraste.
Ook Guitar Shorty had er enorm veel zin in en serveerde ons enkele gitaarkrakers zoals ‘Fine Cadillac’, ‘Blues In My Blood’, ‘Please Mr. President’ en het naar Waco Jaco refererende ‘Neverland’. Allemaal nummers uit zijn recentste cd’s ‘We The People’ en ‘Bare Knuckles’. Na het optreden was hij gemakkelijk te strikken voor een babbeltje links of een handtekeningetje rechts, met dien verstande dat hij voor elke handtekening die hij gaf een minuut of vijf nodig had. Verrukkelijk om zien!
Na Guitar Shorty kregen we aan de Front Porch nog een zoveelste verrassing voorgeschoteld onder de vorm van de mij totaal onbekende Lubriphonic, met onder meer de onverbeterlijke Giles Corey (gitaar) en Joewaan Scott (bas). Ze werden versterkt door een blazerssectie en pootten een solide, stevige en loepzuivere sound neer waarmee ze iedereen op de weide aan het dansen kregen. Bij Lubriphonic stonden er ook wel enkele gekende prijsbeesten op hun playlist zoals ‘Close To You’ en ‘Killing Floor’ (er mocht toch niets van Howling’ Wolf ontbreken), maar het werd schitterend naar voor gebracht. De grootste verrassing was toch wel Aaron Neville, die op keyboards de band warempel kwam vervoegen tijdens de slotsong.
Intussen was het reeds na 20u00. Wij hadden nog een paar drankbonnetjes en slenterden op die manier richting Petrillo Music Shell. Daar stond zodanig veel volk dat er geen doorkomen meer aan was.
Toch genoten wij nog van Vance “Guitar” Kelly en dochter Vivian. Zijn snelle en uiterst precieze gitaarsolo’s bezorgden Vance al heel snel in zijn carrière de nickname “Guitar”. En terecht, ja ook hier vanavond bediend Kelly ons van moderne Chicagoblues, die zeker niet gepolijst klonk.
Met zijn uitzonderlijk en buitengewoon talent bewijst Vance terecht op het hoofdpodium te mogen plaatsnemen. Kelly’s vloeiend gitaarspel wordt perfect gecombineerd met zijn buitengewoon diepe bluesstem. In een kleine club of voor duizenden mensen, het maakt eigenlijk niets uit. Vooral de duetten met dochter Vivian deed heel wat fans hun oren en ogen opengaan. En dit niet alleen wegens Vivian’s muzikale zangkwaliteiten. Tja, het oog wil ook wat zeker. ’Nobody Has The Power’ of ’Finally I Found You’, waren heuse kippenvelmomenten. De familie Kelly? Eindelijk hebben wij jullie gevonden. Heerlijk en onvergetelijk concert.
Ik kon vanop het grasperk nog wel iets opvangen van de afsluitende acts, onder meer de Chicago Blues Reünion met Nick Gravenites (zang), Barry Goldberg (Hammond B3), Corky Siegel (piano), Harvey Mandel (gitaar), Charlie Musselwhite (harmonica) en Sam Lay (drums). (Spijtig dat hier Michael Bloomfield ontbrak – nvdr)
En, ja hoor, zij brachten een waardige hulde aan Howling’ Wolf.
Toen wij de Petrillo Music Shell verlieten, botsen we zowaar op Mister Buddy Guy himself. Een vriendelijk knikje kon er wel nog vanaf en weg was de levende legende. Aardige man, in zijn thuishaven althans.
Op een van de vele “side-stages” gaf een kleine tiener een gitaarsolo om kippenvel van te krijgen. Op ‘Sweet Home Chicago’ deed Little Ray veel geroutineerde amateurs blozen en zo blijkt de toekomst van de blues te zijn verzekerd. De interactie met de omstaanders sprak boekdelen. Geweldig! Net als het concert van Donna Herula, die op geregelde tijdstippen voor wat tips een akoestische set ten berde bracht. Donna blijkt een grote fan van Robert Nighthawk te zijn en coverde vol vreugde gewapend met haar dobro, ‘Crying Won’t Help You’, ‘Every Day and Nights’ en ‘Friar’s Point’.
Het festival werd afgesloten door op de Petrillo Music Shell door Terence Kimble, beter bekend als T.K. Soul. En toen vonden wij het tijd om, vermoeid als wij waren, ons hotel op te zoeken. Super gelukkig, na zo’n fantastisch gratis driedaags festival, boordevol geweldige momenten met weinig of geen miskleunen. Je moet op zo’n festival echter wel een keuze maken, want je kan onmogelijk alle aangekondigde concerten bijwonen.
De doemdenkers onder ons, die van mening zijn dat het met de blues de verkeerde kant uitgaat, hadden in Chicago aanwezig moeten zijn. Dan hadden ze kennis gemaakt met nieuwe, jonge, opkomende talenten als Eric Noden en Joe Filisko, Quintus McCormick en andere Homemade Jamz Bluesbands, of hadden ze van superconcerten van onder meer Sugar Blue en Otis Taylor kunnen genieten. Dan hadden ze misschien gehoord hoe iemand tegen ons zei: “As long as the human heart is beating, there will be a shuffle beat’. In andere woorden: de blues zal nooit meer verdwijnen…
_____________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Auteur: Philip Verhaege & Ivan Van Belleghem I Foto's: © Philip Verhaege & Ivan Van Belleghem
Published: 25-06-2010 I 20:00
Print this Page











