• Je hoeft niet van zwarte afkomst te zijn om
prachtige soulballades te maken •
Dat blues en soul noodzakelijkerwijs uitsluitend van
onze zwarte broeders hoeft te komen vormt sinds
mensenheugenis een eindeloos dispuut. De betere
R&B en blues is onbetwistbaar afkomstig van de
legendarische zwarte zangers. Je moet al stevig op je
poten staan om daar als bleekscheet enig gewicht in
de schaal te werpen. Billy Price is zo’n witte
raaf. Vanuit Philadelphia brengt de man sinds de
jaren zeventig met zijn Keystone Rhythm Band en
opwindende soulvolle R&B. Blue-eyed soul is een
omschrijving die in het geval van Price ruimschoots
tekort schiet. Billy, die overigens onveranderlijk
met een stijlvolle zonnebril op de neus verschijnt,
weet op onnavolgbare wijze nieuw werk en oude
soulklassiekers nieuw leven in te blazen. Dat werd op
het festivalpodium van het Belgium Rhythm
’N’ Blues Festival (Peer) nog eens
ondubbelzinnig geïllustreerd met een constant
overkokende dynamische
spettershow die zelfs de meest verstokte pilaarbijter
tot een danspasje verleidde. Price zette headliner
Dave Edmunds even opzij en zijn podiumprestatie
verbleekte geenszins bij de soulrevue die de
legendarische Solomon Burke, de gekroonde ‘King
of rock ’n Soul’ de dag nadien van op
zijn troon debiteerde.
Dat is ondertussen bijna vijf jaar geleden. De
hoogste tijd voor een terugkeer op onze podia. De
flamboyante zanger die in hometown Pittsburgh als een
instituut beschouwd wordt maar in Europa slechts bij
een beperkt publiek bekend is. Een schets met de
discografie als leidraad is wellicht geen overbodige
luxe.

Zijn echte naam William Pollak verraadt een Europese
afkomst. In de jaren dertig emigreerden de
grootouders, Joden met Poolse en Russische roots,
naar de Verenigde Staten.
Vader Pollak vestigde zich in New Jersey als tandarts
samen met zijn vrouw, een lerares Engels. William
(10/11/1949) hoorde thuis wel eens piano en viool
maar ontdekte als tiener country, rock en pop. Het
was vooral de R&B van Little Richard, Big Joe
Turner en Ray Charles en de doowop van The Moonglows
en The Flamingos die een indruk maakte.
Op de nachtuitzendingen van een plaatselijk
radiostation ontdekte hij de in gospel gedrenkte soul
uit ‘The Deep South’. Een kennismaking
met Otis Redding liet een onuitwisbare indruk na op
William.
Op zijn twaalfde speelde hij in zijn eerste groep.
Tijdens zijn middelbare schooltijd oogstte hij met
Billy and the Uptights veel succes, met een
minutieuze imitatie van James Brown’s
‘Live At The Apollo’, de uit 1963
daterende show. Ook gedurende zijn studies aan de
universiteit van Pennsylvania trad hij op met The
Respectables.
Een opmerking van de gitarist maakte meteen een einde
aan zijn ambities als snarenridder.

•
Roy Buchanan
Met The Rhythm Kings brak Billy Price uit het lokale
circuit. Het gezelschap bracht en bluesgetint
repertoire, beïnvloed door Price’s grote held
Bobby Blue Bland. Ook The J. Geils Band vormde een
inspiratiebron. The Rhythm Kings telde echter een
uitsluitend met saxofonisten samengestelde
driekoppige blazerssectie. De groep verhuisde naar
Pittsburgh waar ze ontdekt werden door Jay Reich.
Reich was echter enkel in de zanger geïnteresseerd en
zo belandde Billy bij de gitaarvirtuoos Roy Buchanan.
De samenwerking werd niet echt een succes. Price
voelde zich niet echt op zijn plaats. De
vernietigende recensies van ‘That’s What
I‘m Here For’ (1972) sterkten hem in zijn
besluit om de samenwerking te beëindigen, maar hij
liet zich nog overhalen om tot in ’76 te touren
met Buchanan. Op ‘Livestock’.
Met The Rhythm Kings wou het niet meer vlotten. Tot
overmaat van ramp kreeg hij nog problemen met de
stembanden. Totaal gedellusioneerd trok Price zich
terug uit de muziekwereld en werkte onder de naam
Bill Polak een tijdje voor muziekbladen.
•
Free at last
In
1978 vormde Price met enkele oudgedienden The
Keystone Rhythm Band. Het zevenkoppig gezelschap
debuteerde een jaar later met
‘Is It Over?’.
De oorspronkelijke vinylversie raakt bij gebrek aan
distrubutie niet over de grote plas. Gelukkig is het
debuut nu verkrijgbaar op cd geflankeerd door de
opvolger ‘They Found Me Guilty’. Gitarist
Don Garvin leidde de sessies in goede banen. In zijn
geheel kan deze langspeler bezwaarlijk als een
meesterwerk worden beschouwd. Toch prijken er enkele
fraaie staaltjes southern soul op. Met name de
gloedvolle titeltrack ‘Is it over?’ en
het van Clarence Carter geleende ‘Slip
away’ dat op een fraaie apotheose uitloopt met
geïmproviseerde flarden uit het grote soulboek. Het
enige zelfgeschreven nummer, het autobiografische
‘Eldorado Café’, staat nog steeds op de
setlist. Geheel terecht overigens, de wiegende
reggaesoulbeat klinkt op het podium nog even
aanstekelijk als weleer. De opvolger
‘They
Found Me Guilty’
met Denny Bruce en Graig Leon achter de knoppen was
een fijner besnaard en beter uitgewerkte brok soul,
gedomineerd door een meer gekunstelde sterk verwant
met de Memphis Hi-sound van Willie Mitchel. De
coverkeuze ligt voor de hand, Al Green en veel werk
dat uit het al dan niet terecht verworven oeuvre van
Deadric Malone stamt. Een fantastische interpretatie
van ‘A nickel and a nail’, dat in de
vroege jaren zeventig door O.V. Wright bekend raakte
en na Price’s versie ook door Otis Clay werd
opgepikt. Gitarist Keith Grimes levert twee songs
waaronder de mooie gospelgetinte ballade met sfeervol
saxwerk ‘Tell me’. Het klapstuk wordt
echter opgespaard tot het einde. ’BP’s
dream’ geen reclame voor het bekende
benzinemerk uit die periode, maar een gesproken
intermezzo, zit handig ingekapseld tussen ‘Cry
Cry Cry’ en ‘Eight men and four
woman’. Een geloofwaardige ode aan
Billy’s muzikale mentor Bobby Bland is de
medley ‘Jury of love’, waarin gitarist
Grimes assistentie krijgt van Glenn Pavone.
Hoe de groep op het podium klinkt is te beluisteren
op het in ’84 opgenomen
‘Live’
een selectie uit de registratie van twee
concertavonden in Washington.
Pavone zou op het volgende werkstuk zowat alle
composities in samenwerking met Price leveren af en
toe geassisteerd door pianisten en trompetspelers
Tony Murtha en Mike Karwowski. De titel
‘Free At Last’
reflecteert de verzuchtingen van de muzikanten. De
ijzeren greep van het management die een meer
commerciële koers uitstippelt, interne spanningen en
botsende ego’s,… de creatieve
wisselwerking met gitarist Pavone bleek ondertussen
opgebrand. Het werd Price allemaal te veel en The
Keystone Rhythm Band werd uiteindelijk na tien jaar
opgedoekt.

•
Jeree Studios
Billy
nam zijn opleiding als auteur terug ter harte en ging
terug studeren aan de universiteit.
Samen met een stel onderlegde jazzmuzikanten legt hij
zich toe op materiaal uit de jaren veertig/vijftig.
Blues en R&B- catalogus. Liefst drie songs van
Percy Mayfield afgewisseld met muzikale parels uit
het repertoire van Charles Brown, Little Willie John
en Big Joe Turner en uiteraard Bobby Bland vormen de
onwrikbare bouwelementen van
‘Danger
Zone’.
In de helft van de jaren negentig was de agenda van
The Billy Price Band terug volgeboekt. Er werd
besloten wat tijd uit te trekken voor het nieuwe
studioalbum. Zowat een jaar resideerden Price en zijn
muzikale kompanen in de Jeree Studios in Brighton. In
dezelfde wat onderkomen gebouwen in Victoriaanse
stijl werd zo’n zeventien jaar eerder ook het
debuut ‘Is It Over’ ingeblikt. Er zijn
wellicht beter geëquipeerde studios in de buurt van
Pittsburgh maar Price vond dit de meest geschikte
locatie voor
‘The Soul Collection’.
Bovendien is Don Garvin zowat vergroeid met het
interieur. De gitarist vervulde opnieuw een
sleutelrol evenals producer H.B. Bennett die eveneens
de drumsticks hanteert. In de blazerssectie vinden we
saxofonist Eric DeFade terug, die anno 2008 nog
steeds deel uitmaakt van The Billy Price Band. Er
werd niets aan het toeval overgelaten. Voor de
gospelgetinte achtergrondzang trok Price achteraf
naar Chicago. Dianne Madison en Theresa Davis,
voordien actief met The Emotions en Otis Clay,
klaarden de klus feilloos. Clay zong zelf in
‘That’ How It Is’ dat overigens in
niet geringe mate herinnert aan de hoogtijdagen van
Sam and Dave.
Zo krijgt het geselecteerde werk van James Carr over
Arthur Alexander tot Eddie Hinton een meer dan
respectvolle en vakkundige en doorvoelde behandeling
die de vervlogen grandeur van het southern soul
tijdperk doet herleven en Price overtreft zichzelf
als vertolker.

•
Swamp Dogg
Met
’The Soul Collection’ raakt de carriere
van Billy Price in een gunstige stroomversnelling.
Amper twee jaar later vinden we Price opnieuw in de
studio. De legendarische soulveteraan Jerry Williams,
sinds de jaren zeventig bekend als Swamp Dogg, zit in
de producerszetel en achter de piano. Met
uitzondering van de titelsong
‘Can I Change My Mind’
en ‘One in a million’ zijn alle
composities van de hand van het ‘enfant
terrible’ uit het soullandschap. De muzikanten
die de sessies in de Sunnyside Studios in Californië
bevolken verdienden hun sporen bij Barry White,
Little Milton en zijn geen onbekenden voor Swamp Dog.
Gitarist Landis zat nog in zijn liveband in Texas.
Hoe sterk de Billy Price Band de jaren 2000 in swingt
is te beluisteren op
‘Sworn Testimony: The Billy Price Band
Live’.
Met deze dubbellaar geraakt Billy Price eindelijk in
Europa. Op de negentiende editie van BRBF in 2003
overtuigde de man met een spetterende set van
anderhalf uur. Ongelovigen kunnen zich alsnog bekeren
na het bekijken van de later uitgebrachte dvd
‘Funky… Funky Soul’ met het
concert op het Peerse podium.
Daarna wordt het angstvallig stil. Een stilte die
twee jaar geleden doorbroken wordt met
’East End Avenue’.
Na ruim zes jaar trekt Price terug de studio in, deze
keer met zijn eigen groep. In tegenstelling met de
voorgangers prijkt op deze cd vooral eigen werk. Zo
levert Price samen met Jon Tiven, bekend van zijn
studiowerk met o.a. Wilson Pickett en Dan Penn, een
handvol songs waarvan het schrijnende ‘The
other side of you’, dat herinneringen aan het
betere werk van Robert Cray oproept, meteen beklijft.
De stevige brok dansfunk ‘Funky like Dyke Part
2’, een ode aan soulicoon Lester ‘Funky
Broadway’ Christian, pent Price samen met Mike
Sweeney. Sweeney zorgde met uitzondering van de
afsluiter ‘Faithful and true’, een
onvervalste southernsoulslijper van Dan Penn, voor
het overige materiaal. Andermaal een meer dan
verdienstelijk werkstuk van de soulman uit
Pittsburgh. Recent werkt Price samen met de Franse
gitarist Fred Chapellier op ‘A Tribute To Roy
Buchanan’ vertolkt hij ‘A nickel and a
nail’.
Binnenkort komt Billy Price terug naar Europa voor
enkele concerten De concertagenda in de gaten houden
is de boodschap.
Billy Price op cd:
-
Met The Keystone Rhythm Band:
1979: Is It Over?
1981: They Found Me Guilty
1984: Live/1988 Free At Last
- Billy Price:
1993: Danger Zone
1997: The Soul Collection
1999 Can I Change My Mind
2000: Have Mercy
2002: Sworn Testimony: The Billy Price Band Live
2006: East End Avenue
- Met Roy Buchanan:
1973: That’s What I Am Here For
1975: Live stock
-
Op dvd:
2003: Funky… Funk Soul!!! (Live op BRBF Peer
2003)
Cis Van Looy
© Foto's: Alfons Maes
Meer info:






