QUINTESSENCE: SELF

Quintessence

Self
––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

quintessence200


In de late jaren zestig was de omgeving van Notting Hill Gate in Londen de pleisterplaats bij uitstek voor hippies, freaks, acteurs, muzikanten, schrijvers, en politieke activisten. Inwijkelingen uit de hele wereld voelden zich aangetrokken tot deze tolerante levensgemeenschap. De Australische fluitspeler Ron Rothfield was zo’n migrant die na omzwervingen langs New York en Griekenland in 1968 uiteindelijk in Ladbroke Grove belandde. De opgang van ‘underground muziek’ inspireerde hem dermate dat hij besloot een soort jazzrock formatie op poten te zetten. Via zoekertjes in Melody Maker vond hij muzikanten uit de meest uiteenlopende windstreken. Gitarist Dave Codling was de enige echte Brit van het gezelschap. De overige muzikanten waren uit ‘DownUnder’, Canada, Amerika en Mauretanië afkomstig. Gefascineerd door de West-Indische cultuur maten de respectievelijke groepsleden zich Indiase pseudoniemen aan; niet ongebruikelijk destijds in spirituele kringen.
In de nadagen van het hippietijdperk werd Quintessence bijzonder populair en op Island werden vier langspelers uitgebracht. Het mystieke aura en bijbehorende neveldampen waren al een tijdje opgetrokken toen Quintessence voor ‘Self’ onderdak vond bij RCA.
Desondanks volhardt de groep in de oorspronkelijke benadering, jazzy improvisaties ingebed in een dromerige Indiase mantra. Dat levert vooral in de uitgesponnen live-improvisaties zoals ‘Freedom’ en het bijna een kwartuur aanslepende tranceverwekkende epos ‘Water Goddess‘ een interessant muzikaal tijdsbeeld van de eclectische benadering van Quintessence. Maar ik kan me voorstellen dat de modale muziekliefhebber zich de moeite bespaart om de luistersessie helemaal uit te zitten. Wellicht is het voor beginners aangewezen eerst de hier als bonustracks bijgeleverde single ‘Sweet Jesus’ te consumeren.

Cis Van Looy
☆☆☆

|