JOSE FELICIANO
JOSE FELICIANO / FREDDY BIRSET /
‘T SCHOON VERTIER
Vrijdag
20 juli 2007 - Turnhoutse Vrij-dagen • Grote
Markt Turnhout
![]()
In Turnhout pakken de organisatoren vrijdag al
uit met de vijfde aflevering van de zogenaamde
Vrij-dagen van de editie 2007. Enkele uren voor
het concert is de regen uitvoerig van de partij.
Wellicht schrikt dat een aantal bezoekers af.
Tijdens het voorprogramma klaart de hemel op.
’t Schoon Vertier, een plaatselijke
brassband, met als blikvanger een stel jonge
majoretten. Een show die letterlijk niet al te
veel om het lijf heeft en duidelijk als opwarmer
fungeert.
Freddy Birset was al eerder te gast op de
Turnhoutse Grote Markt. Een soort professor
Gobelijn, die van op het barkrukje met enkel zijn
gitaar als begeleiding op aanvaardbaar niveau
Franse chansons en populaire deuntjes promoot. De
man geniet enige bijval bij het oudere publiek
met een selectie ’chansons Françaises très
agréables’. Wie kent ze niet de oude hits
zoals ’Champs Elysées’,
‘Aline’, Pour Un Flirt’,
‘La Maladie d’Amour’, aangevuld
met (kas)krakers van Becaud en onze eigenste
Adamo. Kortom, goed voor een halfuurtje,
euh… ’schoon vertier’.
De avond wordt wel met een bijzondere muzikale
gast afgesloten. José Feliciano passeert niet
elke dag in onze contreien. De man bouwde sinds
de jaren zestig een indrukwekkende internationale
carrière uit. José ziet het levenslicht, in
september 1945 in Lares, Puerto Rico. Zelfs dat
wordt hem niet tenvolle gegund, hij wordt immers
met een aangeboren afwijking (glaucoom) geboren
en blijkt blind bij geboorte. Als het gezin in
1950 naar het Spanish Harlem district van New
York City verhuist, begint de jonge José zich toe
te leggen op muziek. Eerst op accordeon daarna
volgt de gitaar. Zijn eerste concert geeft hij in
de Bronx op 9-jarige leeftijd. Als teenager
frequenteert hij het circuit van de koffiehuizen
in Greenwich Village, waar hij de stiel met
vallen en opstaan leert. In 1962 zegt hij de
schoolbanken voorgoed vaarwel voor een vast
clubcontract in Detroit. Twee jaar later neemt
hij zijn eerste single ‘Everybody Do The
Click’ op en staat op het podium van het
Newport Jazzfestival. Het platendebuut ‘The
Voice And Guitar Of José Feliciano’ wordt
nog gedomineerd door flamenco. Na enkele
uitsluitend Spaanstalige albums gooit hij het het
roer om met enkele albums vol smaakvolle covers
van ondermeer Bob Dylan, en The Beatles. Na het
jazzy ‘Fantastic Feliciano’ volgt in
1968 de definitieve doorbraak met de
melancholische, soulvolle uitvoering van
‘Light My Fire’. Deze Doorsklassieker
slaat bijzonder goed aan in de door mainstreampop
overspoelde hitparade. Later volgen nog hits
zoals het zelfgeschreven ‘Rain’ en
‘No Dogs Allowed’, een reactie op de
weigering van de autoriteiten van zijn
blindengeleidehond op Britse bodem. Daarna wordt
het wat stiller, maar Feliciano blijft actief in
de Spaanstalige muziekwereld. De man is
ondertussen al even de zestig gepasseerd, maar
oogt nog uiterst vitaal, zo bleek vrijdagavond.
Eens op het barkrukje geïnstalleerd deponeert
Feliciano meteen een gloedvolle versie van
‘Chico’, bekend van de gelijknamige
tv-serie ‘Chico & The Man’. Het
van zijn recentste werkstuk ‘ The Soundtrax
Of My Life’ geplukte ‘She’s In
My Blood’ loopt naadloos over in Latijnse
ritmes waaruit de Michael Jackson’s
‘Billy Jean’ opduikt. Slechts
sporadisch komt het Spaanstalige repertoire aan
bod. ‘Rain’ kabbelt rustig verder
gevolgd door een verbluffende prestatie
fingerpicking. Feliciano is een veelzijdig
artiest en de vijfkoppige begeleidingsband gaat
even voluit in het ‘elektrische’ deel
van de show.
Met zijn transparante gitaar overtuigt José in
Dylans ‘Knockin’ On Heaven’s
Door’, en het schrijnende bluesepos
‘The Thrill Is Gone’ van B.B. King.
Maar het is vooral de uitgesponnen ode aan dat
andere Latijns-Amerikaanse snarenfenomeen Carlos
Santana, met een glansrol voor het
percussionistenduo dat echt imponeert.
‘Soul Sacrifice’, het bekende
Woodstock–nummer van Santana geeft de
gelegenheid voor het muzikale gezelschap om
uitgebreid los te gaan. Het publiek volgt en de
kasseien van de Grote Markt lijken even te dansen
op het zwoele ritme. In de outtro wordt tussen
flarden ‘Jingo’ een bassolo verwerkt.
Daarna krijgen we nog een akoestisch intermezzo
voorgeschoteld met ondermeer ‘Classical
Gas’ en Big Boy Crudup’s
‘That’s Allright Mama’, waarmee
ene Elvis destijds scoorde. Het fraaie tweeluikje
uit de sixties kan ons meer bekoren.
‘California Dreamin’’, fraai
verweven met het ontroerende ’Light My
Fire’, is de ultieme afsluiter van een niet
onaardig concert. Daarna volgt voor de nostalgen
nog een plichtgetrouwe uitvoering van ‘Ché
Sara' en mag José zich nog eens uitleven op de
batterij percussie-instrumenten tijdens het van
Ray Charles geleende ‘What I’d
Say’.
José Feliciano blijft anno 2007 een muzikant die
naam méér dan waardig, dat werd met dit
voortreffelijke én exclusieve concert nog eens
ondubbelzinnig geïllustreerd.
Cis Van Looy
Foto’s: © Alfons Maes
PAUL RODGERS
PAUL RODGERS
Zaterdag
19 mei 2007 • The Club (The Cannery Hotel
& Resort) Las Vegas
![]()
Als u in
het buitenland op reis bent en u kunt dan nog een
concertje meepikken van een van uw grote idolen,
kan uw verlof niet meer stuk. Dit is wat ik
meegemaakt hebt want net voor mijn verlof vroeg
ik twee guesttickets aan en die heb ik ook
gekregen.
The Cannery is een vrij jong hotel gelegen aan de
uiterst noorderlijke rand van Las Vegas, dus geen
Striphotel.
The Club is een vrij grote zaal die deels
overdekt, deels openlucht was want in Las Vegas
is het nu eenmaal uitstekend weer, ook ‘s
avonds.
Naar dit concert had ik reeds lang uitgekeken en
binnen de kortste tijd waren alle stoelen bezet.
Waarom ik dit zeg leest u straks wel.
Voor dit
concert kon Paul rekenen op enkele briljante
muzikanten waaronder Howard Leese (gitaar en
ex-Heart), Lynn Sorensen (bas) en Jeff Kathan
(drums en ex-Mark Farner en Montrose). Natuurlijk
nam Paul, zoals gewoonlijk, ook enkele
instrumenten voor zijn rekening gezien hij een
allround muzikant is.
Openen deed hij met het Bad Company nummer
Good
Lovin’, Goin’ Bad
en alsof
bij de eerste tonen van dit nummer een speciale
magie op het publiek neerkwam stond iedereen
plots recht en dat bleef zo voor de rest van het
concert. Dus alle stoelen waren zo goed als leeg.
Vreemde zaak wanneer men tickets met genummerde
plaatsen verkoopt.
Tussen de nummers in liet Paul niet veel tijd
verloren gaan en meteen klonken de eerste tonen
van Radio-Active
(The Firm)
uit de luidsprekers. Het publiek zong gretig mee
want achter mij klonken de woorden voordat Paul
ze alsnog kon zingen. U mag niet vergeten dat
Paul Rodgers in Amerika een grote ster is, iets
wat hij eigenlijk in zijn eigen land niet écht
was.
Howard
Leese, die goed de riffs van wijlen Paul Kossoff
(Free) kon naspelen was enkele jaren terug een
eerste keuze voor Paul en Howard liet meermaals
zijn kunnen horen. Scherpe solo’s kwamen op
het publiek af alsof Kossoff of Mick Ralphs (Bad
Company) ze zelf speelde.
Andere
nummers waarop we getrakteerd werden waren
natuurlijk allemaal songs uit zijn roemrijke
verleden waaronder Bad
C°, Feels
Like Makin’ Love, het
prachtige Wishing
Well,
Can’t
Get Enough Of Your Love enz…
Maar toen Paul het laatste nummer aankondigde en
het podium verliet, brak eigenlijk het échte
concert aan. Na zijn eerste bisnummer
All
Right Now, wat
eigenlijk voor de hand lang, werd de band nog
driemaal teruggeroepen maar bij een Paul Rodgers
concert is dan geen rariteit maar veleer een
standaardformule. De man weet hoe hij zijn
publiek moet verwennen. Als allerlaatste nummer
bracht Paul solo het wondermooie
Seagull
en daarmee
werd het prachtige concert finaal beëindigd.
Een
Paul Rodgers concert zult u niet snel vergeten
omdat dat een elektrisch geladen belevenis is,
een stroomstoot waar u niet aan kunt ontsnappen
en die u regelrecht in het hart treft. Gelukkig
maar en hopelijk doet Paul dit concert nog eens
over binnen enkele maanden op het Nederlands
Bospop.
Dit is genieten van de eerste tot de laatste noot
en zeker wanneer een man dat brengt die al meer
dan veertig jaar meedraait en toch nog geen sleet
op zijn stembanden heeft.
Paul ziet er dan ook nog niet zo oud uit.
Als buitenlands fotograaf komt u daar niet aan de
slag. Deze gelegenheid is exclusief weggelegd
voor de persoonlijke fotograaf van de muzikant en
voor de lokale krant en/of de organisator.
Spijtig maar het is nu eenmaal zo.
Alfons Maes
DE PRE HISTORIE IN CONCERT
DE PRE HISTORIE IN CONCERT
Zaterdag
10 maart 2007 • Ethias Arena Hasselt
![]()
John Watts (ex-Fischer-Z) en Marc Almond (Ex-Soft
Cell) nemen de rest van de cast op
sleeptouw…
Op 10 maart presenteerden Lion Productions en
Radio 2, wat misschien het voorsmaakje was van
een lange reeks sequels, een reisje doorheen de
nostalgie van de hedendaagse rockgeschiedenis.
Alhoewel de sterren meer dan twintig jaar geleden
bekend werden, zijn ze nog actief want ze maken
nog steeds nieuwe platen. Maar ook op het podium
zijn sommige nog steeds een act om u tegen te
zetten.
De avond ging van start met Jimmy Sommerville die
nog steeds niets van zijn overbekende danspasjes
is verleerd. De man heeft nog steeds die swing
die anderen ook aanzet tot dansen, maar ook zijn
vocale artisticiteit mocht er nog best wezen. Met
Small Town Boy sloegen de eerste vonken reeds
over op het publiek maar het was met You Make Me
Feel (Mighty Real) en natuurlijk Don’t
Leave Me This Way dat het publiek al rechtop
veerde. Maar zou dat zo blijven met de volgende
act?
The Stranglers hadden alle moeite van de wereld
om de spanning die Jimmy had gecreëerd aan te
houden. Met hun Golden Brown sloeg dit aan, doch
Skin Deep kreeg niet die verwachtte respons. Maar
de heren speelden het slim en eindigden hun set
met de Kinks-cover You Really Got Me wat dus wél
zorgde voor een verhoging van temperatuur in de
reeds zeer warme Ethias Arena.
Een man waar ik naar uitkeek (en lees ook het
artikel van onze medewerker Eddy op Keys &
Chords website) was de vroegere frontman van
Fischer-Z, een band die het in eigen land nooit
heeft gemaakt maar razendpopulair was in België.
Dat John nog steeds een voorliefde voor ons
landje heeft is een feit en de man bewees met
drie nummers dat hij de sterkste act van de avond
ging worden. Wie kon de heerlijke nummers van
Fischer-Z, So Long, The Worker en Marliese niet
uit volle borst meezingen? Watts weet wat zijn
publiek wil en dat gaf hij tenvolle : een stuk
vakmanschap dat niets aan tijd heeft ingeboet.
Groot showman, die Watts.
Niet aangekondigd waar wel uitvoerig besproken op
de zaterdagnamiddagprogramma’s van Radio 2
was het optreden van Guy Swinnen, de voormalige
zanger van The Scabs, die door Guy De Pré
omschreven werden als de ‘Vlaamse
Stones’. Ja, zeg, nu mag je naam Guy De Pré
zijn, maar zo’n vergelijking gaat niet op
hoor.
Toch liet Swinnen horen dat hij zijn Scabs-jaren
nog niet ontgroeid was en met Hard Times en
Don’t You Know kregen de échte Scabs-fan
nog wat nostalgie te verwerken. Zeker niet
slecht, na al die jaren.
Met Dr. Hook, de afsluiter van het eerste deel,
kregen we weer wat informatie over zanger Ray
Sawyer en zijn ooglapje. De man ziet dus nog maar
uit een oog maar hij is ook volledig doof aan één
kant. Of dat een hinderpaal was, neen, hoor, Dr.
Hook trok alle registers open maar moesten af en
toe vocaal ingrijpen om de tekortkomingen van de
oude Ray wat bij te trekken. Maar het geheel was
zeker niet slecht en When You’re In Love
With A Beautiful Woman, Sylvia’s Mother,
Cover Of The Rolling Stone, en Baby Makes Her
Blue Jeans Talk waren nummers die het publiek
niet koud liet. Een staande ovatie, dat wel, maar
daarom niet beter, maar wel bekender, dan John
Watts.
Na de pauze kregen we een deel dat dankzij Marc
Almond nog een beetje respect kon afdwingen.
Paul Young en The Machines hadden beter niet op
deze affiche gestaan.
Almond, nog steeds in zijn outlook uit de jaren
tachtig was nog goed bij stem en ook hij liet ons
nog eens proeven van zijn gekende danspasjes.
Torch was de aanzet, zeg maar warmloper, maar met
Something’s Gotten Hold Of My Heart (alleen
Gene Pitney ontbrak hier) kreeg Marc meteen het
publiek op zijn hand. Hier en daar een traan
wegpinkend publiek en dan meteen uitpakken met
zijn monsterhit Tainted Love en het publiek kon
niet meer blijven stilzitten.
Dan de tweede Belgische act. Wie The Machines
niet (meer) kent heeft met dit optreden niets
moeten missen en eerlijk gezegd vond ik dat Paul
De Spiegelaere beter zou kunnen stoppen met dit
soort van optredens. Net hetzelfde onderging The
Wallace Collection vorig jaar op The Golden Years
in Antwerpen: de overbruggingsfase was te lang.
Hij mag dan een voortreffelijk producent zijn,
maar daar blijft het dan ook bij. Van écht zingen
was hier geen sprake meer en de teksten van
Don’t Be Cruel en I See The Lies moest hij
aflezen van een blad. Van professionaliteit
gesproken. Dan had ik liever een Irish Coffee op
deze affiche gezien.
Paul Young, de lieveling van de dames maar
kennelijk nu met een gezicht dat sterke tekenen
vertoonde van diverse facelifts kreeg ook nog
aandacht maar alleen van de dames. Cadeau’s
en bloemen werden hem overhandigd maar ook enkele
bustehouders belandden op het podium. Gaat hij de
weg op van Tom Jones die nog steeds slipjes
krijgt bij zijn optredens in Las Vegas? De man
had alle moeite van de wereld om zijn songs in
goede toonmaat te kunnen zingen, hij probeerde
maar... Ja Paul, ook voor jou staat de tijd niet
stil. Beter stoppen in schoonheid dan…
Tear Your Playhouse Down, Everytime You Go Away
en Come Back And Stay waren inderdaad grote hits
voor Paul maar laat die laatste niet bewaarheid
worden aub.
Top of the Bill was (helaas) Hot Chocolate of wat
er nog van overbleef. Hun huidige zanger, een man
die door de overige bandleden ontdekt werd via
een playback en/of soundmixshow nadat Errol Brown
er de brui aan gaf, probeert zijn zielsgenoot al
reeds meer dan vijftien jaar te imiteren maar
zo’n man valt gewoonweg niet te kopiëren.
Hoe dan ook, mijn aandacht ging snel verloren
door deze houding want de muziek van deze band
kon mij niet (niet) meer bekoren. Met Emma, You
Sexy Thing, So You Win Again, Girl Crazy en It
Started With A Kiss nam ik afscheid van een avond
waar ik gemengde gevoelens aan overhield.
Als huisorkest een voortreffelijke en
schitterende De Laatste Showband die de
solo-artiesten écht op een professionele manier
begeleidden. Doch wel zonder een Jan Hautekiet en
Patrick Riguelle… We hebben toch nog
klassemuzikenten in huis hoor.
Wat de organisatie betreft moet ik zeggen dat het
allemaal puik geregeld was. De fotografen konden
hun hartje ophalen want hier waren géén
beperkingen opgelegd. Ook geen dronken, dansende
VIP-personen die steeds in de weg liepen…
Of hier nog nieuwe edities van komen, weet ik
niet maar we hopen van wel. Dankzij een sterke
John Watts, een swingende Jimmy Sommerville en
Marc Almond, die alle zitjes even een rustpauze
toekende, was dit een zeer geslaagde avond. We
want more…
Alfons Maes + © Foto’s
BELGIAN ROOTS NIGHT 12
BELGIAN ROOTS NIGHT 12
Vrijdag
20 april 2007 • Hof Ter Lo Antwerpen
![]()
Dit indoor festival, dat zo’n zeven jaar
geleden zijn eerste editie beleefde, loopt de
laatste tijd wel erg hard. Oorspronkelijk was het
een jaarlijks evenement maar de laatste jaren
verhoogde de frequentie naar twee, zelfs drie.
Niet echt verwonderlijk, de formule met een
gevestigde waarde als hoofdact aangevuld met vaak
evenwaardig jonger binnenlands talent blijft
werken. In het verleden zagen we naast The
Fabulous Thunderbirds, ook Jason Ringenberger en
Wanda Jackson voortreffelijk begeleid door de
onvolprezen Seatsniffers.
De benaming roots opent uiteraard perspectieven
voor een breder muzikaal aanbod, Dick Dale, Lee
Rocker… De wisselwerking tussen oude
rotten en jong talent leverde in het verleden al
haast even fraaie concertjes op dan de kleurige
vintage-layout van de affiches.
Vrijdag prijkten The Electric Kings op die
affiche. Niet onterecht, dit Antwerpse combo
blijkt na al die jaren nog de vaandeldrager van
de Belgische blues en oogstte succes tot ver
buiten de landsgrenzen. De respectievelijke leden
speelden ondertussen bij en met al wat naam heeft
in de blueswereld. In ’95 kwam de doorbraak
met Not For Sale. Twee jaar later bevestigde
Electronic de intrinsieke klasse. Daarna werd het
combo enkele jaren op non-actief gezet wegens een
te drukke agenda. Een reünieconcert op aanvraag
op Peer 2005 resulteerde in een dampende
liveregistratie. Vorig jaar was er een korte
Amerikaanse tour en een optreden in de schaduw
van Brabo op de laatste editie, althans in
openlucht, van het R&B festival. Vrijdag
stonden de Kings opnieuw voor hun eigen kritisch
-lees Antwerps- publiek. Het werd dus een avond
met hoofdzakelijk muzikanten uit de plaatselijke
scène. Hoe verscheiden en eigenzinnig het
respectievelijk repertoire, de constante was een
sterke frontman die naam waardig.
-
MARC 'T' THIJS (Electric Kings)
-
Dat is ook zo bij onze Noorderburen Cuban Heels.
Het hechte team trapte het festival in de nog
lege zaal zaal op gang met een welgemikt
Gutbucket, de trashy titelsong van hun recentste
en alom bejubelde werkstuk.
Jan Hidding en kompanen weten ondertussen hoe je
een zaal aan de kook moet brengen. Met hun
rafelige garageblues, ondersteund door de
broeierige rauwe harmonica en gruizelig
snarenspel, beukten ze er op los. “You Set
My Soul On Fire” zong Hidding in een strak
rockend You Know How. De gloedvolle zang
vertoonde onmiskenbare gelijkenissen met Paul
Rodgers ten tijde van Free. Ook meer bluesgetint
werk zoals Going Over The Hill en het op dezelfde
leest geschoeide van Fred McDowell geleende en
van The Stones bekende You’ve Got To Move
overtuigden. Toch bleek deze, weliswaar sterke
set, nog maar een voorproefje. Nog even vermelden
dat Rico Gerfen die avond voortreffelijk werd
vervangen door Mischa den Haring van T99.
Durango leverde zo’n vier jaar geleden met
Shipwreck Party een spraakmakend debuut af vol
duistere, vaak experimenteel getinte blues. De
opvolger was iets minder spectaculair en
avontuurlijk. Slechts sporadisch kon je een
concert van de groep meepikken. Het werd even
angstvallig stil rond het kwartet. In de luwte
werd echter hard gewerkt aan een vernieuwd
repertoire. Vrijdagavond werd alvast een tipje
van de sluier gelicht. Fred ‘Mambo’
Verhaegen opende met een solospotje. Vanaf de
barkruk debiteerde hij Freight Train, een slome
swaprocker zoals we die kennen van ene Tony Joe
White. Lang bleef Fred niet op zijn stoeltje
zitten als de groep op het podium klom. Het
fraaie Turn Back Time dreef op een onderhuidse
bijna tastbare spanning. Maar toen Fred zijn
jasje losknoopte en gulzige harpscheuten in de
zaal slingerde terwijl hij zijn lange slangenlijf
in alle mogelijke en onmogelijke bochten wrong,
ging de zaal volledig plat.
Het tergend slepend Japanese Train blijft een
belevenis en vormde samen met Wishing Well en
Running Man een sterk drieluik. In dat laatste
nummer pootte de ritmesectie, onlangs versterkt
met klassedrummer Maxine Lenssens, inventieve
structuren neer. De totale ontlading volgde in
het magistrale White Nights en het dorstige
publiek trok na deze uitputtende set naar de
foyer.
Daar onderhield Bjorn ‘Wolf’ Eriksson
ons met zijn project Big Maxon Blitzegga. Een
eigengereide cross-over van blues, country en
elektronische pop. Met een glansrol voor de
trompettist in het experimentele klanktapijt
verwerkte de voormalige Zita Swoon gitarist
vernuftig een streepje Americana en zelfs
ragtime.
-
LUKE ALEXANDER (Electric Kings)
-
In de ondertussen behoorlijk gevulde zaal toonden
The Electric Kings nog eens ondubbelzinnig aan
dat ze hun koninklijke naam niet gestolen hebben.
“We gonna play some Muddy Waters for
you” vertrouwde Big Dave de hondstrouwe
aanhang toe. Bij een andere bluesgroep zou ik
even de wenkbrauwen fronsen, maar de Kings
verstaan de kunst om zelfs platgespeelde
klassiekers te reanimeren met hun instinctieve
aparte benadering. De soepele swing moest plaats
ruimen voor strakke funk. Zo duurde het even eer
ik doorhad dat ik Scratch My Back, of was het
toch een ander nummer, hoorde. Een
tegenpruttelende versterker gooide even roet in
het eten maar eens dit euvel verholpen,
schitterde de gitaartandem als vanouds. De achter
een zonnebril verscholen gitarist Mark Tee
hanteerde bijzonder kwistig het wahwah-pedaal
terwijl Luke Alexander antwoordde met
vlijmscherpe ritmische soli.
Een perfect team evenals de oerdegelijke
ritmesectie die de hitsige dansfunk in goede
banen leidde. Ondertussen ontpopte Dave zich als
een volleerd volksmenner met zijn voortreffelijke
zang- en harpspel in de vaak slopende jams zoals
in het pregnante Howlin’ Wolf’s
Commit A Crime. Een onweerstaanbare Bo
Diddley-beat herinnerde er terloops aan dat de
legendarische gitaarslinger binnenkort (4 mei) op
hetzelfde podium staat. Indringende blues zoals
je die zelden van blanke groepen hoort. Wie dacht
dat de Electric Kings een eindpunt bereikt
hadden, dient zijn mening alsnog bij te stellen.
Met deze fikse soulfunk-injectie kan het
illustere gezelschap weer voor een tijdje verder.
Al was niet iedereen dezelfde mening toegedaan.
Cis Van Looy
Foto’s: Alfons Maes ©
(GE)VARENWINKEL BLUES & ROOTS FESTIVAL 2007
(GE)VARENWINKEL BLUES & ROOTS FESTIVAL 2007
24
– 25 – 26 augustus 2007 • 10é
Editie • Varenwinkel
![]()
Dat ook dit festival zich gelukkig mocht prijzen,
bleek reeds op de openingsavond waar The
Catsmokes, een Belgische band, onder een
gezellige en warme zon het festival mochten
ontkurken. Dat The Catsmokes reeds kunnen bogen
op een verdienstelijke carrière, daar getuigt hun
persoonlijke bio van. En als je dan een Robert
Theys (Vulgus, ooit nog op het podium van Jazz
Bilzen naast Deep Purple e.a.) en een Jan
Vermeulen (Kathleen Vandenhoudt) in je gelederen
hebt, weet je dat je muziek krijgt van een band
die garant staat voor sterke imponerende rock
‘n’ roll . En dat kregen we ook van
dit viertal. Rock ‘n’ Roll van
Belgische bodem om U tegen te zeggen.
Dan kon ook gezegd worden van The 5 O’
Clock Shadow maar daar lag het accent meer op de
gitaar van Kris ‘Kirri’ Valvekens en
meteen mocht Jan Vermeulen zijn tweede set
spelen. Als je de naam Kirri hoort, weet je ook
meteen dat de band lokaal is en dat Kris en Jan
in een vorig leven bij The Moose zaten. Ongewild
liet Kirri en zijn kornuiten mij terugdenken aan
de beroemde Kooper/Bloomfield/Stills-sessies
zonder hier echter een vergelijking met deze
grootheden te maken. Maar toch vond ik dat er
duidelijk sporen aanwezig waren van deze muziek.
Gelukkig voor de liefhebber van deze knappe
bluesmuziek. Maar Kirri moet toch eens leren om
enkele seconden stil te blijven staan zodat de
fotografen ook hun werk kunnen doen.
Chilly Willy, en vraag mij aub niet om hun
volledige naam hier te melden, was de volgende
act in lijn en alsof het niet op kon werden we
weer getrakteerd op een uurtje supercoole muziek
van een band die al enkele jaartjes circuleert in
de bluessien. Wim, nog steeds een frontman met
ontzettend veel charisma, wist in een mum van
tijd de tent op zijn hand te krijgen. En of ze nu
‘Bo Diddley’, ‘Little
Girl’ of ‘Checkin’ Up With My
Baby’ speelden, alle nummers waren een
streling voor het oor. Dat Wim daarbij ook nog
voor de nodige visuele show zorgde kon je
vergelijken met de nodige kers op een taart.
Gewoonweg schitterend...
Als afsluiter op vrijdag, een dag die toch kon
rekenen op betrekkelijk véél publiek (ik had de
indruk dat er op zaterdag én zondag niet zoveel
bezoekers waren...) had Bruno gekozen voor een
internationaal gezelschap, de Fred Starks Band.
Een Amerikaan die o.a. met Ike Turner, Rufus
Thomas, Vaya Con Dias en onze eigen Arno toerde
en speelde hoeft eigenlijk geen introductie meer.
Maar zijn bijdrage aan dit festival was
onvervalste soulmuziek uit de sixties. Als je na
een denderende Chilly Willy nog de kop wil
opsteken, moet je inderdaad met een bijzondere
playlist op te proppen komen. En zo werden we
meteen ondergedompeld in de sound van Otis
Redding (Dock Of The Bay), Wilson Pickett
(Mustang Sally) en ga zo maar het rijtje af. Dat
het publiek dit wist te smaken werd meteen
duidelijk gemaakt met de nodige danspasjes. Maar
er zat een addertje onder het festivalgras. Bij
momenten deed Starks wel vreemd: hij zong en
drumde maar die twee acties vloeiden niet altijd
even vlot in elkaar. Pure onvervalste Staxmuziek
gepresenteerd live op een podium in 2007. Je moet
het maar durven.
Conclusie, Varenwinkel pakte uit met een zéér
sterke vrijdag. Nu kijken wat zaterdag ons zal
brengen.
Op zaterdag waren de eerste hemelaanblikken
vreselijk om te aanschouwen. Ging men weer, net
als op enkele andere edities, af te rekenen
krijgen met lekkende hemelsluizen... gelukkig
bleef het maar bij wat dreigende wolken en kon
Jeremy & The Groovebreakers de zaterdag
inzetten. Voor mij een eerste ontmoeting met deze
kerels en ik was onder de indruk van het
gitaarspel van deze jonge snaak. Dat de
gitaarslinger van Jimi Hendrix en Stevie Ray
Vaughan houdt, steekt hij niet onder stoelen of
banken. We kregen een sterke set met knap
gitaarwerk. Mogen we hem vergelijken met ene Eric
Steckel. Ja, ik dacht van wel gezien hun leeftijd
niet ver uit elkaar ligt en beiden weten wat ze
allemaal uit hun zes snaren kunnen toveren. Dat
deze band groeipotentieel heeft én internationaal
kan doorbreken staat als een paal boven water.
Uiteraard liet Jeremy ons proeven van zijn versie
van ‘Voodoo Chile’, een nummer van
grootmeester Jimi. Een minpunt van Jeremy is zijn
stem: hij heeft niet echt een leuke stem om te
zingen, vond ik, maar misschien zal dit beteren
wanneer hij echt de baard in de keel krijgt.
The Rhythm Bombs, ook een naam die je de laatste
maanden op zowat iedere affiche ziet prijken
mochten na hun Nederlandse collega’s de
bühne bezetten. Ook hier op Varenwinkel zetten
zij weer een sterke set neer. De meeste nummers
die ze brachten hadden we al gehoord op vorige
festivals maar ondanks deze herhaling blijven ze
sterk uit de hoek komen.
Lightnin’ Willie (Hermes) groeide op in het
diepe Texas en dat hoor je aan zijn muziek. Wat
hij presenteert is een allegaartje van diverse
muzikale stijlen en wat hem betreft maakt het
allemaal niet veel uit hoe die stijlen genoemd
worden. Voor zolang zijn muziek maar voeling
heeft met de traditionele Americana stroming...
En dat was ook hier in Varenwinkel zo. Lekkere
Texmex, een beetje rockabilly gemengd met een
stevige portie blues en ja hoor, we mogen zeggen
dat de act van deze cowboy meer dan geslaagd was.
Ook bassist Fergie Fulton, inclusief zonnebril,
wist met zijn performantie een visuele meerwaarde
te geven aan de show. ‘Met ‘I
Couldn’t Do Nothing’ en
‘Walking Man’ kregen de meeste
bezoekers toch waar voor hun geld.
Uit een ander hout gesneden was Sugar Blue want
hij wordt ook weleens de Jimi Hendrix en/of
Charlie Parker op de mondharmonica genoemd. Of
hij die naam eer aan deed, ja hoor, want de tent
leek helemaal klaar voor zijn stomende act. Na
enkele solonummers van de band kwam de man op het
podium en zorgde meteen dat de temperatuur enkele
graden de hoogte inschoot. Het nummer waar het
publiek de meeste aandacht voor had was de Muddy
Waters cover ‘Hoochie Coochie Man’.
Inderdaad, de man wist hoe hij zijn
smoelenschuiver moest gebruiken. Zo goed zelfs
dat hij achteraf door Sharrie op haar set werd
geroepen om mee wat te ‘jammen’.
Sharrie Williams was de afsluiter op zaterdag.
Nog steeds een groot muzikaal talent en dit was
niet anders dan op deze editie. Maar omdat we
haar de laatste maanden al vrij vaak op een
Vlaams podium konden bewonderen hebben we van de
nood een deugd gemaakt. Diep in mijn innerlijke
krochten ging er een signaal op dat me
waarschuwde aan een leegte die moest gevuld
worden. Gelukkig was daar nog de friettent die
soelaas bracht.
Op zaterdag speelden in de zijtent Smokestack
Lightnin’ en voor de tweede keer The Pine
Box Boys. Deze gigs heb ik niet echt bijgewoond
maar wat de heren ook brachten, het publiek bleek
keer op keer onder de indruk. Is het dan toch zo,
want geruchten doen de ronde, dat de beste sfeer
van dit festival zich steeds in zijtent bevindt?
Of kwam het door Smokestack’s knappe
vertolking van Tony Joe White’s ‘Polk
Salad Annie’?
De eerste zondagblikken in de lucht voorspelden
wéér niets goed. Dreigende donderkoppen trokken
over de festivaltent en gelukkig zonder één
druppel te morsen. De zon was nu de sterkste
partij hier en in een mum van tijd had zij haar
warme, krachtige stralen, als een bewaarengel,
over de weide gespreid.
Last Call’s zanger Henk en Voodoo Boogie
Jan vormen samen het nieuw muzikale collectief
The John Henry Orchestra. Het is inderdaad een
heel orkest (wat je hoort) maar ze zijn maar met
hun tweetjes en presenteren een volle sound. Niet
gemakkelijk maar wat John en Henry hier deden was
muziek voorschotelen om van te snoepen.
Niet echt blues, alhoewel er hier en daar een
bluesy nummer door de microfoons klonk, brachten
ze er echt de sfeer in toen ze enkele
rockklassiekers van Creedence Clearwater Revival
en Steve Miller Band op een alsmaar voor méér
verlangend publiek loslieten. Nog steeds kreeg
het aanwezige publiek er niet genoeg van en
eigenlijk werden ze ‘gedwongen’ om
nog enkele songs uit hun mouw te schudden…
wat ze ook prachtig deden.
Nog een man die de laatste maanden vrij vaak op
een Vlaams podium terug te vinden was is Danny
Bryant met zijn RedEye Band. Slechts met zijn
drieën presenteert Danny steeds een mooi
klankpalet waarbij hij put uit eigen werk maar
ook nummers van andere muzikale talenten
serveert. Dat Walter Trout al een prachtige
versie maakte van Dylan’s ‘Girl Of
North County’ werd hier door Danny nog eens
over gedaan en vreemd genoeg hoorden we geen
Bryant maar wel een Walter Trout. Enkele van zijn
eigen, schitterende nummers die uit de
luidsprekers galmden waren ‘Steel In My
Hand’, ‘Always With Me’ e.a.
Wederom een feilloos optreden van Bryants RedEye
Band. Moeder Bryant stond weer in voor de verkoop
van zijn cd’s en T-shirts terwijl vaderlief
voor de nodige baslijnen op het podium zorgde.
Enrico Crivellaro is kind aan huis hier. Het was
dus niet zijn debuut op dit festival en ditmaal
had hij van zijn band een trio gemaakt. En wie
Raphael Wressning nog niet kent kon hier
kennismaken met een nieuw groot talent op de B3
Hammond. Hun set bestond voornamelijk uit
muzikale uitstapjes in een jazzy, én meer funky
dan blues getinte omgeving. Maar uiteraard bleef
het niet bij deze instrumentale nummers want
Matyas Pribojzski (vorig jaar hier nog op de
bühne met zijn band, inclusief korte haardos)
stond in voor de zang en smoelenschuiver. Na hun
set doken hier en daar wat geruchten op dat het
trio het ook best afkon zonder de inbreng van hun
Hongaarse zanger. Ikzelf was onder de indruk van
deze internationale band inclusief vocalist. Maar
nogmaals, gelukkig verschillen smaken. Enkele van
hun nummers waren ‘Beauty Queen’ en
‘Banana Boogaloo’. Niet slecht en
weer een nieuw bewijs (zie ook John Henry) dat we
het niet altijd in Engeland of in de States
moeten gaan zoeken.
Paul Oscher is dan weer een naam die je hier
zélden tegenkomt maar in zijn thuisland is hij
een grote naam. Veel visuele show was hier niet
te bemerken gezien de brave borst zijn set al
zittend deed. Had hij ook last van een
evenwichtstoornis? Ook hier nam ik de kans waar
om andere dingen te doen. Enkele nummers die ik
opgepikt heb waren ‘Driftin’
Blues’ en ‘Sail On’.
In de zijtent kregen we de heropstanding van de
Franse Bo Weavil en Stinky Lou & The Goon
Mat. Beau Weavil tapte voornamelijk uit hun
nieuwe cd en Stinky Lou... ach ja, zowat iedere
trouwe bluesfanaat kent hun repertoire nu wel uit
het hoofd.
En voor hen, waaronder ik mezelf mag rekenen,
begon het weekend zijn tol te eisen. De eerste,
echte vermoeidheidssignalen staken de kop op en
dan kun je eigenlijk nog maar een ding doen: gaan
rusten maar dat kon niet gezien er nog één leuke
band als zondagsafsluiter de revue moest
passeren.
Woman of Chicago oftewel Zora Young, Deitra Farr
en Grana Louise, nog drie echte Chicago
bluesvrouwen van het eerste uur. Zij werden
bijgestaan door een knappe band met aan de B3
natuurlijk weer een schitterende Raphael
Wressning.
Grana Louise mocht het publiek opwarmen voor haar
collega’s met ‘Bulldog’ en
‘You’re Lose A Good Thing’,
terwijl Deitra Farr ‘When They Really Love
You’ en ‘Bad Company’ samen met
Zora Young voor een schitterend einde van dit
festival zorgden. Van haar kregen we nog
‘Rock Me Baby’ en de B.B. King
klassieker ‘The Thrill Is Gone’.
Is er een mooiere song om dit festival, dat
kennelijk aan zijn ‘laatste’ editie
toe was, te besluiten? Inderdaad, ‘The
Trill’ was er voor sommige medewerkers
finaal uit en op het podium werd nog een woord
van dank geuit aan alle medewerkers die zich
tijdens deze tien jaar belangeloos hadden in
gezet om dit festival telkens te doen slagen.
Wat krijgen we volgend jaar? Bruno Verhoeven wou
hier nog geen details over kwijt maar één ding is
zeker: er zal muziek blijven klinken uit Herselt
en Aarschot, zij het in een wat andere vorm.
Ook alvast onze dank, beste Bruno, voor de tien
schitterende jaren dat we het festival hebben
mogen meemaken. Het was een zeer speciale
belevenis die je niet onder woorden kunt brengen.
Misschien dat de song ‘Five Long
Years’ nu beter ‘Ten Long
Years’ zou moeten genoemd worden...
Alfons Maes
© Foto’s: Alfons Maes
R&B FESTIVAL PEER
R&B FESTIVAL PEER
13-14-15
juli 2007 • Festivaltent Peer
![]()
Vooraanstaande weergoden op bezoek in Peer
!
Inderdaad, alsof de weergoden een all areapasje
hadden gekregen, kon Break-away zich geen beter
weekend permitteren. Het festival, dat nog steeds
verder door evolueert in die nieuwe richting, een
breder publiek aansprekend door ook niet
blues-gerelateerde acts zoals Arno, Garland
Jeffreys enz., op de affiche te plaatsen, had ook
dit jaar voor een zeer gevarieerd programma
gezorgd.
Maar de échte bluespuristen bleven in grote
getale weg omdat zij zich wederom op bepaalde
manier bekocht voelden. Maar kennelijk heeft dat
geen indruk gemaakt op de organisatie want een
opkomst van om en nabij de 20.000 bezoekers is
niet niks, en zeker niet op een dag dat de
bezoekers een equivalent werden van wat de
hamburger-en worstentent aan te bieden had.
Maar er was ook muziek, en op vrijdag waren dat
reeds enkele voltreffers van formaat.
Een serieuze greep uit het Vlaamse aandeel
bluesperformers moest niet zorgen voor een
oververhitte tent, (daar had de zon overdag al
voor gezorgd), maar The Baboons mochten openen en
dit slechts voor een handjevol bezoekers.
Een fenomeen de laatste jaren is dat haast iedere
bezoeker een ‘stoeltje’ meebrengt.
Menig bezoeker zocht zijn ‘plaatsje’
voor het weekend op de tonen van
‘Messin’ With The Kid’ en de
kids van Turnhout bedachten de ouderen onder ons
met ‘Green River’ van CCR. Is dit
festival dan toch aan ’t groeien naar een
eentje in de richting van Rimpelrock? Hoe dan
ook, beide festivals zijn zéér gezellige muzikale
happenings en daar kun je niet omheen.
Uit Antwerpen zakten de Belbouchos af. Zij pakten
het publiek in met hun smakelijke covers van
‘Wait On Time, waarmee de fabulous
Thunderbirds destijds nog scoorden maar als snel
kregen we ook wat jazzy tunes te verwerken via
een klassieker van Duke Ellington,
‘Caravan’.
Bass Papa, of laat ons het maar noemen het
antwoord op Blunk, die vorig jaar in Peer nog
schitterden.
Mario Pesic, in een ander leven nog muzikant bij
Camden en Axl Peleman, heeft dit nieuwe muzikale
collectief leven ingeblazen. Vorige maand nog in
Rijkevorsel (De Singer) en nu op het podium van
een internationaal bluesfestival. Buiten Pesic
zitten ook nog Jan Meyers, verantwoordelijk voor
de baslijnen bij Blue Blot, en drummer Steve
Wouters (Last Call) in deze bezetting. En ook
deze band kon het niet laten om een dame als
leading lady te introduceren. Met een naam als
Larry creëer je vragen bij het publiek. Hoe Larry
ook haar best deed, ze kon niet echt het publiek
helemaal overtuigen van haar
‘talenten’. Met nummers als
‘Baby I Love You’, even geleend van
‘soullady number one’ Aretha
Franklin, en andere lovenswaardige nummers ging
het de verkeerde kant uit. Gelukkig was er daar
nog een Mario Pesic die ons wederom verraste met
een knap opgebouwd ‘If You Go’. Mario
zou Mario niet zijn moest hij wéér niet de
reddende engel zijn. Maar de oren van de
toeschouwers moesten er bij Bass Papa wel aan
geloven. De klank van de bas was zo slecht
afgesteld dat een permanent gebrom door de
luidsprekers galmde.
Het deksel op het vrijdagse potje waren The Juke
Joints. Zoals steeds diezelfde act en niets
vernieuwend. Ik heb nooit enige affiniteit met
deze band gehad maar gelukkig is dat een
persoonlijke kwestie. Als je houdt van
haringrootsmuziek, zit je met de Juke Joints
goed. Misschien ooit begonnen als een Kwadendams
balorkest en helaas zijn ze, volgens mij toch,
deze periode (nog) niet ontgroeid.
ARNO
Zaterdag was de temperatuur toegenomen maar voor
de Rhythm Bombs was dat geen obstakel, zeker niet
voor hun zanger Wouter Celis, want hoe warmer het
werd, hij dacht er niet aan om iets aan zijn
kledij te herschikken. Van discipline gesproken!
Enkele jaren geleden, in 2002 om precies te zijn,
besloten deze jongens de vrijdagavond en dat
deden ze op een knallende manier. Wederom een mix
van swing, jump en blues en dat leidde alleen
maar tot een climax in de tent.
Waarom men deze Bob Zabor, of beter gekend als
het éénmansorkest Jawbone, op de affiche
plaatste, God mag het weten maar de man was meer
met het afstellen van zijn instrumenten bezig dan
dat bij nummers bracht. Kennelijk zijn er nog
veel muzikanten (!?) die denken dat ze zomaar in
de huid van een Don Partridge kunnen kruipen. En
de ouwe hippies van weleer weten wie ik bedoel.
Nog zo’n kerel die denkt dat hij een kloon
is van één van de vele doordeweekse
gitaarslingers van het moment is deze Britse
Scott McKeon. Van één ding kunnen we hem niet
beschuldigen: er zit nog leven in deze jongen als
was het soms maar zeer zijdelings waar te nemen.
Dat verschil heeft hij met zijn geestesgenoot
Eric Steckel. Maar hij kon wel zingen én
gitaarspelen. De nummers die we gepresenteerd
kregen kwamen voornamelijk van zijn cd
‘Can’t Take No More’. Toch wist
hij het respect van de tent af te dwingen en dat
zette zich om in een denderend applaus.
Gelukkig voor het publiek was de volgende act The
Mofo Party Band. De gebroeders John (zang,
harmonica) en Bill Clifton (gitaar), bijgestaan
door hun bluesbroeders Cobra Finney (bas) en
Daniel Burt op de ketels wisten toch voor de
nodige ambiance te zorgen. Inderdaad, met deze
kerels is het steeds party time en ook hier in
Peer moesten ze daar aan geloven. Stevige West
Coast jump, gemengd met wat ingrediënten Chicago
blues, dat was de schotel die ons allemaal wel
smaakte en ook het zittend publiek want voor het
eerst veerden de oudjes recht uit hun stoeltje...
Een buitenbeentje dit jaar was Amar Sundy.
Algerijn van afkomst maar tegenwoordig residerend
in Parijs. Hij heeft er ook al een hele carrière
opzitten want in een recent verleden toerde hij
als vaste begeleider van Jimmy Johnson, Otish
Rush en Sunnyland Slim. Als dat geen referenties
zijn... Maar je moet wel van dit soort blues
houden: stevige gitaarblues, zéér westers maar de
ritmes vertonen wel wat fragmenten van zijn
thuisfront. Sommigen vinden deze man niets,
anderen prijzen hem de hemel in. Ik hou het hier
wel op een aangename kennismaking maar met
goesting naar meer.
Dan de man die we de zondag daarvoor al in
Zottegem aan ’t werk zagen, Garland
Jeffreys. (foto boven)
Al vanaf zijn eerste nummer kon hij niet op het
podium blijven en verdween weer even tussen het
publiek.
De kenners weten dat Jeffreys (63) vroeger reeds
scoorde met nummers als ’96 Tears’,
‘Matador’, ‘Wild In The
Streets’ en ‘Hail Hail Rock
‘n’ Roll’. Tijdens Song City
vorige week kregen we hier al een voorsmaakje van
maar helaas was het Peerse publiek niet klaar
voor de stomende performantie van deze kleine
Newyorkse singer-songwriter. Hij werd omringd
door enkele uitstekende muzikanten. Mirko Banovic
(bas bij Arno), Yves Baibay (drums), Rudi
Genbrugge (keyboards) en de jonge Gentse gitarist
Bruno Fevery brachten het er beter vanaf dan de
Clouseau-muzikanten een week daarvoor. Ook nu
kregen we deze hits, die wonderwel nog niets aan
kwaliteit en impact hebben ingeboet, op een
gouden bordje gepresenteerd.
Spijtig voor Garland maar de meer reggae-getinte
nummers hadden de échte bluesliefhebbers op
andere gedachten gezet.
Een
ware verademing was Mavis Staples . Iedereen was
het hier mee eens. Dit was de grote act op deze
editie. Zij is afkomstig uit een zeer muzikale
familie, denk maar aan The Staples Brothers en
hun handelsmerk is nog altijd de gospel
protestsong want wij, blanken, kunnen ons geen
beeld vormen van hoe het moet geweest zijn
tijdens de échte racistische jaren in het
Zuiderlijke Mississippi.
Aan de gitaar de getalenteerde Rick Holmstrom en
ritmetandem Jeff Turmes (bas) en Stephen Hodges
(drums) zorgden voor de nodige ritmes bij deze
explosieve mix van gospel en blues.
Maar nummers als ‘For What’s
Worth’ (Buffalo Springfield) en het immer
sentimentele ‘The Weight’ lieten het
kwik in de tent naar een ongekende hoogte
schieten. Met het ontroerende ‘Will The
Circle Be Unbroken’, kwam een einde aan een
set die véél te kort was.
Voor de échte bluesliefhebber was deze dag een
feit, ze hebben de warmte getrotseerd maar in het
kader van de vernieuwing kregen we nu onze
eigenste Arno.
Van meteen bij het begin liet Geoffrey Burton
horen welke bizarre klanken hij uit zijn gitaar
kon halen en vreemd genoeg ging het resterende
publiek (misschien allen Arno-fans van het eerste
uur) door de knieën. Zelden hebben we dit op een
festival van dit genre meegemaakt.
Burton, die zichzelf haast geen rustpauze tussen
twee nummers in gunde, en Arno die nog steeds als
een dertigjarige het podium bewerkte, werkten een
set af met nummers die natuurlijk nog tot onze
verbeelding spreken: ‘Hit The Night’,
‘Oh La Lala’ en ‘Putain
Putain’. Maar kennelijk had het publiek er
na negentig minuten nog niet genoeg van. Een hels
fluitconcert stak plots de kop op en hield aan
totdat Kathleen Vandenhoudt (presentatie) kwam
aankondigen dat het toch finaal afgelopen was.
Zondag beloofde qua muziek een hoogtepunt te
worden en alle beloftes werden ingelost. Vermits
de weergoden kennen op vrijdag en zaterdag
genoten hadden van de muziek op een in de zon
blakende wei, beloonden deze de toeschouwers met
wat extra graden. Alsof dat nodig was!
John Hiatt, Gov’t Mule, de North
Mississippi Allstars, Larry Garner, allemaal
namen die garant stonden voor een brok
onvervalste en melodieuze blues en rock.
De aftrap werd gedaan door de alweer schitterende
act van Howlin’ Bill die zich zeker niet
onderuit lieten halen door de intense warmte in
de tent.
Maar ook nu weer trok Little Chris het laken naar
zich toe met zijn knappe, virtuoze
gitaarsolo’s. Ja, dat Chris uit zijn gitaar
wondermooie riffs kan produceren, weten we al
langer dan vandaag.
MAVIS
STAPLES
En tegen deze klassenbakken moesten de Zweedse
Kingbees het afleggen. Gelukkig spelen deze
Zweden niet dezelfde muziek als Howlin’
Bill en konden daarom niet echt rekenen op een
grote respons van het publiek dat zich wederom in
zijn zitjes had laten zakken in afwachting van
het meer grotere geweld dat er in de vorm van
Johnny Mastro aankwam.
En inderdaad, van geweld gesproken, maar dan met
klasse, begonnen de Mama’s Boys aan een
stomende set. Dave Melton (gitaar) perste zowat
uit zijn gitaar wat er uit te persen viel en dat
werd gesmaakt door het publiek. Maar meneer
Johnny kwam met zijn intrigerend harmonicaspel de
tent helemaal op zijn kop zetten. Alsof dat nog
niet genoeg was kregen we een echte
Amerikaans/Belgische samenwerking tussen Mastro
en onze eigen Big Dave wat uitmondde in een
‘battle of the harmonica's. Dat deze band
enige affiniteit heeft met Peter Wolf van The J.
Geils Band was alom duidelijk te horen in sommige
van hun nummers.
De weg naar de andere, leuke sets werd op
sublieme manier door Johnny Mastro geplaveid...
Een man waar ik reeds lang naar uitkeek was Larry
Garner. Voor hem een eerste kennismaking met dit
festival maar eentje die hij niet snel zal
vergeten. De man vergastte ons op een
indrukwekkende set waarbij hij meermaals zijn
gitaar tot het uiterste dwong, gelukkig voor ons
was zijn gitaar zeer gehoorzaam. Meer funk, met
‘Make It Funky’, dan blues bij de
opening van zijn opmerkelijke act maar Garner
moet zich op het laatste moment herinnerd hebben
dat hij op een bluesfestival stond te spelen.
Daarom kregen de fans nog een lekker potje
kwaliteitsblues over hen heen. De luidsprekers
spuwden de aanstekelijke gitaarriffs richting
publiek zonder omwegen.
Op Ecaussines hebben de Campbell Brothers reeds
laten horen tot wat ze in staat zijn.
Nu werd de groep versterkt met een extra zangeres
en of dat voor een meerwaarde heeft gezorgd. Wees
maar gerust!
Verwacht niet meteen de alom bekende gospelsongs
met een Hammondorgel als begeleiding; wat je
eigenlijk krijgt is wat zij Sacred Steel Music
noemen. Dankzij de snerpende klank van hun lap-
en pedalsteel, en het visuele gedeelte, de
gospeldanspasjes, kregen we een show die alleen
maar kan gebracht worden door mensen van dit
kaliber. En alsof het nog niet genoeg was kwam
North Mississippi’s gitarist Luther
Dickinson even hun rangen versterken. Even
opwarmen, moet hij gedacht hadden, want na de
Campbells werd het podium omgebouwd voor de act
die we vandaag tweemaal zouden zien.
Inderdaad, de North Mississippi Allstars zouden
tweemaal spelen, één keer als band zelf én een
tweede maal als begeleidingsband voor John Hiatt.
Hij moest eigenlijk het festival sluiten maar
Warren Haynes en kompanen (Gov’t Mule)
waren kennelijk niet echt opgezet met het
anderhalf uur dat ze kregen en vroegen om meer.
Daarom werden de laatste twee acts omgewisseld.
Of Hiatt hier tevreden mee was, weten we niet...
Dacht Haynes misschien dat hij nog voor rekening
van de Allman Brothers Band speelde?
De North Mississippi Allstars zijn zeer jonge
muzikanten. Luther Dickinson (gitaar), Cody
Dickinson (drums) en de vreemde eend in de bijt,
Chris Chew aan de bas. De Dickinsons komen uit
een muzikale familie. Hun vader was nl. de
beroemde uit Memphis opererende producer Jim
Dickinson en dat hoorde je meteen van bij het
begin van hun indrukwekkende set. Wat het publiek
voornamelijk te horen kreeg was een melange van
soul, rock en countryblues. Invloeden van Ry
Cooder en Jim Keltner kwamen om de hoek kijken.
Maar de jongens kennen ook hun oude klassiekers
en zo kregen we een ietwat uitgesponnen versie
van de Cream’s hit uit de jaren zestig,
‘Sunshine Of Your Love’... En John
Hiatt stond aan de zijlijn van de bühne als een
gelukkig man toe te kijken...
Voor deze band was het nog niet afgelopen want na
een korte pauze moesten ze alweer de verzengende
hitte op het podium trotseren als begeleiding
voor singer-songwriter John
Hiatt.
JOHN
HIATT
En welk festival droomt er niet van om zo’n
naam op zijn affiche te kunnen plaatsen?
Ook hier weer een restrictie voor de fotografen:
de eerste drie nummers mochten we foto’s
maken maar af en toe werden de (verdomde rode)
lichten (bewust) op de fotografen gericht en niet
op John Hiatt. Toeval, wie zal het zeggen.
Met zijn recentste boreling ‘Master Of
Disaster’ is Hiatt dus op promotoer en
neemt de North Stars als backing band mee op
sleeptouw.
Het begin van zijn set was qua klank abominabel
slecht te noemen en dit dankzij de soundjongens.
Daarom bereikten zijn hits ‘Perfectly Good
Guitar’ en ‘Your Dad Did’ de
achterste regionen van de tent niet. Gelukkig
werd dit auditieve probleem snel verholpen en
konden we allemaal optimaal genieten van
‘Tennessee Plates’, ‘Riding
With The King', ‘Have A Little Faith in
Me’ en ‘Slow Turning’.
Allemaal klassenbakken van nummers die door velen
in de tent werden meegezongen... John Hiatt is
nog steeds een grote meneer, een welkome gast op
dit festival.
Als hekkensluiter dus Gov’t Mule. In Europa
nog niet echt zo bekend als in hun homeland
Amerika maar stilaan gaan de wegen meer en meer
open voor deze formatie. Hard, rockend en af en
toe een knappe blues er doorheen, dat was het
dessert van dit festival. Wie deze jongens al
bezig zag (vorig jaar nog op het Nederlandse
Bospop), weet wat hem te wachten staat en doet er
beter aan, wanneer je dicht bij het podium staat,
van oordopjes te gebruiken. Ook hier kregen de
fotografen af en toe af te rekenen met een
slechte belichting.
Peer 2007 is een feit en kende deels
indrukwekkende bands en eigenlijk maar enkele
mindere acts. Nu nog maar 362 dagen wachten op de
volgende editie...
Alfons Maes + (©) foto’s
GARLAND JEFFREYS
GARLAND JEFFREYS
Volgende
maand op het Rhythm & Blues festival van Peer
en in augustus op de bühne van de Lokerse
Feesten!!
![]()
Garland Jeffreys ijvert in zijn repertoire voor
gelijke rechten over de grenzen en volkeren heen.
In tegenstelling tot veel activisten wordt dit
thema eerder subtiel verpakt in aanstekelijke
soepele reggaebeat en strakke rock. De zanger
vindt al ruim 35 jaar de juiste balans tussen
woord en muziek en passeert in nauwelijks één
jaar al voor de vierde keer in ons land.
Garland Jeffreys geldt zowat letterlijk als de
verpersoonlijking van het fenomeen
smeltkroescultuur zoals je die destijds vooral in
New York aantrof.
Op 29 juni 1943 zag de zanger, die zowel zwarte
als blanke genen draagt, aangelengd met wat
Cherokee en Puertoricaans bloed, het levenslicht
in Sheepshead Bay, Brooklyn. In deze voorstad van
New York City groeide hij op in zo’n
typisch gezin uit de lagere middenklasse. Het
gezin woonde in een buurt die vooral bevolkt was
door Italiaanse en Joodse families. Als kind
wordt hij blootgesteld aan de meest uiteenlopende
muziek. Zijn jonge moeder, ze was amper zestien
toen ze beviel, luisterde veel naar muziek. Duke
Ellington, Count Basie, Sinatra, Dinah Washington
waren destijds populair. De jonge Jeffreys zoog
al deze muzikale invloeden op. In de jaren
vijftig was het al R&B, doowop wat de klok
sloeg The Moonglows, Sam Cooke, Jackie Wilson.
Later volgde rock ‘n roll Chuck Berry,
Little Richard, Bo Diddley. “Here Comes
Gene Vincent, Buddy Holly and Jerry Lee”
(uit ‘Hail Hail Rock ’n Roll’).
De andere grote fascinatie is kunst in al haar
aspecten. Op de Syracuse Universiteit volgt
Garland de richting kunstgeschiedenis, op de
campus ontmoet hij Lou Reed.
The Band
Jeffreys
speelt in die periode al in talloze lokale
groepen zoals Train Romeo. Met de laatste uit het
rijtje, Grinder’s Switch, neemt hij in 1969
de gelijknamige langspeler op voor het
Vanguard-label. Zowat alle composities zijn van
de hand van Jeffreys zelf. De uitvoering is
minder persoonlijk getint. Blijkbaar hadden ze
iets te aandachtig en uitvoerig naar ‘Music
from Big Pink’ geluisterd. Invloeden die
overduidelijk te horen zijn. Met name de
drieledige zangpartijen van Jeffreys, gitarist
Ernest Corallo en Stan Szelest leunen angstvallig
dicht aan bij de verrichtingen van The Band. Niet
echt verwonderlijk. Szelest vinden we later terug
bij The Band op het in ’93 uitgebrachte
‘Jericho’ waar hij de betreurde
Richard Manuel verving. Overigens figureerde
Szelest als zeventienjarige snaak samen met
andere Bandleden bij Ronnie Hawkins’ Hawks
tot hij vervangen werd door Manuel. Bovendien
heeft ook drummer Sanford Sonikoff een verleden
bij The Hawks. De kiemen van de ontluikende
singer-songwriter in Jeffreys zijn in enkele
songs duidelijk al aanwezig maar het gebrek aan
eigen identiteit speelt duidelijk parten.
Jeffreys allervroegste creatie werd voor het
eerst door een soort muzikale drievuldigheid
vertolkt in The Ballroom Farm, een plaatselijke
club. Vriend Lou krijgt daarbij assistentie van
John Cale en ene Eric Burdon. Cale is blijkbaar
onder de indruk. Even later prijkt niet alleen de
song ‘Fairweather Friend’ op
Cale’s soloplaat ‘Vintage
Violence’ maar ook enkele groepsleden van
Grinder’s Switch fungeren als begeleiders
in de studio. Jeffreys, die de hoesnota’s
verzorgt, heeft ondertussen het besluit genomen
voluit voor de muziek te gaan. Zelfs een
langdurige studiereis naar Italië, waar hij zich
in Florence in de renaissance verdiept, kunnen
hem niet van zijn voornemen afbrengen.
Wild In the Streets
Blijkbaar
is de lokroep van de muziek én Manhattan te
sterk. Hij keert terug en profileert zich als
soloartiest in het clubcircuit. In 1973 levert
hij het titelloze solodebuut af. Het is een
destijds schromelijk onderschat werkstuk waar de
verhalen over het New Yorkse straatleven verder
uitgediept worden, een repertoire dat thematisch
vergelijkingen oproept met het toenmalige werk
van Lou Reed en Bruce Springsteen maar minder
geapprecieerd werd door het platenkopend publiek.
Het rockende, oorspronkelijk enkel op
singleformaat uitgebrachte ‘Wild In The
Streets’ wordt wel een radiohit en krijgt
een herkansing op ‘Ghost Writer’.
Naast de rock, soul en jazzinvloeden zijn
eveneens meer exotische stijlen met een
merkwaardige souplesse verwerkt. In het op een
aanstekelijk reggaedeun gebouwde ’I May Not
Be Your Kind’ worden de interraciale
verhoudingen afgetast. ‘Why–O’
is een onverholen aanklacht tegen het virulente
racisme. De hypnotische titeltrack ‘Ghost
Writer’ is een superieure reggae
voortgestuwd door de onwrikbare ritmetandem Steve
Gadd-Anthony Jackson. ‘Spanish Town’,
ingeleid met een intro op Spaanse gitaar van Hugh
McCracken, is een eerbetoon aan de familiale
roots. De overige tracks trekken de
kwaliteitslijn door. Een absoluut muzikaal
meesterwerk waarbij de opvolgers verbleken. Het
een jaar later uitgebrachte ‘One Eyed
Jack’ wordt door een te gesofisticeerde,
smetteloze productie genekt. ‘American Girl
& Boy’ luiden een voorzichtige remonte
in. De conceptplaat met een ruwe schets van het
problematische dagelijkse leven van twee
opgroeiende New Yorkse straatkinderen, bevat
naast sterk werk zoals ‘Bring Back The
Love’ de megahit ‘Matador’. De
roem blijft echter beperkt tot Europa en de
zanger verbreekt zijn platencontract en overweegt
zelfs even zich in Parijs te vestigen.
Escape from your past, escape from
Brooklyn,
escape at last...
Het schrijnende, autobiografische
‘Christine’ waarbij Jeffreys een
pijnlijke liefdeshistorie in de lichtstad van
zich afschreeuwt vormt samen met ’96
Tears’ (een aanstekelijke strakke remake
van de sixties-hit van Question Mark & The
Mysterians) de smaakmaker van ‘Escape
Artist, het sterkste werkstuk sinds
‘Ghostwriter’. Het
samenwerkingsverbond met de ritmesectie van The
Rumour, aangevuld met de klavierspelers van
Springsteens E-Street Band en oude gabber Alan
Freedman op gitaar, blijft na al die jaren nog
steeds onweerstaanbaar. Er volgt nog een
Live-registratie, eveneens met de van Graham
Parker overgelopen begeleiders. ‘Guts For
Love’ uit 1983 betekent de artistieke
zwanenzang. De sociaal geëngageerde onderwerpen
als onderdrukking (El Salvador) en persoonlijke
emoties beklijven minder dan voordien. Toch nog
een fraaie bewerking van Jr. Walker’s
‘What Does It Take’. In de
bijbehorende grappige videoclip figureren oude
vriend Lou Reed als professor en acteur Harvey
Keitel als bevriende nachtclubbezoeker. Een
luchtig tegengif voor de wrange realiteit van
‘El Salvador’. Met deze kritische
beschouwing kan Jeffreys het in thuisland Amerika
helemaal schudden. Het wordt angstvallig stil
rond de New Yorker. Een stilte die zo’n
negen jaar zal aanhouden. Na zes langspelers in
amper zeven jaar is het de hoogste tijd voor een
retraite. Met vrienden en familie pendelen tussen
Amerika en Europa. Eindelijk ruimte om te
schrijven en lezen en tussendoor een beetje aan
demo’s prutsen. De literatuur met ondermeer
de biografie van Malcolm X en de muziek van
Curtis Mayfield werken blijkbaar erg
inspirerend.
Armani
De
stilte wordt in ’91 doorbroken met
‘Don’t Call Me Buckwheat’ een
schitterende studie van de complexe raciale
spanningsvelden in songs zoals ‘Welcome To
The World’, ‘Color Line’,
‘I Was Afraid Of Malcolm’,
‘Racial Repertoire’, ‘Murder
Ju


























