• En denk eraan heren, draag bij elk bezoek aan
zo'n kabardoeskje, steeds een 'mutske voor je
prutske'. •
Al zo’n halve eeuw lang is rock ‘n’
roll net zo door seks geobsedeerd als een
teenagerjongen, of als een gestresste politieker. En
vreemd genoeg wordt rock preuts wanneer voor liefde
cash moet betaald worden. Toch hebben hoerenlopers en
nachtelijke dames af en toe songwriters beïnvloed om
hun pen ter hand te nemen. Soms veroorzaken deze
seksprofessionals de ruïnering van een cliënt. Soms
zijn zij diegenen die geruïneerd worden. Ik vond op
het net op een Amerikaanse blog, onderstaande lijst
van twintig songs over het oudste beroep ter wereld.
Er staan songs tussen waar ik nog nooit van gehoord
heb. En het is niet eenvoudig om die
“slang” soms te vertalen! Eigenlijk moet
ik bekennen dat ik ook nog nooit zo’n dame van
lichte zeden opgezocht heb, maar toch ontbreken
volgens mij in deze lijst songs als ‘The Lady
is a Tramp’ van Frank Sinatra, Ella Fitzgerald
(dat eigenlijk over de high society gaat),
‘Tramp’ van Otis Redding & Carla
Thomas, ‘Gypsies, Tramps & Thieves’
van Cher (1971), de titelsong van dit artikel
‘Love for Sale’ van Cole Porter (later
nog o.a. gecoverd door Boney M.), en nog zo’n
handvol waar ik zo direct niet kan opkomen.
‘Love for Sale’, de songtitel waar het
hier allemaal om draait, is een jazzsong van de hand
van Cole Porter uit de musical ‘The New
Yorkers’ uit 1930. Het liedje werd geschreven
vanuit het standpunt van een prostituee, die
verschillende soorten van liefde aanbiedt: “Old
love, new love, every love but true love”. De
song was een hit tijdens de jaren dertig, maar later
werd het te sensueel geacht, en voor decennia
verbannen van de radio. Tijdens de oorspronkelijke
Broadway productie werd de song gebracht door Kathryn
Crawford en later door Elisabeth Welch. Nog later
werd het gecoverd door Billie Holiday (1945), Ella
Fitzgerald (1956), Tony Bennett (1957), Miles Davis
en Cannonball Adderley (1958), The Manhattan Transfer
(1976), Elvis Costello (live in 1981). Simply Red
zong het tijdens het Montreux Jazz Festival in 1992
en Harry Coninck bracht het ook in 1999. Dit liedje
is uitgegroeid tot een jazzklassieker, en werd ook
instrumentaal gebracht. In de biografische film
‘De-Lovely’ over het leven van Cole
Porter, wordt het nummer gezongen in een homo
nachtclub door Vivian Green. Dat gebeurde nogmaals
tijdens een gelijkaardige scène in Brian
DePalma’s ‘The Black Dahlia’.
En denk erom heren, draag bij elk bezoek aan
zo’n kabardoesjke, steeds “een mutske
voor uw prutske”! Beter voorkomen dan (aids)
genezen!
Hierna gaat de lijst in aftellende volgorde:
20 – ‘Bad Girls’ (1979) van Donna
Summer.
Heel wat songs uit de discoperiode gingen over
prostituees, maar Donna Summer bracht dit liedje naar
de top van de charts. Er wordt in geoordeeld over
deze dames, want Donna zingt “bad girls = sad
girls”, omdat ze werkelijk willen sterren zijn.
Maar in het laatste refrein heeft Donna haar eigen
innerlijke “bad girl” gevonden, en biedt
haar kwaliteiten aan een potentiële man aan. Later
zou Donna zich bekeren tot de godsdienst en dit sexy
imago afzweren en sterk veroordelen.
19 – ‘He’s a Whore’ (1977)
van Cheap Trick.
Slechts enkele van deze songs over prostituees werden
geschreven vanuit het oogpunt van diegene die het
geld ontvangt, in plaats van diegene die betaalt.
Bandleider Robin Zander’s verteller in dit
liedje wil dat jij hem wil, want dat is de enige
manier waarop hij kan geld incasseren. Hij doet het
met een vrouw met groene tanden, en een gelaat zo
lelijk, dat een klok zou doen stilvallen. Er dient
genoteerd te worden dat deze song een metafoor zou
kunnen zijn voor een band die uitverkoopt, alhoewel
‘The Flame’ maar een decennium daarna
kwam.

18 – ‘Hot Child in the City’ (1978)
van Nick Gilder.
Nog een sulletje dat zichzelf ziet als een
“loverboy”. En wat meer is, hij zegt aan
zijn geliefde “we’ll talk about
love”. Mijn ervaring met prostituees is nihil,
maar misschien verkiezen zij de “talkers”
boven de “stalkers”. Deze Canadese
popzanger klom met deze song in 1978 naar nummer één.
Toch herinner ik me het niet. Het nummer gaat
technisch gesproken over weglopers op Sunset Strip.
En we weten allemaal waar dat eindigt.
17 – ‘Tenderloin’’ (1994) van
Rancid.
Bedoelt men hier met “tenderloin’”
het feit dat deze prostituee geen ervaring heeft?
Maar deze punkrockers van de volgende generatie
zingen duidelijk dat de prostituee geen slachtoffer
is, of bedoelen ze daarmee dat haar klant
“tenderloin’” is? Dat is niet zo
evident!
16 – ‘Family Man’ (1983) van Hall
& Oates.
De zoektocht om de slechtste prostituee in een song
ooit te vinden, eindigt hier. Dit
“blue-eyed” Phillysoul duo zal geen
feministen bijwinnen met dit verhaal over een
onzekere hoer die de familievader najaagt. Maar in
die tijd was dat van geen belang, want het nummer
steeg tot nummer zes in de charts. Deze kerel smelt
blijkbaar het hart van de prostituee met een pleidooi
om bij zijn kroost te blijven. Ze zal een andere job
moeten zoeken.
15 – ‘Sex Farm’ (1984) van Spinal
Tap.
Het is niet duidelijk wie hier de hoer uithangt, maar
er is sprake van transacties en contracten en, die
“farm” als metafoor, houdt in dat het om
een soort zakendeal gaat. Of het dus gaat over een
boerengigolo die zijn hengstkwaliteiten wil ten gelde
maken, of over iemand met een waanidee die denkt dat
de “farm” een dienst kan aanrekenen
waarin het reeds voorziet, wel uw keuze is zo goed
als de mijne. Het is hoe dan ook te laat om er iets
aan te doen. Zijn silo rijst omhoog, en omhoog.
14 – ‘What Do You Do for Money,
Honey’ (1980) van AC/DC.
Er steekt heel wat wrevel in deze grommende rocksong
van deze door seks geobsedeerde Australische
rockband. Tevens is er wat verwarring. De gespierde
schreeuwer Brian Johnson krijst de titel, maar het is
evident. Nog mysterieuzer is wat hij bedoelt wanneer
hij zegt dat ze steeds maar grijpt en steekt. Omdat
deze band goed bedreven is in deze Spinal Tap
metafoor, wordt gedacht dat zij diegene was die
gestoken werd.
13 – ‘Mexican Blackbird’ (1975) van
ZZ Top.
Deze country-achtige shuffle is zonder twijfel de
meest sociale, onsensitieve (zelfs ronduit
offensieve) hoerensong die er ooit geschreven is. Dit
bluesrocktrio uit Texas klinkt als een “pervy
tourist board”, en stelt dat wanneer je jezelf
terugvindt in Acuna, en je niet alleen wil zijn, je
de diensten van een zekere halfzwarte, half
Mexicaanse danseres/prostituee moeten overwegen.
Omdat niemand haar echte naam kent, gaat ze onder een
pseudoniem, dat we liever niet afgedrukt zien.

12 – ‘Just a Gigolo’ (1956/1985)
van Louis Prima/David Lee Roth.
Dit kan gemakkelijk de meest existentiële van de
hoerensongs genoemd worden. Louis Prima’s
goedhartige gigolo is niet van het slag van Richard
Gere, zelf te zien als gigolo in de prent
‘American Gigolo’. Ja, waarom staat de
song ‘Call Me’ van Blondie uit die film
niet in deze lijst? Goed, Louis Prima’s gigolo
brengt nog steeds geld in het laatje. Deze tune werd
herwerkt in een medley waarin hij verklaart dat hij
droef en eenzaam is, alhoewel het scat zingen dat
anders laat uitschijnen. Deze gigolo berust in zijn
niche, waar hij zal blijven tot het leven verdergaat
zonder hem. Of tot wanneer David Lee Roth de song
oppikte en het nieuw leven inblies.
11 – ‘Fancy’ (1970/1991) van Bobbie
Gentry/Reba McEntire.
Wat een verhaal! De vader is weg. De moeder is ziek.
De jongere zus verhongert. Fancy’s moeder doet
dus wat een liefhebbende ouder zou doen: haar
teenagerdochter naar de bovenstad sturen om de mensen
daar van dienst te zijn. Het draaide zo uit dat
moeder overleed en de baby weggenomen werd, dus was
alles voor niets. Maar Fancy deed het niet slecht, en
vond de weg naar een groot herenhuis in Georgia. Haar
verhaal is het succesvolste onder deze hoerensongs.
Iets zoals ‘Pretty Woman’.
10 – ‘53rd & 3rd’ (1976) van
The Ramones.
Iets hoger kwam de slechtste prostituee al aan bod,
maar deze song doet het nog slechter. Dee Dee
Ramone’s semi-biografische tune over het
hoerenlopen is geschreven vanuit het standpunt van
een droeve, arme man die nooit aan werk geraakt. Hij
is tevens een gek die een vent met een mes verwondt,
wat volgens hem bewijst dat hij geen
“sissy” is. Dat messenwerk zal hem van de
straat halen. En eigenlijk wil je geen
“sissy” zijn.
9 – ‘When the Sun Goes Down’ (2006)
van Arctic Monkeys.
Dit liedje van deze Britse band ruikt naar
‘Roxanne’, en er is een gelijkaardig
Travis Bickle-achtig reddercomplex bij de verteller.
Maar die doet niks meer dan verwijten slingeren,
verbaal een pooier uitmakend omdat die zijn vrouwen
slecht behandeld. In feite zeer slecht!

8 – ‘Money Talk’ (1994) van The
Pretenders.
Dit is een verfrissend verhaal bezien vanaf de andere
kant. Alhoewel frontvrouw Chissie Hynde van The
Pretenders de opties met charismatische openheid
aanbiedt: “Twenty gets you straight, forty gets
you other”. Ze moet immers de kinderen te eten
geven, maar toch is niet zo wanhopig om een deurmat
te zijn. Vijf minuutjes? Ze heeft het geld op zak in
“brass in pocket”, maar hoe zit het met
u?
7 – ‘Christmas Card from a Hooker in
Minneapolis’ (1978) van Tom Waits.
Vergeleken met zijn poëzie uit de jaren zeventig,
bijvoorbeeld ‘Pasties and a G-String’,
zit dit liedje boordevol zoet optimisme. Onze hoer is
van de drugs af, ze heeft een stand-in vader gevonden
voor haar baby, en hopelijk zal ze spoedig uit de
gevangenis zijn. Dit nummer raakte echter nooit in de
charts.
6 – ‘Roxanne’ (1979) van The
Police.
Sting kan een paar zaken vertellen over songs met
stalkers in, wat zijn ode aan herhaling en aan een
bijzondere straatmadelief meer dan een beetje
rustverstorend maakt. Hij heeft zijn besluit genomen
en zingt “my mind is made up”. Het nummer
was overal tegelijk te horen als FM tune, maar kon
maar amper de top veertig halen bij zijn release.
5 – ‘Roberta’ (1974) van Billy
Joel.
Nog een liedje waarin een waanzinnige verteller de
wens uitdrukt om de liefde te bedrijven met het
voorwerp van zijn affectie. Laat ons hopen dat hij
geen stand-in is voor de New Yorkse Billy Joel, want
Roberta’s “toy boy” is in deze song
radeloos
.
Dit nummer komt uit ‘Streetlife Serenade’
een album waarin Joel ging “walking on the wild
side”.
4 – ‘Candy’s Room’ (1978) van
Bruce Springsteen.
Indien Billy Joel Roberta niet kon betalen, dan heeft
hij zeker geen kans bij Candy. Maar de vertellers in
die song en in deze hebben de zekerheid gemeen dat ze
eerder een brave man zijn, dan diegene die juist
genoeg geld heeft voor één stoot. De fans van
Springsteen konden niet zeggen dat zij niet
gewaarschuwd waren, gezien deze song staat op
‘Darkness on the Edge of Town’. De boss
zou bijna twintig jaar later weer een bezoek brengen
aan het hoerendom met het liedje ‘Reno’.
3 – ‘Walk on the Wild Side’ (1973)
van Lou Reed.
We willen Billy Joel zijn New Yorkse geaardheid niet
in twijfel trekken, maar was Candy tijdens de jaren
zeventig daar niet een geloofwaardiger naam voor een
straatmadelief, dan Roberta? In deze song wordt er
met geen woord gerept over het liefdesspel, en toch
werd dit een hit voor Lou Reed.

2 – ‘House of the Rising Sun’
(1964) van The Animals.
Eén van de meest populaire prostitutiesongs ooit
opgenomen. De oorsprong van deze folkballade, die de
top van de hitparade haalde, is niet bevestigd, maar
zowat iedereen die in de jaren zestig een gitaar
bezat, nam deze song op. Deze versie was voor The
Animals hun grootste hit. Gezien het feit dat a) het
een song is over een bordeel en b) het een song is
voor een bordeel dat arme jongens ruïneert, is het
een curieuze keuze voor huwelijken en andere
feestjes.

1 – ‘Lady Marmelade’ (1975) van
LaBelle.
Herinnert u zich nog dat “Joe wanted to give it
a go, and found himself wanting more, more,
more”? Dit trio rond de zwarte zangeres Patti
Labelle leverde de moeder van alle hoerensongs. Het
werd een hitparadetopper waarin Joe terugkeert naar
zijn normale leven en niet meer kan de slaap vatten.
Toch is hij niet zo’n verliezer als de
negentien songs die hem voorafgingen. Als ik me goed
herinner waren de twee andere groepsleden Nona
Hendryckx en Sarah Dash. Of in het Frans klonk het
als “Voulez-vous
coucher avec moi, ce soir”?
Patrick Van de Wiele