• Home
  • On Stage
  • Coming Shows
    • Concert News
  • Radio 68 Shows
  • Those Were The Days
  • CD Reviews
    • CD's Metal Section
    • DVD Reviews
  • Articles
  • Jukebox Jive
  • Forum
Keys and Chords
Music was our first love... and it will be our last...

Sam & Dave


Picture
Picture
Sam & Dave
The story of “The Dynamic Duo” or “The Sultans of Sweat”.

Er is al een tijdje een soulrevival aan de gang, waarbij sommige van de nieuwe artiesten graag teruggrijpen naar de “sweet soul music” van de jaren zestig. Eén van de meest opwindende live soul acts uit die periode, en alleszins het meest populaire duo uit de geschiedenis van de soulmuziek, is Sam & Dave. Geïnteresseerd in hun verhaal? Wel lees dan verder.

De vroege geschiedenis.

Samuel David Moore werd geboren als Samuel David Hicks op 12/10/1935, volgens de ene bron in Miami, Florida, en volgens de andere in Winchester, Georgia, als zoon van een diaken. Hij luisterde dus al vroeg naar gospelmuziek en zong mee in de kerk. In 1954 nam hij het plaatje ‘Nitey-Nite/Caveman Rock’ op met de doo-wopgroep The Majestics, en zong later bij gospelgroepen The Gales en The Melonaires. Moore luisterde naar Jackie Wilson en Sam Cooke, en nam hen als voorbeeld, maar luisterde ook naar Little Willie John. In het begin van de jaren zestig koos Moore voor de wereldlijke muziek en ging solo optreden in clubs. Toen hij in 1961 op het podium stond van de King of Hearts Club in Miami, werd hij spontaan bijgetreden door Dave Prater, een andere zanger, die als kok in de club werkte. Het publiek reageerde positief op hun plotse samenzang, en ze besloten om als duo verder te gaan. Ze ontwikkelden een op gospel geïnspireerd zangspel van vraag en antwoord. Prater was geboren op 9/5/1937 in Ocilla, Georgia, en had nog in het kerkkoor gezongen. Samen met zijn broer JT Prater zat hij in gospelgroep The Sensational Hummingbirds, en had met hen in de jaren vijftig de single ‘Lord Teach Me’ opgenomen. Moore had een hoge tenorstem, en Prater was een lagere bariton/tenor.

Ze werden in diezelfde King of Hearts Club door soulzanger/producer Steve Alaimo opgemerkt, en die liet hen een platencontract tekenen bij Marlin Records. Na twee singles uit het begin van 1962 op dat label, hielp platenbaas Henry Stone (van het latere TK label) hen aan een contract bij Roulette Records in New York. Morris Levy van dat laatste label liet hen in de periode 1962 tot 1964 vier singles uitbrengen (twee ervan waren heruitgaven van Marlin opnames), en één single op Stone en Alaimo’s label Alston. Enkele van deze singles kregen wat airplay op regionale radiostations, maar een notering in de charts zat er niet in. Nochtans waren deze songs, die ofwel door Steve Alaimo ofwel door Henry Glover geproduceerd waren, gelijkaardig aan die van Sam Cooke, Jackie Wilson en Little Willie John. Prater nam hierop meestal de leadzang voor zijn rekening, en Moore zorgde voor harmony en alternatieve teksten.

De Stax periode.

In de zomer van 1964 introduceerde Stone hen aan Jerry Wexler van Atlantic, die niet aarzelde om hen te laten tekenen. Wexler vroeg aan Stax Records uit Memphis om het duo daar te laten opnemen. Wexler wou de Zuiderse roots en gospelstijl van hun liveoptredens naar voren brengen, dus kreeg Stax ze in leen, maar ze bleven bij Atlantic, dat Stax toen nationaal verdeelde. In zijn autobiografie ‘Rhythms & Blues’ schreef hij: “Their live act was filled with animation, harmony and seeming goodwill. I put Sam in the sweet tradition of Sam Cooke or Solomon Burke, while Dave had an ominous Four Tops' Levi Stubbs-sounding voice, the preacher promising hellfire.” Toen het duo in 1965 bij Stax aankwam, werkten ze met producer/geluidstechnicus Jim Stewart en gitarist Steve Cropper (van Booker T & The M.G.’s), die vier van eerste acht opnamen schreef. Daarna werd het duo toegewezen aan nieuwkomers Isaac Hayes en David Porter, die songs gingen schrijven en ze tevens produceerden, met als achtergrondorkestratie The Memphis Horns. Hayes en Porter zouden voor de grootste hits van het duo zorgen, maar kregen eigenaardig genoeg geen als producers tot de elpee ‘Soul Men’ en bijhorende singles. Ze waren van grote invloed op de zangstijl van Sam & Dave, verfijnden die en maakten het vraag en antwoord zangspel tot een ritmisch gedreven soulstijl, waarvoor ze bekend geworden zijn. En hoewel, de twee eerste Stax singles niet in de hitparade geraakten, zorgde de derde ‘You Don’t Know Like I Know’ voor een zevende plaats in de R&B charts van januari 1966. Wat ze toen nog niet wisten, is dat dit de eerste van tien opeenvolgende top twintig hits tijdens de volgende drie jaren zou worden.

Sam & Dave profiteerden ook van de muzikanten en de geluidstechnici bij Stax. De huisband Booker T. & The M.G.’s en de blazerssectie, The Mar-Keys, waren klassenmuzikanten die dikwijls zonder vermelding meeschreven en meewerkten aan opnames. Het waren dezelfde musici die ook opnamen met Otis Redding, Wilson Pickett, Carla Thomas enz. Maar de uitvinder van de Stax sound is zonder twijfel Jim Stewart die de Memphis Sound in één ruk vastlegde.

De opmars van de single ‘Hold On, I’m Comin’’ was nog sterker. In maart 1966 werd het nummer uitgebracht, en in juni stond het op kop van de R&B charts. Tevens was het hun eerste single die in de Top Veertig van pop charts binnenkwam. De song zou later door de Billboard R&B charts tot nummer één song van het jaar 1966 gestemd worden. Tweeëntwintig jaar later zou het magazine Rolling Stone tot als één van de beste honderd songs van de afgelopen vijfentwintig jaar bestempelen. ‘Hold On, I’m Comin’’ kreeg in 1995 een laattijdige RIAA Gold Record Award voor één miljoen verkochte exemplaren. Het nummer zou intussentijd door achtentwintig andere artiesten opgenomen zijn. Het werd tevens de eerste opname waarop, volgens de suggestie van Hayes en Porter, Moore het eerste vers inzong, waarop de diepere stem van Prater het antwoord en het tweede vers voor zijn rekening nam. Dat werd meteen hun handelsmerk. Het nummer heeft een speciale ontstaansgeschiedenis: Hayes was met de song bezig, en riep naar Porter die net op de wc was. Porter antwoordde: “Hold on, man, I’m comin’”, en in tien minuten was de zaak geklaard. Radiostations hadden opmerkingen over de suggestieve songtitel, en Stewart greep in, veranderde de naam naar ‘Hold On, I’m A –Comin’’, en liet de song herinzingen. De gelijknamige elpee deed het al even goed, en bereikte ook nummer één van de R&B album charts. En Roulette Records speelde handig op dat succes in, door de elpee ‘Sam & Dave’ meteen uit te brengen, met daarop hun singles en ommekantjes van de zes singles die ze daar indertijd opgenomen hadden.

In de tweede helft van 1966 kwamen: ‘Said I Wasn’t Gonna Tell Nobody’ en ‘You Got Me Hummin’ uit .

Hun volgende grote hit werd: ‘When Something is Wrong with My Baby’, uit januari 1967. Het was hun eerste en enige ballade en de enige song waarop Porter het eerste vers alleen zong. Sindsdien hebben heel wat mannelijke en vrouwelijke zangers het als duet opgenomen.

De drie laatste singles staan op de elpee ‘Double Dynamite’.

Toen ze Phil Walden als manager kregen, de manager van Otis Redding, boekte die hen in 1967 in het Hammersmith Odeon in Londen, samen met Redding en Booker T. & The M.G.’s, als deel van de Stax/Volt European Tour.

Maar de song waarvoor ze het best bekend gebleven zijn was ongetwijfeld ‘Soul Man’. Die single werd in augustus 1967 uitgebracht en steeg in oktober naar nummer één. Het verkocht meer dan één miljoen keer, en werd met goud beloond. In februari van het volgende jaar won het duo hierdoor de Grammy Award voor “Best Performance – Rhythm & Blues Group”. De song hielp mee aan de popularisering van de beschrijving van het muziekgenre soul. Isaac Hayes zei dat de titel geïnspireerd was op de nieuwsberichten van soul fierheid na de rassenrellen, toen het woord “soul” door de plunderaars op de deuren van de huizen werd achtergelaten. Hayes breidde dat uit tot “I’m a soul brother, I’m a soul man.” In 1999 zou de song zelfs in de Grammy Hall of Fame gestemd worden. Ook is het als één van de vijftig meest invloedrijke songs van de laatste vijftig jaar opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame, bij Rolling Stone Magazine en de RIAA Songs of the Century. In 1986 zou het gebruikt worden als soundtrack en als filmtitel, maar ook voor de prent ‘Soul Men’ uit vorig jaar, en de tv-reeks uit 1997-1998.

De gelijknamige elpee strandde op vijf van de R&B charts. In Frankrijk werd: ‘Don’t Knock It’ als single uitgebracht, en in de USA werd in 1968 ‘I Thank You/Wrap It Up’ gereleasd. Het werd zowel een hit binnen de R&B als de popcharts. Critici zeggen dat de b-kant ‘Wrap it Up’ als aparte single succes zou kunnen gehad hebben, en dat werd het ook in de versie van The Fabulous Thunderbirds. Maar het akkoord over de verdeling tussen Stax en Atlantic verstreek in mei 1968 en ‘I Thank You’ werd de laatste Stax single.

Prater schoot ondertussen tijdens een ruzie zijn vrouw neer, maar omwille van de omstandigheden, werd hij niet vervolgd of opgesloten.

De Atlantic periode.

De eerste single voor Atlantic werd: ‘You Don’t Know What You Mean To Me’, geschreven door Eddie Floyd en Steve Cropper. Ook ‘Can’t You Find Another Way (of Doing It)’ werd uitgebracht, en ‘Everybody Got To Believe In Somebody’ werd de laatste single uit 1968. In januari 1969 kwam de elpee ‘The Best of Sam & Dave’ eraan, en daarop stonden alle Stax singles en verschillende ommekantjes, behalve ‘A Place Nobody Can Find’. De eerste van dat jaar werd: ‘Soul Sister, Brown Sugar’ en daarmee stonden ze terug in de top twintig. De opvolger ‘Born Again’ deed het al wat minder, en dat was meteen de laatste single die ze bij Stax opnamen.

In juni van dat jaar traden ze aan op ‘Soul Bown ‘69’ een festival in de Astrodome in Houston, Texas naast Aretha Franklin, The Staple Singers, Ray Charles enz.

Jerry Wexler probeerde samen Tom Dowd het duo te produceren in New York, en het duurde acht maanden vooraleer de eerste single ‘Ooh, Ooh, Ooh’ eraan kwam. Succes was er echter niet voor weggelegd. Het jaar daarop volgden nog twee singles: ‘Baby Baby Don’t Stop Now’ en ‘One Part Love, Two Parts Pain’. De eerste was een restant van een opname bij Stax, en de tweede werd geschreven door Al Bell en Allen Jones. Maar geen van beiden geraakte in de hitparade. Wexler zei: “We just made some shit-ass records with them. I never really got into their sensibilities as a producer.” Hij stuurde het duo zuidwaarts naar de Muscle Shoals en naar Miami om met producers Brad Shapiro en Dave Crawford te werken aan hun volgende single ‘Knock It Out The Park’, maar dat leverde ook niets op.

In juni 1970 ging het duo uit elkaar, volgens Moore als gevolg van de ontgoochelingen en als gevolg van zijn wens om solo te gaan. Volgens Prater was het omdat Moore solo wou gaan. Moore nam drie singles op voor Atlantic, maar dat werden opnieuw geen hits. Hij wou de productie voor een elpee overlaten aan King Curtis, maar nadat die in 1971 doodgestoken werd, ging dat de mist in. Prater van zijn kant nam één single voor Alston op, ‘Keep My Fingers Crossed/Love Business’, zonder succes echter. Gezien geen van beiden als soloact het voor mekaar kreeg, kwamen ze in augustus 1971 weer samen en opteerden voor een platencontract bij United Artists. In oktober gooide Atlantic nog een coversingle, ‘Don’t Pull Your Love’, te grabbel, maar dat was niet genoeg om hen bij Atlantic te doen blijven. De definitieve opnames voor Atlantic gebeurden in augustus 1972, maar die vier songs hebben nooit het daglicht gezien.

De latere periode.

Nochtans bleef vanuit Europa de vraag komen om daar gaan live op te treden. Zo toerden ze doorheen Turkije in de lente van 1972, en doorheen Engeland in de lente van 1973. Maar ook in hun thuisland waren ze regelmatig op de buis te zien, en in kleine en oldiesclubs. Ze stonden hun op vijandige basis t.o.v. elkaar en de geruchten over hun drugsgebruik deden de vraag naar optredens slinken. In 1974-75 doken ze toch weer de studio in, en namen een elpee met nieuwe songs, die ‘Back Atcha’’ heet. Dit album werd geproduceerd door Steve Cropper en The M.G.’s en The Memphis Horns speelden er op mee. Daaruit verscheen de single ‘A Little Bit of Good’, waaraan Cropper, Allen Toussaint en zelfs Jimmy Cliff meeschreven. Hoewel de elpee goede kritieken kreeg, kwam hij niet in de charts. Op een zijspoortje leverde het duo nog in 1976 de zangpartijen voor ‘Come On, Come Over’ op het debuutalbum van Jaco Pastorius. Tijdens de twee volgende jaren namen ze in de UK songs op met producer John Abbey. Daarvan werden twee singles uitgebracht op het Contempo label. En ironisch genoeg werd, gezien de aanhoudende disputen binnen het duo, één van hun laatste singles een cover van het Beatles nummer ‘We Can Work It Out’. In 1977 ging Prater zelfs werken voor een Pontiac dealer in New Jersey, en Moore werkte voor firma van advocaten. Maar het jaar daarop namen ze opnieuw hun oude hits en die van anderen op voor de elpee ‘Sweet & Funky Gold’. Ook namen ze in Nashville de verzamelelpee ‘The Original Soul Man’ op voor K-Tel. En in de zomer van dat jaar kozen ze voor een tournee doorheen Duitsland.

Als gevolg van het succes van de film ‘The Blues Brothers’ en de cover van ‘Soul Man’, was er in 1979 opnieuw interesse in Sam & Dave. Belushi en Aykroyd stelden hen voor om samen op te treden, waarbij Sam & Dave de intro van het liedje zouden zingen, en de Blues Brothers het daarna van hen zouden overnemen. Ze wilden niet. The Blues Brothers waren nochtans door hen beïnvloed geworden. Wat Sam & Dave wel deden was figureren als openingsact voor The Clash tijdens hun Amerikaanse tournee. Het jaar daarop waren ze te zien in Paul Simon’s film ‘One Trick Pony’ en op ‘Saturday Night Live’. Nog datzelfde jaar openden ze de tournee van de fiftiesband Sha Na Na. In 1981 namen ze vele hits, waaronder covers van Sam Cooke en Otis Redding, op voor twee elpee: ‘Soul Study Vol. 1 & 2’. Hun laatste gezamenlijk optreden was op nieuwjaarsavond 1981 in het Old Waldorf in San Francisco. Dat werd meteen de laatste maal dat ze tegen elkaar spraken.

Dave Prater en Sam Daniels.

In oktober 1982 begon Pratter rond te toeren met Sam Daniels als Sam & Dave of als The New Sam & Dave Revue. Dit zou duren tot aan zijn dood in 1988. Moore probeerde om Prater tegen te houden hun naam te gebruiken, maar dat lukte niet. Tijdens de volgende jaren zou die nieuwe versie van het duo zelfs naar Europa, Japan en Canada trekken. In 1985 namen Prater en Sam Daniels in Nederland onder de naam Sam & Dave, een nieuwe medley van hun hits op. Moore trok er tegen van leer en de platenfirma moest de single terugroepen en de naam veranderen in The New Sam & Dave Revue. Prater’s laatste optreden met Daniels had plaats op 3 april 1988 tijdens een ‘Stax Reunion’ in het Civic Center in Atlanta, waarbij ook Isaac Hayes, Eddie Floyd, Rufus en Carla Thomas aantraden. Zes dagen later stierf hij op 9 april tijdens een auto-ongeluk in Sycamore, Georgia. Hij was in zijn leven driemaal getrouwd, de eerste keer met Annie Belle Henderson van maart 1962 tot november 1969, en uit dat huwelijk kwamen vijf kinderen. Op kerstdag 1969 huwde hij voor de twee keer met Judith T. Gilbert, en op 21 november 1982 sloot hij zijn derde huwelijk met Rosemary E. Grish. Hij werkte met auteur Jeri Hershey mee aan zijn biografie ‘Nowhere to Run’ en zei: “I'm a workin' man. Been gettin' down so long. I don't be thinkin' about will I make it up again. Now, what's a music man like me gonna do? What's he do, 'less he entertains till he dies?”

Hij zou begraven liggen op het Holy Sepulchre Cemetery in Totowa, New Jersey.

Sam Moore solo.

In de lente van 1982 toerde Moore met andere soulartiesten waaronder Wilson Pickett doorheen Europa. Hij nam de single ‘Hold On, Edwin’s Coming’ op voor de verkiezingscampagne van gouverneurskandidaat Edwin Edwards. In die tijd huwde hij met Joyce McRae. Zie hielp hem van zijn drugsverslaving af, en onthulden die strijd in detail in zijn boek ‘Sam & Dave – An Oral History’, uit 1997 dat hij samen met Dave Marsh schreef. Niet alleen kwam hij er in 1983 openlijk voor uit, en werd zelfs een hevige antidrug militant. McRae is zijn business manager, en werkt met Sam samen om voor de rechten, de royalties en de pensioenen van artiesten op te komen. Moore bekende wel dat het voor hem tijdens die jaren tachtig moeilijk was om aan werk te geraken, want men wilde Sam & Dave zien, en Moore weigerde om iemand anders de plaats van Prater te laten innemen. Het jaar daarop was Moore te horen op de song ‘You Must Not Be Drinkin’ Enough’ op het album ‘Building the Perfect Beast van Don Henley. In februari 1987 nam Moore samen met Lou Reed ‘Soul Man’ opnieuw op als de titeltrack voor een tienerkomedie. Het jaar daarop stond hij op de planken tijdens de ‘40th Anniversary Show’ in Madison Square Garden in New York met Blues Brother Dan Aykroyd als partner. In 1988 was hij naast Junior Walker te zien in de film ‘Tapeheads’ als het legendarische soulduo The Swanky Modes. Later dat jaar brachten zij samen de song ‘Ordinary Man’ uit die prent live voor David Letterman. Zo werden oude rivalen uit de Stax en Motown kampen partners. In 1989 trad Moore aan voor de inauguratie van George Bush, en ook voor de opening van het Smithsonian Rhythm & Blues Museum. Het jaar daarop toerde hij doorheen Europa met Booker T. & The M.G.’s, Carla Thomas en Eddie Floyd. Eén van die optredens, tijdens het Monaco Soul Festival werd vastgeld op film en in Frankrijk vertoond. In 1991 nam Moore verschillende songs op voor ‘Red, Hot & Blues’ met de republikein en bluesliefhebber Lee Atwater. Hij mocht van de Rhythm & Blues Foundation in 1991 een Pioneer Award ontvangen voor zijn levenslange bijdragen. Op 15 januari 1992 werd Moore opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame voor zijn werk met Sam & Dave, en hij riep Hayes en Porter op het podium om hen te bedanken voor hun songwriting en producing. Hij had tevens David Prater, Jr., de zoon van zijn ex-partner uitgenodigd op de ceremonie. Kort daarna kondigde hij aan dat hij een solo elpee ging opnemen met duetten met Bruce Springsteen, Phil Collins enz. Nog dat jaar ging hij meewerken aan Bruce Springsteen’s album ‘Human Touch’. In 1994 had hij een hit met zijn duet ‘Rainy Night In Georgia’ met Conway Twitty. Tijdens de jaren negentig bleef hij toeren. In 1996 bracht hij ‘I’m a Dole Man’ uit, waarop de tekst voor ‘Soul Man’ herschreven werd en te dienen voor presidentskandidaat Bob Dole. De eigenaars van de rechten op die song gingen echter niet akkoord met de eis dat dit een rechtmatige parodie was, en dwongen de campagne om ermee te stoppen. In 1998 speelde hij de rol van pastoor Morris in de film ‘Blues Brothers 2000’, en vervulde daarmee een kinderdroom. Hij zong: ‘John the Revelator’. In 1999 werd: ‘Soul Man’ opgenomen als klassieker in de Grammy Hall of Fame. Drie jaar later kwam zijn solo-elpee ‘Plenty Good Lovin’’ uit, die hij met King Curtis opgenomen had in 1971. Aretha Franklin speelt er piano op. Nog in datzelfde jaar was hij te zien in de documentaire ‘Only The Strong Survive’, waarin hij over zijn drugsverslaving vertelt. Ik bezit die prent en hoorde erin dat Isaac Hayes Sam de bijnaam “Bubba” gaf. In december 2004 koos het magazine ‘Rolling Stone’ de song ‘Soul Man’ als één van de vijfhonderd beste songs aller tijden, en Moore was een gastzanger tijdens Bruce Springsteen’s Asbury Park Kerstshows. Op 29 augustus 2006 bracht Moore zijn eerste solo-elpee in meer dan vijfendertig jaar uit. ‘Overnight Sensational’ werd geproduceerd door Randy Jackson, en Sting, Mariah Carey, Bruce Springsteen, Bon Jovi, Fantasia en twintig andere muzikanten zijn erop te gast. De song ‘You are So Beautiful’ daaruit met Billy Preston en Eric Calpton kreeg zelfs een Grammy nominatie. Billy Preston mocht het niet meer meemaken want die viel in een coma. Dat jaar kreeg Moore ook een MOBO (Music of Back Origin) Lifetime Achievement Award in de UK. Vorig jaar protesteerde Moore nog tegen de campagne van Barack Obama, die zijn materiaal gebruikte tijdens de presidentverkiezing. Twee jaar later werd hij door de andere muzikanten in ‘Rolling Stone’ magazine verkozen tot één van de grootste zangers van het rocktijdperk. In december 2008 werd de ‘Original Soul Men’ dvd uitgebracht, met videoclips uit de periode 1966-1980. In januari van dit jaar trad hij samen met Sting en Elvis Costello wel op tijdens de inauguratiebal voor Barack Obama. In februari spande hij een rechtszaak aan tegen Bob en Harvey Weinstein, de producers van de prent ‘Soul Men’, een komedie met Bernie Mac en Samuel L. Jackson. Hij zei dat de film gebaseerd was op de carrière van hem en van Prater. En op 9 augustus jl. zong hij tijdens de pauze van de wedstrijd voor de Pro Football Hall of Fame tussen de Buffalo Bills en de Tennessee Titans de songs: ‘I Thank You’, ‘Hold On, I’m Coming’ en ‘Soul Man’. Hij werd daarbij begeleid door de Aurora High School Marching Band.

• Uitgebrachte singles:

1962

I Need Love - Marlin 6100

No More Pain - Marlin 6104

I Need Love - Roulette 4419

No More Pain - Roulette 4445 1963

She’s Alright - Roulette 4461

It Was So Nice While It Lasted - Roulette 4480

If She’ll Still Have Me - Roulette 4508

1964

I Found Out - Roulette 4533

I’ll Never, Never - Alston 777

1965

A Place Nobody Can Find - Stax 168

I Take What I Want - Stax 175

You Don’t Know Like I Know - Stax 180

1966

Hold On, I’m Comin’ - Stax 189

Said I Wasn’t Gonna Tell Nobody - Stax 198

1967

You Got Me Hummin - Stax 204

When Something is Wrong with My Baby - Stax 210

Soothe Me - Stax 218

Soul Man - Stax 231

1968

I Thank You - Stax 242

Don’t Knock It - Stax 169 016

You Don’t Know What You Mean to Me - Atlantic 2517

Can’t You Find Another Way - Atlantic 2540

Everybody Got to Believe in Somebody - Atlantic 2568

1969

Soul Sister Brown Sugar - Atlantic 2590

Born Again - Atlantic 2608

Ooh Ooh Ooh - Atlantic 2668

1970

Baby Baby Don’t Stop Now - Atlantic 2714

One Part Love, Two Parts Pain - Atlantic 2728

Knock It Out the Park - Atlantic 2733

1971

Don’t Pull Your Love - Atlantic 2839

1974

A Little Bit of Good (Cures a Whole Lot of Bad) - United Artists 438

Under the Boardwalk - United Artists 531

1977

We Can Work It Out - Contempo 7004

Why Did You Do It - Contempo 2109

• Uitgebrachte elpees:

1966

Hold On, I’m Comin’ - Stax 708

Double Dynamite - Stax 712

1967

Soul Men - Stax 725

1968

I Thank You - Atlantic 8205

1975

Back At Cha - United Artists LA 524-G

1978

Sweet & Funky Gold - Gusto

The Original Soul Man - K-Tel

1981

Soul Study Vol. 1 - Odyssey

Soul Study Vol. 2 - Odyssey

Vele van hun songs werden overgenomen door andere artiesten. Enkele voorbeelden: ZZ Top met ‘I Thank You’, The Fabulous Thunderbirds met ‘Wrap It Up’, James & Bobby Purify met ‘I Take What I Want’, Linda Rondstadt & Aaron Neville met ‘When Something is Wrong with My Baby’, Chuck Jackson & Maxine Brown met ‘Hold On, I’m Comin’’, en Lydia Pense & Cold Blood met ‘I Take What I Want’.

Nog meer Sam & Dave coverartiesten zijn: Aretha Franklin, Elvis Costello, Peter Frampton, The Temptations, Bonnie Raitt, Jackie Wilson, The Eurythmics, Rory Gallagher, Tom Jones, The Band, Martha Reeves & The Vandellas, Michael Bolton, Patti LaBelle & Travis Tritt, Bryan Ferry, Marilyn McCoo & Billy Davis Jr., The Hollies, Paul Butterfield, Taj Majal, Guy Sebastian, Eric Calpton en B.B. King.

In 2003 ging het Stax Museum of American Soul Music open in Memphis, en men draaide daarvoor de film ‘Soulsville’. Sam & Dave komen er uiteraard in voor, en er is een permanente display aan hen gewijd.

Tot slot nog dit:

Phil Walden, de toenmalige manager van Otis Redding zei ooit over hen: “I think Sam and Dave will probably stand the test of time as being the best live act that there ever was. Those guys were absolutely unbelievable. Every night they were awesome.” Ze waren beroemd voor hun danspasjes en akrobatische toeren op het podium. In haar boek ‘Nowhere to Run’ beschreef Jeri Hershey dat zowel Sam als Dave plasjes zweet achterlieten op de scène.

Nog meer info op:

www.sammoore.net

www.rhino.com/artists/sammoore

Patrick Van de Wiele

Picture
Picture
Picture
Picture

Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Picture
Foto
Foto
Foto
Foto
Picture

More Keys and Chords
Ticket Acties
Book Reviews
Quiz Page
Our Team
Contact Page
Music Submit
Concert News
Photo album
Vacatures
Rock Palast Live
Radio Nostalgia
Memory Lane
London Venues
Concert Reports 2012
Concert Reports 2011
Concert Reports 2011 - 2
Concert Reports 2011 - 1
Concert Reports 2010 - 2
Concert Reports 2010 - 1
Concert Reports 2009
Concert Reports 2008
Articles 2012
Articles 2011
Articles 2010
Articles 2009
Articles 2008
Concert Promoters
LiveNation
Greenhouse Talent
Gracia Live
PSE Belgium

Peter Verstraelen
Interesting sites and friends
Hard Rock
Woodstock 69
Ray Shasho
NoDepression
Dwight McCann
Belgian Rhythm & Blues Festival
Duvelblues
Binkomblues
Antwerp Rhythm & Blues Festival
Southern Blues Night
Goorblues
(Ge)Varenwinkel Festival
Terras Bilzen
Vostertfeesten
Labadoux Festival
Hookrock
Blues'd up Bierbeek
OLT
Goezot Festival
Sjock Festival
Gent Jazz
Suikerrock
Swing Festival
Night Of The Proms
The Golden Years
Lokerse Feesten
Cactus Festival
PreText
Concert Halls
Ancienne Belgique
De Warande
De Handelsbeurs
Arenbergschouwburg
Sportpaleis Antwerpen
Lotto Arena Antwerpen
Lotto Arena Bergen
Schouwburg Brugge
Koninklijk Circus
De Blauwe Wolk
4AD
C-Mine
De Oosterpoort Groningen
Bozar
Casino Kursaal Oostende
TRIX
Het Depot
The Spirit of '66
De Roma
Botanique
Muziekodroom
't Goor
Gompelhof
Kon. Elisabethzaal
cc Leopoldsburg
The Borderline (Diest)
Crossroads
Crossroad (Olen)
Zaal Roepaen
Brielpoort Deinze
Toogenblik
2001 - 2013 • A Woodland Hillcrest Promotion Production • © All Rights Reserved