JOHNNY ACE
Johnny Ace

De zinloze dood van deze jonge pianist op kerstdag 1954 overschaduwde zijn prille carrière. Dat is spijtig, want wie weet wat hij nog allemaal in petto had

John Marshall Alexander, Jr. werd geboren in Memphis, Tennessee (een stad die zoveel muzikanten voortgebracht heeft), op 9 juni 1929. Hij was de zoon van een predikant, en zou uitgroeien tot één van de pioniers van soulmuziek, of wat men tegenwoordig, R&B noemt. Zijn moeder stond echter weigerachtig t.o.v. zijn muzikale exploten.

Nadat hij drie jaar gestudeerd had aan de Booker T. Washington High School, stopte hij tijdens de elfde graad en ging tijdens de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog bij de Navy. In 1947 werd hij uit de dienst ontslagen en begon te tokkelen op de familiepiano. Al gauw bezat hij een rudimentaire kennis van dat instrument en begon hij lokaal op te treden. Zijn eerste lokale band was die van Adolph Duncan, waar hij als pianist aan de slag kon. Al gauw vertoefde hij in het gezelschap van toekomstige bekendere namen als Bobby Bland en Roscoe Gordon, samen met de lokale muzikanten Tuff Green en Earl Forrest. In 1951 ging hij bij het combo van Riley B.B. King, waarmee hij veel optrad. In deze groep zaten ook Bobby Bland en Earl Forest. Toen B.B. King populair genoeg werd om nationale tournees te maken, zijn single ‘Three O’Clock Blues’ een hit werd, en hij naar Los Angeles vertrok, nam hij de band niet mee. Bobby Bland ging bij het leger. John nam het vocale gedeelte in de groep voor zijn rekening, doopte de band om tot de Beale Streeters, en nam zelfs B.B. King’s show op het radiostation WDIA in Memphis over. Zijn pianospel en nieuw ontwikkelde zangkwaliteiten waren aanzienlijk verbeterd. Spoedig werd hij bekend onder de naam Johnny Ace en nam in 1951 voor Modern Records uit Los Angeles, de single ‘Midnight Hours Journey’ op, maar die wilden het niet uitbrengen op hun Flair label. In 1952 nam hij voor Sun, de singles ‘Remember I Love You’ en ‘I Cried Last Night’ op, die echter ook niet uitgebracht werden. Nog datzelfde jaar tekende hij bij Duke Records, een label uit Memphis, dat geassocieerd was met WDIA, en eigendom van DJ David Mattis. WDIA koos Bobby Bland als één van de oorspronkelijke artiesten, maar die was daarvoor niet klaar, en dus keerde WDIA zich naar Ace toe. Samen met Mattis herwerkte hij de bluesballade ‘So Long’ van Ruth Brown uit 1949 tot ‘My Song’. Pas daarna bracht Modern Records voormelde single ‘Midnight Hours Journey’ uit, met op de achterkant Forest’s ‘Trouble And Me’.

Zijn eerste echte plaat werd dus de ballade ‘My Song’ (Duke # 102) in de lente van 1952, met op de achterzijde het liedje ‘Follow The Rules’. Tegen de maand juni verkocht de single redelijk goed in de Mid South. In augustus kwam Don Robey echter op de proppen. Deze man was eigenaar van de bekende Bronze Peacock nachtclub in Houston, Texas, maar had tevens het Peacock platenlabel opgestart. Hierop werd vooral gospelmuziek geproduceerd. Robey kocht het Duke label op en verhuisde de zetel naar Houston. Hij behield echter de handelsnaam Duke, en tegen september had de verkoop van Johnny Ace’s single zo’n hoge toppen gescheerd, dat het gospelsuccessen als ‘Let’s Talk About Jesus’ van The Belles of Joy en ‘I’m Gonna Play The Honky Tonks’ van Marie Adams voorbij stak. ‘My Song’ klom verder op tot de top van de R&B charts, en bleef daar negen weken staan. Al gauw namen andere artiesten covers op van dit nummer, zoals Hadda Brooks op Okeh, Dinah Washington op Mercury, en eerder genoemde Marie Adams op Peacock. Queen of soul Aretha Franklin zou het nummer in 1968 ook coveren. Hij verkocht er zo’n vijfhonderdduizend exemplaren.

Van dan af kon Ace muzikaal niet meer mis, en hij zou hit na hit uitbrengen in dezelfde zachte stijl. Hij begon in november 1952 met tournees. Zo trad hij op in The Dew Drop Inn in New Orleans, The Orchid Room in Kansas City, en in The Club Alabam op Central Avenue in Watts. Naar het einde van dat jaar stonden hij en zijn Beale Streeters geboekt voor een aantal optredens aan de Westkust samen met Jimmy Forrest, Marie Adams en James Moody.

Ace nam zijn volgende single op. In januari 1953 werd dat ‘Cross My Heart’ (Duke # 107), met op de achterkant ‘Angel’. De plaat zou zowel in Memphis als in Bill Holford’s Audio Company of America studio’s in Houston opgenomen zijn. Het schijnt echter dat het de versie uit Houston was die de charts beklom. Het was een zoete variatie op ‘My Song’ van de hand van Mattis en Robey, met Forest en bassist George Joyner. De tweede single deed het niet zo goed als de eerste, maar was toch nog een R&B seller. In juni van dat jaar kwam zijn derde plaat eraan, ‘The Clock’ (Duke # 112), met op de achterkant het instrumentale nummer ‘Aces Wild’. De voorkant was geschreven door Ace en Mattis, met tiktak percussie van bandleider Johnny Otis. Opnieuw verkocht het goed, en Johnny werd in augustus “top of the bill” tijdens Gene Norman's Rhythm & Blues Jubilee Show in Los Angeles. Later in 1953 bracht de platenfirma zijn nieuwe single uit, ‘Saving My Love For You’ (Duke # 118), met op de achterkant ‘Yes, Yes, Baby’ (een duet met Willa Mae Thornton). Het nummer klom in het begin van 1954 tot nummer twee in de R&B charts.

Ace ging in 1954 ook op tournee, nu in het gezelschap van labelgenoot Willa Mae “Big Mama” Thornton, doorheen het zuiden en het zuidwesten. Ze bleven zo’n twee weken optreden in Pep’s in Philadelphia en daarna uitgebreid in de Midwest.

In mei van dat jaar bracht Duke records ‘Please Forgive Me’ (Duke # 128), met op de achterkant ‘You've Been Gone So Long’ uit. De tournee voerde hem verder langsheen het Zuidoosten en naar Louisiana, Arkansas en Texas.

In september 1954 probeerde Flair Records om een graantje mee te pikken van zijn groeiende populariteit, en bracht ‘Midnight Hours Journey’ (Flair # 1015) uit, een heruitgave van een oude opname van The Beale Streeters uit 1951. Op de achterkant stond het nummer ‘Trouble And Me’. Midden oktober bezocht Ace New York en speelde een week in het Apollo Theater met “Big Mama” Thornton en Junior Parker. Op Thanksgiving Day had een grote show plaats in Houston, waar hij naast Thornton, Parker en Bobby “Blue” Bland, en B.B. King optrad.

In september werd ook ‘Never Let Me Go’ uitgebracht (Duke # 132), met op de achterkant het al twee jaar oude, instrumentale ‘Burley Cutie’. Dit is de eerste single die vele fans van R&B muziek voor het eerst van hem hoorden. Ace en Thornton kregen het gezelschap van Faye Adams en Memphis Slim & The Houserockers voor een aantal optredens aan de Westkust. In december organiseerde het wekelijkse ‘Cash Box’ een nationale DJ poll, en Ace werd genoemd als “De Meest Geprogrammeerde Artiest van 1954”.

Nadat hij dus een jaar op tournee geweest was, stond hij op kerstdag 1954 in het City Auditorium in Houston, Texas. Tijdens een pauze besliste de dronken Ace om een spelletje Russische Roulette te spelen. Hij richtte een .45 kaliber revolver op zijn vriendin, Olivia Gibbs, en haalde de trekker over. Er gebeurde niets. Daarna probeerde hij haar vriendin, Mary Carter, neer te schieten. Weer gebeurde er niets. Daarna richtte hij het pistool op zichzelf en schoot zich door het hoofd. “Big Mama” Thornton, die getuige geweest was van het incident, legde een geschreven verklaring af, waarin ze zei dat Ace met de revolver aan het spelen was, maar geen Russische Roulette speelde. Volgens haar richtte hij wel degelijk eerst het wapen op zijn vriendin en op een andere vrouw, maar schoot niet. Daarna draaide hij het wapen naar zichzelf toe, waarbij het afging.

Er zijn daarna beschuldigingen geuit aan het adres van platenbaas Don D. Robey, met wie Ace over zijn contract opnieuw wou onderhandelen.

Zijn begrafenis had plaats op 2 januari 1955 in de Memphis Clayborn Temple AME Church. Ze werd door zo’n vijfduizend mensen bijgewoond. Hij werd begraven op het New Park Cemetery in Memphis.

Op 12 februari 1955 werd postuum de single ‘Pledging My Love’ uitgebracht, met op de achterkant ‘No Money’ (Duke # 136). Het nummer haalde de top van de R&B charts en bleef daar tien weken staan. Ace’s singles verkochten zeer goed voor die tijd. In het begin van 1955 kondigde Duke Records aan dat zijn drie singles uit 1954 samen met Thornton’s ‘Hound Dog’ meer dan één miljoen zevenhonderd vijftigduizend keer over de toonbank gegaan waren. Duke Records bracht in juli van dat jaar nog de single ‘Anymore’, met op de achterkant ‘How Can You Be So Mean’ (Duke # 144) uit. Deze nummers waren samen met ‘Pledging My Love’ op plaat gezet. Er werden overigens driehonderd vijftigduizend exemplaren van verkocht voor de officiële releasedatum.

Het jaar daarop (1956) volgden in januari de single ‘So Lonely’, met op de achterkant ‘I’m Crazy Baby’ (Duke # 148) en tijdens de zomer de single ‘Don’t You Know’, met op de achterkant ‘I Still Love You So’ (Duke # 154). Daarmee was het materiaal uitgeput. Aldus probeerden ze om zijn sound te klonen. Eerst rekruteerden ze zijn jongere broer St. Clair Alexander onder de naam Buddy Ace. Toen die vlieger niet op ging, hernoemde de baas van Duke Records, Don Robey de zanger Jimmy Lee Land als Buddy Ace, en liet die tot in de jaren zestig opnemen.

In 1955 kwam ook het ‘Johnny Ace Memorial Album’ (Duke LP # 70) uit; en in 1974 werd het op ABC/Duke heruitgebracht (# DLPX71). Ikzelf bezit de cd-versie ervan, met de verkleinde versie van de originele platenhoes.


In februari 1955 kwamen al vlug covers uit van ‘Pledging My Love’ zoals die van Tommy Mara (MGM), The Four Lads (Columbia) en Theresa Brewer (Coral). Ook eerbetonen bleven niet achter, zoals die van Johnny Moore's Three Blazers met zang van Frankie Erwin (Hollywood), Johnny Fuller met ‘Johnny Ace’s Last Letter’ (Aladdin), Varetta Dillard met ‘Johnny Has Gone’ (Savoy), Linda Hayes met ‘Why Johnny Why’ (Hollywood), Patti Jerome (Jubilee) en The Five Wings. Paul Simon schreef later een song die hij ‘The Late Great Johnny Ace’ noemde. Het nummer staat op zijn elpee ‘Hearts and Bones’, en refereert uiteraard naar Ace’s dood, zowel als naar John Lennon’s en John Kennedy’s dood. Hij bracht deze song solo tijdens het reünieconcert met Art Garfunkel in Central Park in 1981. Tijdens de uitvoering bestormde een fan het podium en werd vlug gearresteerd. Het incident was te zien op de uitzending op HBO, maar de song werd eruit gehaald voor het live album. De rockband Dash Rip Rock heeft een song opgenomen die ‘Johnny Ace’ heet, en die het levensverhaal en de dood van de zanger vertelt. Will Oldham heeft in 1995 onder de naam Palace Music een single uitgebracht die ‘Gezundeit/Let the Wires Ring’ heet, en het laatste couplet van ‘Let the Wires Ring’ vermeldt de dood van Johnny Ace. (zie
http://pry.com/pulpit/lyrics/wiresring.html). David Allan Coe bracht zijn versie van ‘Pledging My Love’ uit in 1981 op zijn elpee ‘Tennessee Whiskey’ en later in 1990 nogmaals op zijn album ‘Headed Dor The Country’.

Zoals u ziet maakte Ace’s klagende manier van zingen van hem een ster in het begin van de jaren vijftig. Wie weet wat we door zijn vroegtijdige dood allemaal gemist hebben! Hij kon gemakkelijk de eerste cross-over artiest geworden zijn.

Patrick Van de Wiele