In de schitterende reeks ‘Rockpalast Live’ krijgen we nu de dvd van het concert van Ronnie Lane die toen al een tijdje was weggetrokken bij The Faces (voorheen Small Faces). Dit concert vond plaats op 3 maart 1980 in de WDR3 Studio A in Keulen. Lane, geen al te grote fysieke kerel maar wel een grote naam op gebied van songsschrijven. Samen met wijlen Steve Marriott (hopelijk heeft Steve daarboven nu eindelijk rust gevonden…) schreven ze onvergetelijke muzikale meesterwerkjes zoals ‘Ichycoo Park’, ‘Lazy Sunday’ en ‘Tin Soldier’ om er maar enkele te noemen. Tijdens zijn periode bij The Faces, met Rod Stewart en Ron Wood voordat deze laatste zijn heil vond bij de Rolling Stones, schreef hij ook enkele pareltjes en misschien kennen jullie deze nog: ‘Debris’, ‘Ooh Lala’ en ‘Richmond’. Of om het in ’t kort samen te vatten, Ronnie Lane is een van die vele ondergewaardeerde songwriters en wanneer je zijn muziek hoort zou je toch wensen dat hij samen, en in een adem, met de allergrootsten mag genoemd worden. En zover verliep voor Ronnie Lane zijn leven op een drafje totdat eind jaren zeventig multiple sclerose bij hem werd vastgesteld. Na zijn concert in Rockpalast ging het bergafwaarts met hem en op aanraden van zijn arts, omwille van het betere weer, verhuisde hij naar Austin, TX. Ondertussen zet hij een hulporganisatie op poten die geld zal inzamelen voor diepgaand onderzoek naar de nog steeds dodelijke ziekte. In september 1993 werd er een eerste groot liefdadigheidsconcert op touw gezet. De deelnemers waren niet de minsten: Eric Clapton, Jimmy Page, Jeff Beck, Stevie Winwood, Bill Wyman, Charlie Watts en Faces’ drummer Kenney Jones. Lane zelf was fysiek niet meer in staat om aan het ganse concert deel te nemen. We zagen hem alleen maar op het einde met de encore ‘Goodnight Irene’. Gelukkig kon hij dit concert fysiek nog aan en het resultaat is er naar. Aan zijn zijde vonden we Ian Stewart (piano Rolling Stones), Henry McCullough (gitaar, Wings, Spooky Tooth, Grease Band), Chrissie Stewart (bas, Frankie Miller, Eire Apparent), Bruce Rowland (drums, Grease Band, Fairport Convention), George Carless (sax), Raymond Carless (sax) en Charlie Hart (accordeon, piano, Pete Brown’s Battered Ornaments, Ian Dury).
We krijgen een dertiental nummers, niet meteen alle dertien die je bij het nekvel zullen grijpen maar we vonden toch enkele pareltjes zoals ‘Debris’ en het van Willie Dixon geleende ‘I’m Ready’ dat het ook zeer goed doet hier. ‘Annie Had A Baby’ is pure rock en dat nummer kwam tot stand dankzij een samenwerkingsverbond met Eric Clapton. Nog meer wordt er gerockt op de tonen van ‘You’re So Rude’. Of het nu een swing of een shuffle is, bij Ronnie Lane klonk het allemaal geweldig maar op de opening van ‘Rocket 69’ gaat het er wat rommelig aan toe. We verlaten even de highway of swing en we doen het wat rustiger aan met ‘When Lads Has Got Money’; we horen een schitterende Henry McCullough de knappe gitaarsolo invullen. Met ‘Man Smart Woman Smarter’ wilde Ronnie de vrouwenbeweging achter zich krijgen en of dat ooit gelukt is, weten we niet. Zelfs ‘You Never Can Tell’ van Chuck Berry werd even afgestoft, kreeg hier een leuke beurt en Dolly Parton moest je er maar bij fantaseren. ‘Met ‘One For The Road’ en dus zeer toepasselijk hier, besluit Lane zijn show. ‘Rockpalast: Ronnie Lane Live 1980’ is niet meteen een van de grote schitterende momenten uit de levensgeschiedenis van deze concerten reeks maar we kregen toch een concert dat qua diversiteit toch een bijzondere uitstraling had. Misschien had dat wat te maken met de aanwezigheid van enkele topmuzikanten of was het gewoonweg Lane’s charisma dat de bovenhand haalde? Zijn laatste woorden die avond waren ‘God Bless Us All’. Lane overleed op 4 juni 1997 op zijn toenmalige thuisbasis Trinidad, Colorado. Een groot muzikant-componist heeft zijn tijdelijk bezoek op Aarde afgerond voor een permanent verbijf in de Eeuwigheid. Sommige beelden, die die geschoten werden vanuit de zaal, zijn niet echt in goede kwaliteit te bekijken, de beelden die focussen op het gezicht van Lane zijn dan weer wel perfect. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om een te lage resolutie maar voor zolang de muziek nog maar goed klinkt… en dat doet ze op ieder moment.
Alfons Maes (3½)
In de schitterende reeks ‘Rockpalast Live’ krijgen we nu Ronnie Lane die toen al een tijdje was weggetrokken bij The Faces (voorheen Small Faces). Lane, geen al te grote fysieke kerel maar wel een grote naam op gebied van songsschrijven. Samen met wijlen Steve Marriott (hopelijk heeft Steve daarboven nu eindelijk rust gevonden…) schreven ze onvergetelijke muzikale meesterwerkjes zoals ‘Ichycoo Park’, ‘Lazy Sunday’ en ‘Tin Soldier’ om er maar enkele te noemen. Tijdens zijn periode bij The Faces, met Rod Stewart en Ron Wood voordat deze laatste zijn heil vond bij de Rolling Stones, schreef hij ook enkele pareltjes en misschien kennen jullie deze nog: ‘Debris’, ‘Ooh Lala’ en ‘Richmond’. Of om het in ’t kort samen te vatten, Ronnie Lane is een van die vele ondergewaardeerde songwriters en wanneer je zijn muziek hoort zou je toch wensen dat hij samen, en in een adem, met de allergrootsten mag vergeleken worden. En zover verliep voor Ronnie Lane zijn leven op een drafje totdat eind jaren zeventig multiple sclerose bij hem werd vastgesteld. Na zijn concert in Rockpalast ging het bergafwaarts met hem en op aanraden van zijn arts, omwille van het betere weer, verhuisde hij naar Austin, TX. Ondertussen zet hij een hulporganisatie op poten die geld zal inzamelen voor diepgaand onderzoek naar de nog steeds dodelijke ziekte. In september 1993 werd er een eerste groot liefdadigheidsconcert op touw gezet. De deelnemers waren niet de minsten: Eric Clapton, Jimmy Page, Jeff Beck, Stevie Winwood, Bill Wyman, Charlie Watts en Faces’ drummer Kenney Jones. Lane zelf was fysiek niet meer in staat om aan het ganse concert deel te nemen. We zagen hem alleen maar op het einde met de encore ‘Goodnight Irene’. Gelukkig kon hij dit concert fysiek nog aan en het resultaat is er naar. Aan zijn zijde vonden we Ian Stewart (piano Rolling Stones), Henry McCullough (gitaar, Wings, Spooky Tooth, Grease Band), Chrissie Stewart (bas, Frankie Miller, Eire Apparent), Bruce Rowland (drums, Grease Band, Fairport Convention), George Carless (sax), Raymond Carless (sax) en Charlie Hart (accordeon, piano, Pete Brown’s Battered Ornaments, Ian Dury). We krijgen een dertiental nummers, niet meteen alle dertien die je bij het nekvel zullen grijpen maar we vonden toch enkele pareltjes zoals ‘Debris’ en het van Willie Dixon geleende ‘I’m Ready’ dat het ook zeer goed doet hier. ‘Annie Had A Baby’ is pure rock en dat nummer kwam tot stand dankzij een samenwerkingsverbond met Eric Clapton. Nog meer wordt er gerockt op de tonen van ‘You’re So Rude’. Of het nu een swing of een shuffle is, bij Ronnie Lane klonk het allemaal geweldig maar op de opening van ‘Rocket 69’ gaat het er wat rommelig aan toe. We verlaten even de highway of swing en we doen het wat rustiger aan met ‘When Lads Has Got Money’; we horen een schitterende Henry McCullough de knappe gitaarsolo invullen. Met ‘Man Smart Woman Smarter’ wilde Ronnie de vrouwenbeweging achter zich krijgen en of dat ooit gelukt is, weten we niet. Zelfs ‘You Never Can Tell’ van Chuck Berry werd even afgestoft, kreeg hier een leuke beurt en Dolly Parton moest je er maar bij fantaseren. ‘Met ‘One For The Road’ en dus zeer toepasselijk hier, besluit Lane zijn show. ‘Rockpalast: Ronnie Lane Live 1980’ is niet meteen een van de grote schitterende momenten uit de levensgeschiedenis van deze concerten reeks maar we kregen toch een concert dat qua diversiteit toch een bijzondere uitstraling had. Misschien had dat wat te maken met de aanwezigheid van enkele topmuzikanten of was het gewoonweg Lane’s charisma dat de bovenhand haalde? Zijn laatste woorden die avond waren ‘God Bless Us All’. Lane overleed op 4 juni 1997 op zijn toenmalige thuisbasis Trinidad, Colorado. Een groot muzikant-componist heeft zijn tijdelijk bezoek op Aarde afgerond voor een permanent verbijf in de Eeuwigheid.
Alfons Maes (3½)
De eerste keer dat ik Mitch Ryder op een podium beleefde was in de beginjaren tachtig toen de man ‘Never Kick A Sleeping Dog‘ kwam promoten in Hof Ter Lo. Enkele jaren eerder zag ik Ryder al op televisie zijn in blauw suede gehulde demonen ontbinden. Dit concert uit ’79 wordt samen met een uit 2004 daterend optreden uit het rijke Rockpalast archief gelicht en is naast de DVD-versie nu ook in een uitgebreide audioversie (3cd box) verkrijgbaar. Mitch Ryder & The Detroit Wheels groeiden in de jaren zestig met hun gloedheet mengsel van ruige garagerock en spannende R&B uit tot één van de meest spraakmakends acts van de destijds bloeiende Detroitscène die ook buiten Michigan potten brak. Ryder 5 William Levise was in essentie een blanke soulzanger en toegewijde Pickett/ Brown adept. Ondersteund door de nerveuze ruige riffs van gitaartandem Jim McCarty en Joe Kubert en de solide backbeat van de Wheels ritmesectie met Johnny ‘Bee’ Badanjak en James McCallister legden zij de basis van de zogenaamde Detroit Sound. Medleys van oudere rockklassiekers vormen de speerpunt van een onstuimig rockend oeuvre zoals de titels al suggereren en terug te vinden op ‘Take A Ride’, ‘Break Out’ en ‘Sock It To Me’. In ‘67 valt het doek voor Detroit Wheel, producer/manager Bob Crewe heeft andere plannen met de jonge rebelse Mitch en dwingt hem in het keurslijf van ‘brave’ soloartiest die een breder publiek moet charmeren.
De lokroep van de rockmuziek blijkt sterker en Ryder trekt naar Memphis om er samen met Steve Cropper, Booker T. en de andere MG’s aan het ‘Detroit Memphis Experiment’ te sleutelen. Terug thuis formeert hij samen met Badanjek en gitarist Steve Hunter Detroit, een massieve rockband die het werk van de Stones en Lou Reed grandioos recycleert. Hunter zal overigens niet veel later samen met producer Bob Ezrin geschiedenis schrijven op Lou Reed’s ‘Berlin’ en vormde samen met Dick Wagner het dynamische snarenspan dat op ‘Rock-’n-Roll Album’ ‘Sweet Jane’ van die magistrale intro voorzag. Later belandt Hunter samen met producer Ezrin bij Alice Cooper. Het jarenlange touren eist zijn tol en manifesteert zich in ernstige keelproblemen. Ryder trekt zich in ’73 terug uit de muziekwereld om in Colorado samen met zijn vrouw aan songs te sleutelen, en zich aan schrijven en schilderen te wijden. Een van die schilderwerkjes belandt in ’78 op de hoes van ‘How I Spent My Vacation’. Het is die meesterlijke langspeler, gevuld met bittere sterk autobiografische songs over de breuk met de rockscène die de aanleiding vormt om Ryder te engageren voor Rockpalast. Zo kunnen we de Detroit veteraan ‘very alive and kicking’ aanschouwen, weliswaar op onze kleurentelevisie. Het zogenaamde ‘Famous Full Moon Concert’ met ook Nils Lofgren en Southside Johnny op de affiche wordt rechtstreeks uitgezonden in Eurovisieverband in de nacht van 6 op 7 oktober. Iedere band krijgt vooraf ruimschoots de tijd om te repeteren. Voor Ryder en kompanen blijkt de tijd tussen die repetities en het concert iets te lang. Naar verluidt arriveerde hij in de Grugahalle in Essen in bedenkelijke staat met de fles Jack nog in de hand. Na een vechtpartij in de kleedkamer en een rampzalig interview met Lester Bangs geeft hij één van de beste concerten uit de geschiedenis van Rockpalast.
Na het toepasselijke ‘Long Road’ gooit Ryder nieuw werk zoals ‘War’ met schitterend dubbelloops werk van gitaartandem Joe Gutc en Rick Shein tussen de vertrouwde rockmedleys ‘CC Ryder’/Jenny Takes A Ride’ en ‘Devil With A Blue Dress/ Good Golly Miss Molly’ en een gebalde versie van ‘Rock-’n-Roll’. Het beproefde concept werkt nog maar het destijds recente werk uit ‘How I Spent My Vacation’ klinkt minstens even sterk. Een overrompelende ‘Tough Kid’, ‘Nice and Easy’ en een slopend ‘Dance Ourselves To Dead’ worden evenwel geëvenaard door nummers die een jaar later op ‘Naked But Not Dead’ zullen prijken. We worden voor het eerst geconfronteerd met ‘Ain’t Nobody White (Can Sing The Blues)’, een verscheurend relaas over een uitspraak van Ray Charles en de striemende repliek van ‘Angry young man’ Elvis Costello. Het op een strakke reggaebeat leunend ‘True Love’ vormt de aanloop naar de finale met het van The Doors geleende ‘Soul Kitchen’.
Op twee cd’s uitgesmeerd vinden we een integraal concert van recentere datum. Ryder geeft in februari 2004 de dag na zijn 59ste verjaardag opnieuw een concert ondersteund door de Amerikaanse gitarist Robert Gillespie en de Duitse formatie Engerling. Uiteraard ontbreken de medleys niet. De ongebreidelde energieke uitbarstingen zijn er niet meer bij. ‘Everybody Loses’, ‘The Terrorist’ en een bluesy ‘The Porch’ tonen aan dat ‘the unsung hero’ na 25 jaar nagenoeg niets aan strijdvaardigheid en intensiteit heeft ingeboet. Op de derde cd vormen twee lang uitgesponnen Stonesnummers de blikvangers. ‘Heart Of Stone’ wordt met verschroeiende uithalen gelardeerd en uit een wat wazige intro met flarden van ‘Ghostriders in the Sky’ doemt een gespierd ‘Gimme Shelter’ op, iets minder heftig dan in de Detroit periode maar beslist nog de moeite van het beluisteren waard, ook zonder bijhorende beeldmateriaal.
Cis Van Looy (4)
Misschien is voor velen de volgende band ook weer eentje ‘van voor mijn tijd’! Mother’s Finest is een Amerikaanse band die rock, funk en soul perfect wist te combineren. In het leven geroepen door het zingende echtpaar Joyce “Baby Jean” Kennedy en Glenn “Doc” Murdock begin jaren zeventig. Hun roots situeerden zich in Atlanta, Georgia maar al snel werd de band een begrip wereldwijd, als liveband wisten ze zich een speciale status te verwerven. Hun eerste titelloze langspeler uit 1972 verkocht niet écht goed maar hij is de dag van vandaag (op vinyl) een hard gezochte collector’s item. Het was even wachten tot 1977 dat ze hun grote doorbraak wisten te forceren met het album ‘Baby Love’. Het was dan ook dankzij Rockpalast in 1978 dat de groep ontzettend populair werd in Europa. Helaas was dat niet het geval in hun eigen land maar dat hebben we meer gehoord. Op 4 maart 1978 werden ze dus door Rockpalast gevraagd voor een liveopname en de line-up toen was als volgt: Joyce “Baby Jean” Kennedy (vocals), Glenn Murdock (vocals), Gary “Moses Mo” Moore (gitaar), Michael Keck (keys), Jerry “Wizzard” Seay (bas, vocals) en Barry B.B. Bordan (drums, percussie). De nummers die ze in de beroemde Grugahalle speelden, en toen nog een totaal onbekende band in Europa, waren o.m. ‘Dis Go Dis Way’, Dis Go Dat Way’, ‘Rain’, ‘Fly With Me’, ‘Mickey’s Monkey’, ‘Baby Love’, de bassolo van Wizzard e.a. De beelden van dit concert zijn nog in redelijke staat en kunnen best ook op een groot scherm getoond worden. In 1984 hield de band het voor bekeken en splitte. 25 jaar later, en na hun ‘Conquest Of Europe’ komt Mother’s Finest nogmaals naar Duitsland voor een nieuw concert maar nu speelden ze in Burg Satzvey op 20 juli 2003. Er was toen een personeelswissel namelijk die van drummer Barry Bordan die vervangen was door Kerry “Lovinggood” Denton en John “Red Devil” Hayes werd aan boord gehesen als tweede gitarist. Als extra backing vocals hoorden we Jonette “JJ” Johnson. Tijdens dit concert werden een pak nummers méér gespeeld dan in 1978 maar de meeste van het in 1978 gegeven concert werden in 2003 herhaald behalve ‘Rain’ en ‘Fire’ maar enkele nieuwe nummers zoals een leuke cover van de Beatles’ ‘Strawberry Fields Forever’, de bassoslo, ‘Mandela’s Song/Mickey’s Monkey’, ‘Hard Rock Lover’, ‘Power’ en vele anderen bulderden toen uit de luidsprekers. Ook hier nog uitstekende beelden maar voor de toeschouwers helemaal achteraan moet het een vervelende situatie geweest zijn omdat het een podium op de begane grond was en dus achteraan in de zaal moeilijk te bekijken was zonder verhoging. Op de tenen staan was de boodschap (maar voor hoe lang) indien je iets wilde opvangen van wat er zich op het podium afspeelde. Mother’s Finest klinkt nog steeds goed maar of we ze hier ooit nog op een podium zullen is maar de vraag.
Alfons Maes (3)
Joe Jackson is altijd al een buitenbeentje geweest, zowel op vinyl, cd als op de bühne. Als klein ventje begint hij viool te bestuderen maar vindt het uiteindelijk maar niets. Dan geraakt hij in de ban van dat andere snareninstrument de piano en het is daarop dat we hem gaan leren kennen. Met Arms And Legs, zijn eerste band, proberen ze te scoren bij het grote publiek maar twee tegenvallende singles betekenen een vroegtijdige dood van deze outfit. In 1978 is het troef voor Jackson, hij weet een contract bij A&M te versieren en in 1979 maken we kennis met zijn eerste langspeler ‘Look Sharp’ waaruit de megahit ‘Is She Really Going Out With Him’ getrokken wordt. Hij verwerft hiermee een bijzondere cultstatus en het is maar even wachten op zijn volgende album, ‘I’m The Man’ dat datzelfde jaar nog verschijnt. Van productiviteit gesproken. En nog steeds de gitaar ontwijkend maakt hij in 1982 het album ‘Night & Day’. Inmiddels was Jackson verkast naar de Big Apple en dit album, dat voornamelijk handelt over de multiculturele samenleving van New York, wordt een succes.
_Eigenlijk moet ik bekennen dat ik van de zanger of de groep Roachford nog nooit gehoord had. Schande zal u zeggen, ja, ik ben ook maar een mens met zijn beperkingen. Maar zelden heeft een Rockpalast dvd de kwaliteiten en de evolutie van een artiest zo goed gedocumenteerd. Het concert uit 1991 laat de Roachford band in een vroege fase van hun carrière zien, met naast Andrew Roachford als zanger, op gitaar en keyboard, Hani Gondwe op gitaar, Ian Alleyne op gitaar, Eric Rominson op keyboard, Derrick Taylor op bas en Chris Taylor op drums. Je kan met hun rocksound kennismaken via songs zoals ‘Cuddly Toy’ (een bekende hit) en ‘Family Man’.
_Wellicht niet meteen de bekendste naam in deze serie maar in Duitsland zijn ze nog steeds een graag geziene rock band. Alhoewel twee leden van hen, Cliff Jackson en Jim McGillivray Britten zijn en hun teksten uitsluitend in het Engels waren was Epitaph toch een Duitse band. Het concert van 2/2/1977 was het eerste Epitaph-concert in een reeks die we nu maar alleen kunnen toejuichen.
De cd’s geven de twee concerten van 2/2/1977 en 3/9/1979 werd, dus voor het concert uit 2004 kan je alleen terecht op de tweede dvd. Als bonus op de tweede dvd krijgen we twee nummers opgenomen tijdens het programma ‘Beat Club’, nl. het intimistische ‘Early Morning’ en ‘Little Maggie’ waar Klaus Walz zijn talent op de gitaar mocht tonen. Toch nog steeds goed bewaarde beelden en klankband.
_De Britse formatie Mott The Hoople leek in de vroege jaren zeventig na enkele behoorlijke, maar slecht verkopende langspelers een aflopende zaak. De stoutmoedige fusie van glamrock, zware metalen in combinatie met een cynische Dylaneske attitude was David Bowie niet ontgaan. Bowie motiveerde Ian Hunter en gitarist Mick Ralphs om verder te gaan en de single ‘All The Young Dudes’, een nummer van Bowie die eveneens als producer aantrad voor het gelijknamige album werd een onverhoopt succes in 1972 en hoogtepunt in de glamrock periode. Er volgden nog een schitterende opvolgers met ‘Mott’ en ‘The Hoople’. Stichtend lid en stergitarist Mick Ralphs stapte eind ’73 op om met Paul Rodgers Bad Company op te richten. Nauwelijks een jaar later gooide Ian Hunter de handdoek in de ring. In New York City begon Hunter samen met gitarist Mick Ronson, die voordien zijn sporen als producer en arrangeur bij Bowie en Lou Reed verdiende en in een late reïncarnatie van Mott The Hoople figureerde, aan zijn solodebuut te werken.
_Van Johnny Winter weten we dat hij eigenlijk zijn echte doorbraak te danken heeft aan wijlen Michael Bloomfield omdat deze laatste de jonge gitarist tijdens zijn ‘Live Adventures of Al Kooper & Michael Bloomfield’ (1968 – Fillmore East NY) aan het grote publiek introduceerde. Ondertussen heeft onze albino, en broer van Edgar Winter, Bloomfield overleefd. Maar zijn intro op de ‘Live Adventures’ had meteen een grote impact op de organisators van Woodstock die Johnny prompt op hun affiche plaatsten. En de rest is geschiedenis maar omdat zijn fysieke uitstraling de laatste jaren onder nul is wil dat niet zeggen dat hij zijn gitaar niet meer kan laten janken. Rockpalast heeft uiteraard tijd en geld gespendeerd aan meneer Winter en daarom krijgen we nu het concert uit 1979 dat plaatsvond in de ondertussen beroemde Grugahalle in Essen. Op 21 en 22 april 1979 waren we getuige van een knap liveconcert met Johnny Winter (gitaar), Jon Paris (bas) en Bob Torello op drums.
_De dvd van Lance Lopez, die op 25 juli 2009 in het Theater am Tansbrunnen in Keulen in het kader van het WDR televisieprogramma ‘Rockpalast’ werd opgenomen, was bedoeld als bijlage bij de cd ‘Salvation From Sundown’. Die dvd is om de een of andere reden zelfstandig bij mij terecht gekomen, maar daar kan ik niet kwaad om zijn.
|